Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ4573

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
284874 CV 05-3581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, vennootschapsrecht. Onderzoeksplicht contracterende derde naar bevoegdheid bestuurder. Toepassing van art. 2:256 BW en HR in NJ 2006,570.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 240
Burgerlijk Wetboek Boek 2 256
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 53 met annotatie van J.W. de Groot
JRV 2007, 206
JRV 2007, 207
JIN 2007/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 284874 CV EXPL 05-3581

Datum : 8 augustus 2006

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap [EISENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen [eisende partij],

gemachtigde A.M.C. van den Bos, gerechtsdeurwaarder te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

verder ook te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. P.A.M. Manning, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Bij incidenteel vonnis van 1 november 2005 is het [gedaagde partij] toegestaan de besloten vennootschap [X] Beheer, Management en Sales B.V. te [vestigingsplaats] in vrijwaring te doen dagvaarden. In die vrijwaringzaak zal eveneens heden vonnis worden gewezen.

Het geschil

[eisende partij] vordert van [gedaagde partij] betaling van € 5.000,00 met rente en kosten.

[gedaagde partij] bestrijdt deze vordering en heeft tot nietontvankelijkverklaring van [eisende partij], althans tot afwijzing van haar vordering geconcludeerd, kosten rechtens.

De beoordeling

1.

[eisende partij] heeft haar eigen naam in de dagvaarding onjuist vermeld. Nadat [gedaagde partij] daarop had gewezen heeft zij haar correcte naam opgegeven.

Nu het [gedaagde partij] blijkens het procesverloop duidelijk is geweest wie haar in rechte had betrokken en zij door de onjuiste naamsvermelding niet in haar verdediging is geschaad, zal de aanvankelijk onjuiste naamsvermelding zonder gevolgen blijven. De procedure wordt geacht door besloten vennootschap [eisende partij] B.V. aanhangig te zijn gemaakt. In dit tussenvonnis is die (correcte) naam vermeld. Het primaire verweer van [gedaagde partij] faalt derhalve.

2.

Tussen partijen staat het volgende vast.

Tot 10 december 2004 waren de aandeelhoudsters van [gedaagde partij] de besloten vennootschappen [A]. Beheer B.V. (verder: [A]) en [X] Beheer, Management en Sales B.V. (verder: [X] Beheer), beiden voor 50%. De aandelen in [A] waren destijds volledig eigendom van [Y] en de aandelen in [X] Beheer behoorden diens broer, [Z], toe.

Het bestuur van [gedaagde partij] werd gevormd door [Y], [Z], die de echtgenote van [Y] is, en [X] Beheer. Beide eerstgenoemde personen waren uitsluitend gezamenlijk bevoegd; [X] Beheer was alleen/zelfstandig bevoegd.

Artikel 17 van de statuten van [gedaagde partij] bepaalt onder meer dat in geval van een tegenstrijdig belang tussen haar en haar bestuurder, zij niettemin door die bestuurder wordt vertegenwoordigd.

Artikel 25 van deze statuten bepaalt onder meer dat de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder: AVA), behoudens uitzonderingen, bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden genomen en dat bij staking van de stemmen het voorstel is verworpen.

Door [Z] --namens [gedaagde partij]-- is de brief van [eisende partij] van 2 november 2004 ‘Voor akkoord’ ondertekend. Die akkoordverklaring had blijkens die brief betrekking op de door [gedaagde partij] aan [eisende partij] verstrekte opdracht ‘om een poging tot bemiddeling te ondernemen met als doel een voor partijen aanvaardbare waarde van de over te dragen aandelen door [X] Beheer B.V. aan [A]. Beheer B.V.’

Op 24 november 2004 is tussen de beide aandeelhoudsters van [gedaagde partij] een overeenkomst tot stand gekomen waarbij [X] Beheer haar aandelen in [gedaagde partij] heeft verkocht aan [A]..

Artikel 5 van de koopakte bepaalt het volgende: ‘De kosten van deze overeenkomst en de notariële overdracht van de aandelen zullen komen voor rekening van [gedaagde partij] B.V.’.

[eisende partij] heeft bij factuur van 31 december 2004 aan [gedaagde partij] --door haar op 26 januari 2005 ontvangen-- een bedrag van € 5.126,52 ter zake van verrichte werkzaamheden in de periode 15 september 2004 - 31 december 2004 in rekening gebracht. Van die werkzaamheden hebben 43 uren betrekking op ‘Adviezen inzake waardering en verkoop aandelen’. In totaal € 3.870,00 exclusief 19% BTW. Dit bedrag vormt de inzet van de onderhavige procedure. Het restant van de factuur is door [gedaagde partij] betaald.

[A] en haar aandeelhouder [Y] werden in verband met de aandelentransactie bijgestaan door de heer [B] en mr. Manning.

[B] is door [A] betaald.

2.

[eisende partij] legt aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag dat zij eind oktober 2004 door [Y], mededirecteur en indirect aandeelhouder van [gedaagde partij], in haar hoedanigheid van accountant van [gedaagde partij] is verzocht tussen hem en zijn broer te bemiddelen omdat de onderhandelingen gericht op overname van de aandelen in [gedaagde partij] volledig waren vastgelopen. [eisende partij] heeft dit verzoek ingewilligd en aan [Y] de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde brief toegezonden, welke brief hij namens [gedaagde partij] voor akkoord heeft ondertekend.

Bedoelde bemiddelingswerkzaamheden zijn feitelijk uitgevoerd door de heer drs. [C]

3.

[gedaagde partij] stelt zich, kort gezegd, op het (subsidiaire) standpunt dat [X] Beheer vanwege de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang tussen haar (als aandeelhoudster) en [gedaagde partij], op grond van artikel 2:256 BW de AVA van [gedaagde partij] in de gelegenheid had moeten stellen een bijzonder vertegenwoordiger aan te wijzen en dat [X] Beheer die verplichting niet is nagekomen. Het tegenstrijdig belang bestaat hierin dat [X] Beheer ten onrechte kosten, verband houdend met het conflict tussen de beide aandeelhoudsters (en beide broers), welke kosten voortvloeien uit de behartiging van de belangen van [X] Beheer door [eisende partij], ten laste van [gedaagde partij] heeft gebracht.

[gedaagde partij] heeft de rechtshandeling van [X] Beheer, zoals die blijkt uit de voor akkoord ondertekende brief van 2 november 2004, vernietigd.

[eisende partij], die uitsluitend [X] Beheer en [Y] bijstond, wist althans behoorde te weten dat [X] Beheer in het onderhavige geval geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekwam, zodat [eisende partij] tegen de onbevoegdheid van [X] Beheer niet wordt beschermd.

[eisende partij] heeft ook niets voor [gedaagde partij] gedaan.

[A] noch [Z] heeft een opdracht aan [eisende partij] verstrekt.

Het aantal gefactureerde uren (43) noemt [gedaagde partij] --overigens terzijde-- ‘krankzinnig hoog’.

Buitengerechtelijke incassokosten zijn niet gemaakt.

4.

De kantonrechter zal (alsnog) een comparitie van partijen gelasten ten einde inlichtingen te verkrijgen en een schikking te beproeven.

Tijdens die comparitie zullen in elk geval de volgende punten, in willekeurige volgorde opge-somd, aan de orde worden gesteld.

a.

De gang van zaken voorafgaand aan de totstandkoming van de opdracht aan [eisende partij] en de eventuele rol van [Z] daarbij, zulks in het licht van de brief van [eisende partij] van 2 november 2004 (productie 1 dagvaarding) en de stelling van [eisende partij] en van [X] Beheer dat het juist [Z] was die als eerste [eisende partij] heeft verzocht om te bemiddelen.

b.

De aard en de inhoud van de door [eisende partij] ingaande november 2004 verrichte werkzaamheden nu zij stelt die in het belang van beide aandeelhoudsters/broers te hebben verricht.

c.

De stelling van [gedaagde partij] dat sprake was van een tegenstrijdig belang tussen haar en [X] Beheer, zulks in het licht van de stelling van [eisende partij] dat (ook) [gedaagde partij] erbij gebaat was dat het conflict tussen haar aandeelhoudsters snel zou worden opgelost in verband met de eis van een belangrijke leverancier van [gedaagde partij] dat het conflict tussen beide broers spoedig (vóór de Medicabeurs) beëindigd diende te worden, en artikel 5 van de koopakte dat bepaalt dat de kosten van de overeenkomst en van de notariële overdracht van de aandelen voor rekening van [gedaagde partij] (en dus niet van --één van-- beide aandeelhoudsters) komen, welk artikel [gedaagde partij] onaangetast heeft gelaten.

d.

