Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ5140

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
341173 VG 06-768
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, gezagsvoorziening. Tijdelijke voogdij in verband met schorsing ouderlijk gezag nu alleenstaande vader alleen contact wil met zijn minderjarige dochter, wanneer zij meewerkt aan de door hem gewenste behandeling waarmee een vampier of demon wordt verdreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 341173 VG 06-768

datum : 20 december 2006

Beschikking op een verzoek tot benoeming van een voogd ex art. 1:253r jo 253q BW

ingediend door:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Overijssel, locatie Zwolle,

verzoekster,

met betrekking tot de minderjarige:

[Minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [datum].

De procedure

Op 5 december 2006 is ter griffie ingekomen het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Zwolle, houdende het verzoek om ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] een tijdelijke voogdijvoorziening te treffen.

De moeder, [moeder], geboren te [geboorteplaats] op [datum], is overleden aldaar op [datum].

De vader, [vader], geboren te [geboorteplaats] op [datum], thans wonende te [woonplaats], [adres], heeft alleen het ouderlijk gezag over genoemde minderjarige en verkeert naar het oordeel van de Raad voor de Kinderbescherming in de onmogelijkheid dit ouderlijk gezag uit te oefenen.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kantonrechter om de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming te Amersfoort tot tijdelijk voogd te benoemen.

De Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming heeft zich blijkens een verklaring d.d. 12 december 2006 bereid verklaard de tijdelijke voogdij te aanvaarden.

De Raad van de Kinderbescherming heeft door overlegging van een rapport d.d. 13 november 2006, met aangehecht een rapport van de Stichting Trias Jeugdhulp te Zwolle, het verzoek tot instelling van de tijdelijke voogdij onderbouwd.

Op 14 december 2006 is ter zitting het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming mondeling behandeld. Verschenen zijn:

- de minderjarige, begeleid door mw. [A], als mentor werkzaam bij de Stichting Trias Jeugdhulp;

- de vader;

- mw. [B], ex-echtgenote van de vader, en

- mw. mr. [C], als juridisch deskundige werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Zwolle.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft mw. [B] een brief, ontvangen op 8 december 2006, met foto’s ingezonden.

De beoordeling

1.

Gelet op de gewone verblijfplaats van de minderjarige te [woonplaats] en gezien het bepaalde in artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 in samenhang bezien met het bepaalde in artikel 1:253r jo 253q lid 3 BW is de kantonrechter, ondanks de Kongolese nationaliteit van de minderjarige, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

2.

Uit de stukken is voldoende gebleken dat de minderjarige, tezamen met een vier jaar oudere zus, in 2003 naar Nederland is overgekomen in het kader van gezinshereniging en dat zij in gezinsverband is gaan wonen met haar vader, zijn toenmalige echtgenote mw. [B], haar oudere zus, haar twee halfbroertjes en de kinderen van mw. [B]. In 2004 zijn haar vader en mw. [B] uiteengegaan, waarna de minderjarige tezamen met haar oudere zus en haar vader een gezin is gaan vormen. In december 2005 is de minderjarige wegens de door haar ervaren verwaarlozing en mishandeling weggelopen en in een crisisopvang geplaatst. In de daarna op gang gekomen hulpverlening rondom de minderjarige heeft de vader de contacten met de hulpverlenende instanties afgehouden en geen contact met de minderjarige willen onderhouden.

3.

De vader heeft het door de Raad voor de Kinderbescherming ingediende verzoek bestreden en aangevoerd dat zijns inziens de minderjarige weer bij hem thuis moet komen wonen. Hij heeft evenwel tevens gesteld dat zijn dochter is bezeten door een vampier/demon, dat zij die moet laten uitdrijven en dat hij daarvoor zijn dochter mee terug wil nemen naar [geboorteland]. Zolang zijn dochter daaraan niet meewerkt, zo begrijpt de kantonrechter hem, wil hij geen contact met zijn dochter en wil hij geen medewerking verlenen aan de hulpverlening aan zijn dochter.

4.

Ter zitting heeft de minderjarige verwoord dat zij het standpunt van haar vader niet begrijpt, dat met haar niets aan de hand is en dat zij geen medewerking wil verlenen aan zijn wens. Voorts heeft zij verwoord te willen worden opgenomen in een pleeggezin.

5.

Op grond van het bovenstaande is in voldoende mate aannemelijk dat ten aanzien van de minderjarige een gezagsvacuüm is ontstaan, waarin voorzien dient te worden. Vanwege de perceptie van de vader van zijn dochter is hij kennelijk niet bij machte om feitelijk voor haar te zorgen en haar op te voeden zonder daarbij haar (zedelijke en/of geestelijke) belangen en/of haar gezondheid in gevaar te brengen. Daarmee verkeert de vader naar het oordeel van de kantonrechter in de onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over genoemde minderjarige adequaat uit te oefenen.

6.

Daarmee is op de voet van het bepaalde in lid 2 van art. 1:253r BW het gezag geschorst. Op die grond zal de kantonrechter krachtens art. 1:253r, eerste lid sub a, juncto art. 1:253q BW in de tijdelijke voogdij voorzien, nu dit in het belang van de minderjarige is te achten.

7.

De minderjarige heeft meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen die voorgestelde maatregel.

8.

Anders dan door mw. [B] is bepleit, is er onvoldoende grond om haar te belasten met de voorgestelde maatregel. Niet alleen pleit daartegen dat zij in die wens niet wordt ondersteund door de Raad voor de Kinderbescherming doch ook het gegeven dat de minderjarige (verder) terecht zou komen in de kennelijk bestaande slechte verstandhouding tussen haar en de vader, hetgeen niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

9.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kantonrechter:

- verstaat dat het ouderlijk gezag van de vader is geschorst zolang de omstandigheid, waardoor hij het ouderlijk gezag over [minderjarige] niet kan uitoefenen, zich voordoet; de vader kan de kantonrechter bij het vervallen van die grond verzoeken om wederom met het gezag te worden belast;

- benoemt voor de periode dat het ouderlijk gezag zal zijn geschorst, tot tijdelijk voogd: de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming te Amersfoort.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 20 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden (civiele griffie: postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden).