Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ4420

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
607102 en 607149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting Lelystad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer te Lelystad

Parketnummers: 07/607102-06 en 07/607149-06

Uitspraak: 12 december 2006

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bos, advocaat te Urk.

De officier van justitie, mr. R. de Graaf, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten aanzien van parketnummer 07/607102-06 onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 meer subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde en het ten aanzien van parketnummer 07/607149-06 tenlastegelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- ten aanzien van parketnummer 07/607102-06: teruggave aan de rechthebbende te weten [benadeelde partij] van het als nummer 7 op de op pagina 4 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerp;

- ten aanzien van parketnummer 07/60102-06: teruggave aan verdachte van het als nummers 2, 3, 8, 9, 10, 24 en 25 op de op pagina 4 en 5 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerpen;

- ten aanzien van parketnummer 07/607149-06: teruggave aan verdachte van de kleding en het schoeisel voorkomende op pagina 5 van het proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 9 juni 2006.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlasteleggingen, die met betrekking tot parketnummer 07/607149-06 ter terechtzitting van 28 november 2006 overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader is aangepast).

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging met betrekking tot parketnummer 07/607102-06 een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank nummert de bij dagvaarding met parketnummer 07/607102-06 tenlastegelegde feiten als 1, 2, 3 en 4 en het bij dagvaarding met parketnummer 07/607149-06 tenlastegelegde feit als 5.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en subsidiair en 4 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 meer subsidiair, 4 subsidiair en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie tenlastelegging)

De bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde doet de rechtbank steunen op de volgende motivering.

Blijkens het proces verbaal van inbraak d.d. 6 april 2006 van de technische recherche van de politie Flevoland is bij de brandweer Lelystad op vrijdag 31 maart 2006 om 22.03 uur brand gemeld op het perceel van [benadeelde partij]. Omdat de brand bij aankomst van de brandweer al van een aanzienlijke omvang was, heeft de brandweer niet anders kunnen doen dan de brand gecontroleerd laten uitbranden. Als gevolg daarvan is het gehele gebouw totaal verwoest. Deze brand heeft de veiligheid van een zich in de directe nabijheid van het pand bevindende, en in zijn vrachtwagen slapende, Roemeense chauffeur in gevaar gebracht.

Vastgesteld is voorts dat de brand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is aangestoken en ontstaan midden achter hal 1, in de directe omgeving van de voormalige werkplek van de verdachte. Daarop wijzen onder meer de na de brand door de technische recherche gevonden sporen van braak in het magazijngedeelte. Tot 17 maart 2006 was verdachte bij [benadeelde partij]. als magazijnmedewerker in dienst. Met ingang van genoemde datum is hij op staande voet uit die functie ontslagen.

Dat verdachte degene is geweest die die brand heeft gesticht, doet de rechtbank onder meer steunen op de volgende door [naam], zoon van verdachte, afgelegde verklaringen, waar hij verklaart met zijn vader in de auto naar het bedrijf van [benadeelde partij]. te zijn gereden. [naam] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte uit de auto is gestapt, naar de achterzijde daarvan is gelopen en een voorwerp uit de kofferbak heeft genomen. Daarmee ziet [naam] verdachte in de richting van het bedrijf van [benadeelde partij]. gaan. Na ongeveer 10 minuten ziet [naam] verdachte met lege handen terugkeren uit de richting van de plaats waarvan later is vastgesteld dat daar de brand is begonnen. [naam] heeft verklaard dat hij op het moment dat verdachte de auto is ingestapt een benzinelucht heeft geroken, die hij voorafgaand aan het door verdachte uit de auto stappen niet heeft waargenomen. Enige tijd vóór 22.00 uur op die avond vertrekken verdachte en [naam] met die auto naar huis. Tijdens dat huiswaarts rijden verklaart [naam] een brandlucht te hebben geroken.

Ter zitting is het verweer gevoerd, kort gezegd, dat hetgeen hiervoor is aangehaald niet als wettig en overtuigend bewijs kan dienen, dat het onder 5 tenlastegelegde slechts stoelt op suggestie en dat er voor dat feit ook overigens geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. De rechtbank verwerpt dat verweer en het daaraan verbonden pleidooi voor vrijspraak. De rechtbank acht de hiervoor genoemde verklaringen van [naam] geloofwaardig. Zo heeft hij op 10 april 2006 bij de rechter-commissaris, belast met strafzaken te Lelystad verklaard dat hij zijn verklaring over hetgeen hij bij de politie over zijn vader heeft verklaard wel zou willen intrekken omdat het zijn vader is, maar dat hij dat niet doet omdat het wel de waarheid is. Verklaringen van anderen hierover doen die geloofwaardigheid versterken. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring d.d. 23 mei 2006 van de moeder van [naam]. Zij verklaart daarbij dat [naam] de morgen ná de brand behoorlijk van slag was en haar heeft verteld over de aanwezigheid van hem en zijn vader die vorige avond bij het bedrijf van [benadeelde partij]. en over hetgeen hij zijn vader heeft zien doen. De verklaring van de vriendin van de moeder van [naam], die daar op dat moment logeerde, dat [naam] die morgen anders was dan anders, bevestigt die verklaring van [naam]'s moeder. Niet zonder betekenis is ook de verklaring d.d. 18 mei 2006 van [naam], vriend van [naam], dat [naam] altijd eerlijk tegen hem is en hem heeft verteld dat er een verband is tussen zijn vader en de brand bij [benadeelde partij].

Tenslotte heeft de rechtbank gelet op het zogenoemde cellengesprek tussen verdachte en [naam], zoals dat door verbalisant J. Otter op 10 april 2006 schriftelijk is vastgelegd. Samengevat komt dat erop neer dat verdachte er bij [naam] op aandringt zijn verklaring over hun aanwezigheid op die bewuste avond bij het bedrijf van [benadeelde partij]. in te trekken. [naam] weigert die intrekking, ervan overtuigd er wel te zijn geweest. Aan de omstandigheid dat [naam] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij en verdachte niet op 31 maart 2006 even voor 22.00 uur bij het bedrijf van [benadeelde partij]. zijn geweest, gaat de rechtbank voorbij. Immers, daarbij gaat het om een enkele ontkenning in aanwezigheid van verdachte, terwijl [naam] toen ook meermalen te kennen heeft gegeven niet te willen verklaren. Mede op basis van deze waarnemingen is de rechtbank van oordeel dat die ontkenning een gevolg is van een loyaliteitsconflict met zijn vader en slechts daardoor is ingegeven.

De rechtbank heeft bij dit alles in aanmerking genomen dat verdachte een motief had voor de brandstichting. Kort tevoren is verdachte immers door de directie van [benadeelde partij]. op staande voet ontslagen.

Het vorenoverwogene bij elkaar genomen, maakt dat de rechtbank het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

Van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 meer subsidiair, 4 subsidiair en 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank merkt tot slot op dat het Openbaar Ministerie bij brief d.d. 30 november 2006 de rechtbank in overweging heeft gegeven het onderzoek ter terechtzitting te heropenen onder verwijzing naar een tweetal processen-verbaal betreffende verhoren van [naam] in het kader van de met deze zaak nauw verband houdende meineedprocedure, afgenomen ná het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank acht dit een ongelukkige gang van zaken. Immers, het onderzoek ter terechtzitting was inmiddels op grond van het bepaalde in artikel 345, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering gesloten verklaard terwijl de wet slechts voorziet in een ambtshalve door de rechtbank te besluiten hervatting van een reeds gesloten onderzoek onder de omstandigheid als bedoeld in artikel 346, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering op basis van het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank stelt vast en wijst daarop met klem, dat voornoemde brief van het Openbaar Ministerie met bijlagen is ingekomen nadat de beraadslaging over de strafzaak inmiddels had plaatsgevonden. De rechtbank heeft na afronding van de beraadslaging slechts kennisgenomen (en ook moeten nemen) van het begeleidend schrijven doch niet van de daarbij gevoegde processen-verbaal van verhoor. De rechtbank benadrukt daarmee dat die processen-verbaal geen onderdeel zijn gaan uitmaken van het dossier en bijgevolg evenmin zijn betrokken bij de beoordeling van deze strafzaak. Om die reden heeft de rechtbank bedoelde processen-verbaal bij brief d.d. 7 december 2006, met een kopie daarvan aan de raadsman van verdachte, aan het Openbaar Ministerie geretourneerd.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 meer subsidiair, telkens:

opzetheling,

strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 4 subsidiair:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft,

strafbaar gesteld bij artikel 322, juncto artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 5:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letstel voor een ander te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten [belanghebbende] te Lelystad van het als nummer 7 op pagina 4 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerp, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de als nummers 2, 3, 8, 9, 10, 24 en 25 op pagina 4 en 5 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de kleding en het schoeisel voorkomend op pagina 5 van het proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 9 juni 2006, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 14 november 2006 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en subsidiair en 4 primair tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 meer subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 meer subsidiair, 4 subsidiair en 5 meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 1 jaar, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank gelast de teruggave aan [belanghebbende] te Lelystad van het als nummer 7 op pagina 4 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerp.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de als nummers 2, 3, 8, 9, 10, 24 en 25 op pagina 4 en 5 van het Relaas proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 30 juni 2006 voorkomende in beslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de kleding en het schoeisel voorkomend op pagina 5 van het proces-verbaal van politie Flevoland d.d. 9 juni 2006.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G.J.J.M. Essink en P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2006.