De betekenis van de artikelen 17 en 25 van de statuten, zulks in verband met de stelling van [gedaagde partij] dat haar AVA --feitelijk alleen [A]-- in verband met het gestelde tegenstrijdig be-lang door [X] Beheer geïnformeerd had behoren te worden en de stemverhouding (50/50) binnen de AVA. Met andere woorden: wat zou de vermoedelijke uitkomst van de AVA zijn geweest indien de AVA bijeen was geroepen zoals [gedaagde partij] heeft betoogd? En wat zou zijn geschied indien de stemmen hadden gestaakt? Is artikel 17 dan van toepassing?

e.

De betekenis van artikel 5 van de koopakte (‘de kosten van deze overeenkomst’), zulks in het licht van de stelling van [gedaagde partij] dat hieronder uitsluitend de kosten van het opstellen van de koopakte zijn begrepen.

5.

De kantonrechter acht het wenselijk dat de comparitie in elk geval door de heer [S] en de heer [Z] wordt bijgewoond.

Iedere verder beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

- gelast een comparitie van partijen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

- verwijst de zaak in verband met de dagbepaling naar de rolzitting van dinsdag 22 augustus 2006 te 09.30 uur. Uiterlijk op deze zitting kunnen partijen hun verhinderdata voor de periode september tot en met november 2006 schriftelijk aan de griffier opgeven, waarna datum, tijdstip en plaats van de comparitie zal worden bepaald;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 augustus 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

==========================================================

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 284874 CV EXPL 05-3581

Datum : 12 december 2006

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap [EISENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen [eisende partij],

gemachtigde A.M.C. van den Bos, gerechtsdeurwaarder te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

verder ook te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. P.A.M. Manning, advocaat te Zwolle.

Het verdere verloop van de procedure

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 8 augustus 2006 heeft op 20 september 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die comparitie bevindt zich bij de stukken. Partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt commentaar op de inhoud van het proces-verbaal te leveren. [eisende partij] bij brief van 3 oktober 2006, [gedaagde partij] bij brief van 2 oktober 2006.

In de vrijwaringszaak tussen [gedaagde partij] als eiseres en [X] Beheer Management en Sales B.V. als gedaagde is heden ook een eindvonnis gewezen.

De verdere beoordeling

1.

De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het tussenvonnis van 8 augustus 2006, met name de daarin vermelde vaststaande feiten (rechtsoverweging 2).

2.

Vaststaat dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] de in de brief van 2 november 2004 verwoorde opdracht heeft verstrekt en dat [eisende partij] die opdracht heeft aanvaard. De vennootschap [X] Beheer, Management en Sales B.V. (hierna: [X] Beheer), vertegenwoordigd door de heer [Y] die deze brief heeft ondertekend, was bevoegd [gedaagde partij] te vertegenwoordigen. Aldus is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen. Dit betekent dat [gedaagde partij] in beginsel het door [eisende partij] in deze procedure gevorderde bedrag moet voldoen.

3.

[gedaagde partij] acht zich echter van deze verplichting ontslagen omdat zij op grond van artikel 2:256 BW de vernietiging van de overeenkomst heeft ingeroepen.

Wil dit verweer slagen dan dient in elk geval aan de volgende, in de jurisprudentie nader uitge-werkte voorwaarden te zijn voldaan:

a. de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang tussen [X] Beheer en [gedaagde partij] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst;

b. de bekendheid van [eisende partij] met dat tegenstrijdig belang.

De kantonrechter zal hierna beide voorwaarden bespreken.

4.

Een tegenstrijdig belang kan aanwezig zijn indien [X] Beheer in haar hoedanigheid van be-stuurder van [gedaagde partij] handelt met een derde, in dit geval [eisende partij], en [X] Beheer daarbij een persoonlijk of kwalitatief belang heeft.

Waar het bij de regeling van het tegenstrijdig belang van artikel 2:256 BW om gaat is dat het risico wordt vermeden dat [X] Beheer in bedoelde hoedanigheid haar persoonlijk of kwalitatief belang laat prevaleren boven het belang van [gedaagde partij] dat zij heeft te dienen.

5.

Voldoende aannemelijk is geworden dat het ook in het belang van [gedaagde partij] was dat de kennelijk hoop opgelopen ruzie tussen de beide aandeelhouders (lees: de beide broers [Z] en [Y]) en hun onenigheid over de waarde van de door [A]. Beheer B.V. (verder: [A]) van [X] Beheer over te nemen aandelen in [gedaagde partij], zou eindigen. Dit berust enerzijds op het algemene ervaringsfeit dat een conflict binnen een betrekkelijk kleine vennootschap als de onderhavige, zeker als dat conflict hoog oploopt, een goede gang van zaken belemmert en anderzijds op het vaststaande feit dat een belangrijke leverancier van [gedaagde partij] had geëist dat het conflict tussen de beide aandeelhouders snel zou worden opgelost. Aldus beschouwd is van een tegenstrijdig belang geen sprake.

6.

Daarmee is op dit punt echter niet het laatste woord gezegd.

Blijkens de feitelijke gang van zaken moet de tussen partijen op 2 november 2004 tot stand gekomen overeenkomst zo worden begrepen en uitgelegd, dat de kosten voortvloeiend uit de aan [eisende partij] verstrekte opdracht uitsluitend voor rekening van [gedaagde partij] komen. [eisende partij] heeft immers de factuur voor haar werkzaamheden (uitsluitend) aan [gedaagde partij] doen toekomen en eist van haar betaling. Gesteld noch gebleken is dat partijen op dit punt een andere afspraak hebben beoogd.

Ten aanzien van de tegenprestatie voor de door [eisende partij] aan [gedaagde partij] te verlenen diensten bestond wel een tegenstrijdig belang. Immers, veronderstellenderwijze aangenomen dat [eisende partij] gelijk heeft en dat zij haar werkzaamheden ten behoeve van beide aandeelhouders diende te verrichten en ook heeft verricht --hetgeen [gedaagde partij] trouwens betwist-- dan valt niet goed in te zien waarom uitsluitend [gedaagde partij] de daaraan verbonden kosten zou moeten dragen. Het ligt eerder voor de hand dat die kosten alleen door de beide aandeelhouders worden gedragen. Het betrof immers ‘hun’ ruzie.

Bij het verstrekken van de opdracht aan [eisende partij] heeft [X] Beheer als bestuurder van [gedaagde partij] de te maken kosten geheel op [gedaagde partij] afgewenteld hoewel die opdracht niet uitsluitend in het belang van [gedaagde partij] was. Daarmee heeft [X] Beheer haar eigen belang gediend --haar werden immers die kosten bespaard-- en niet het belang van [gedaagde partij], hoewel dat laatste haar plicht was.

7.

Aan deze gevolgtrekking staat niet in de weg dat de kosten indirect wel ten laste van [X] Be-heer komen doordat het resultaat van de vennootschap, waarin [X] Beheer evenals [A] een 50% deelneming had, met het bedrag van de kosten zou dalen.

Behalve dat ook de verhaalspositie van de crediteuren van [gedaagde partij] in geding is, blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat die kosten op 30 december 2004 zijn gefactureerd en toen was de aandelenoverdracht al een feit. [X] Beheer heeft dus ook niet indirect, langs de weg van het verminderde bedrijfsresultaat, in de kosten bijgedragen.

Naar mag worden aangenomen, gelet op het standpunt van [gedaagde partij], hangt de onderhavige procedure juist hiermee samen. In dit licht bezien is niet goed te begrijpen, zoals de kantonrechter ter gelegenheid van de comparitie van partijen ook al heeft opgemerkt, dat [X] Beheer (lees: de heer [Y]) niet bereid bleek (bijvoorbeeld) de helft van de kosten van [eisende partij] voor haar (zijn) rekening te nemen.

8.

Bij het vorenstaande wordt verder aangetekend dat het rechtens niet relevant is of de heer [Z] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst [eisende partij] heeft verzocht tussen de beide aandeelhouders te bemiddelen, zoals [eisende partij] heeft gesteld en [gedaagde partij] heeft bestreden. Gesteld noch gebleken is namelijk dat, veronderstellenderwijze aangenomen dat die stelling van [eisende partij] juist is, over het in dezen cruciale punt, te weten de aan die bemiddeling verbonden kos-ten, tussen [eisende partij] en [Z] afspraken zijn gemaakt en wel in die zin dat die kosten uitsluitend voor rekening van [gedaagde partij] zouden worden gebracht. De brief van 2 november 2004 rept in het geheel niet over de kosten.

Daar komt bij dat volgens de jurisprudentie (onder andere HR 9 juli 2004, NJ 2004-519) bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de algemene vergade-ring van aandeelhouders op de voet van artikel 2:256 BW is vereist. Het (mogelijk gedane) ver-zoek van [Z] aan [eisende partij] om tussen hem en zijn broer te bemiddelen kan niet als een zodanig besluit worden opgevat of daarvoor in de plaats treden.

9.

De conclusie is dan ook dat sprake is van een tegenstrijdig belang zodat [X] Beheer B.V., alvorens de overeenkomst te sluiten, op grond van artikel 2:256 BW de algemene vergadering van aandeelhouders had behoren te raadplegen.

Van deze dwingendrechtelijke verplichting kan niet worden afgeweken, zodat artikel 17 van de statuten (kort gezegd: bij een tegenstrijdig belang wordt de vennootschap op de gewone wijze vertegenwoordigd) [eisende partij] in dezen geen soelaas biedt.

10.

Op het punt van de bekendheid van [eisende partij] met de aanwezigheid van het tegenstrijdig belang overweegt de kantonrechter het volgende.

Uit onder meer HR 14 juli 2006, NJ 2006-570 volgt dat de vennootschap de uit artikel 2:256 BW voortvloeiende onbevoegdheid van de bestuurder aan een derde kan tegenwerpen, indien de tegenstrijdigheid tussen het belang van de vennootschap en van de bestuurder de derde ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling bekend was dan wel had behoren te zijn. Verder blijkt uit bedoeld arrest dat de derde, die ten tijde van de transactie aanleiding heeft te veronderstellen dat van een tegenstrijdig belang sprake is, een onderzoek moet verrichten naar de mogelijke onbevoegdheid van de bestuurder. Dat onderzoek zal in ieder geval erop gericht moeten zijn dat redelijke twijfel ten aanzien van het bestaan van een tegenstrijdig belang, alsmede ten aanzien van de vraag of de voor dat geval eventueel aangewezen voorzieningen zijn getroffen, wordt weggenomen, aldus de Hoge Raad.

11.

Met inachtneming van de in dit arrest geformuleerde regels oordeelt de kantonrechter als volgt.

Vaststaat dat [eisende partij] in november 2004 al langere tijd (in haar brief van 15 maart 2005 schreef [eisende partij] zelfs “altijd”) de accountant van [gedaagde partij] was. Uit de door [eisende partij] overgelegde stukken

--met name haar brieven van 2 november 2004, 9 februari en 15 maart 2005-- volgt dat [eisende partij] goed bekend was met de juridische verhoudingen binnen [gedaagde partij]. [gedaagde partij] heeft onweersproken gesteld dat [eisende partij] van de statutaire regels, ook op het punt van het tegenstrijdig belang (arti-kel 17), op de hoogte was. Van belang is verder dat van [eisende partij], zeker als registeraccountant, meer oplettendheid en bekendheid met de regels op dit punt mag worden verwacht dan van een gemiddelde derde die met [gedaagde partij], vertegenwoordigd door [X] Beheer, zaken wil doen. [eisende partij] was bekend met het hoog opgelopen conflict tussen de beide broers.

Op [eisende partij] rustte dus een verdergaande onderzoeksplicht. Daar komt bij dat de uitvoering van die plicht nauwelijks tijd en moeite had gekost nu uit de stellingen van partijen volgt dat tussen [eisende partij] enerzijds en [Z] en [X] anderzijds contacten bestonden. [eisende partij] had naar het oordeel van de kantonrechter bijvoorbeeld kunnen en behoren te onderzoeken of de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde partij] uitdrukkelijk ermee akkoord was dat de kosten van de aan haar te verstrekken opdracht uitsluitend ten laste van [gedaagde partij] zouden worden gebracht.

12.

De slotsom luidt dat aan beide hiervoor onder r.o. 3 genoemde vereisten is voldaan zodat Welmed zich jegens [eisende partij] met succes op het ontbreken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [X] Beheer heeft beroepen en dat [gedaagde partij] daarom niet aan de overeenkomst met [eisende partij] is gebonden.

De vordering van [eisende partij] moet dus worden afgewezen. Zij dient als overwegend verliezende partij in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten van het vrijwaringsincident komen ten laste van [gedaagde partij] nu zij dit incident, naar achteraf blijkt, nodeloos heeft geopend.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eisende partij] in de kosten van de hoofdzaak, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op € 700,00 voor salaris gemachtigde;

- veroordeelt [gedaagde partij] in kosten van het vrijwaringsincident, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 200,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 12 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.