Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ4145

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
AWBm06/1101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door sociaal rechercheur gedaan onderzoek ten onrechte niet vastgelegd in proces-verbaal en toegevoegd aan procesdossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/1101

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A te B, eiser,

gemachtigde: mr. A.H.H. Nauta, advocaat te Lelystad,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 30 maart 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 augustus 2005, verzonden op 23 augustus 2005, heeft verweerder besloten mede van eiser € 65.199,31 terug te vorderen, zijnde de bijstand die over de periode van 11 juni 2000 tot en met 31 mei 2005 ten onrechte is verleend aan mevrouw . (...) (verder te noemen ....), omdat ..... in deze periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiser, zonder dat daarvan opgave is gedaan aan verweerder.

Tegen dit besluit is op 29 september 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 9 mei 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 12 juni 2006 zijn de beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 7 juli 2006 een verweerschrift ingezonden.

De rechtbank heeft op 12 oktober 2006 uitspraak gedaan in de zaak van (....), waarbij haar beroep gegrond is verklaard. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, ook in de zaak van eiser. In het gewijzigd besluit op bezwaar heeft verweerder besloten mede van eiser € 6.654,69 terug te vorderen, zijnde de bijstand die over de periode van 1 november 2004 tot 1 juni 2005 ten onrechte is verleend aan (...), omdat (...) in deze periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiser, zonder dat daarvan opgave is gedaan aan verweerder.

Het beroep in de zaak van eiser is op 20 november 2006 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A. Blom-Kroese.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft besloten de aan (...) verleende bijstand over de periode 1 november 2004 tot 1 juni 2005 voor een bedrag van € 6.654,69 mede van eiser terug te vorderen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en heeft vanaf 1991 een eigen autohandel. Hij heeft een relatie met (...), die van 1 juli 1991 tot en met 31 mei 2005 een bijstandsuitkering heeft ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren, te weten op 24 april 1996 en op 11 juni 2000. Het oudste kind is formeel erkend door eiser. Eiser betwist niet dat hij ook van het tweede kind de vader is.

Naar aanleiding van een tip van 10 januari 2003 is op 20 mei 2003 een huisbezoek afgelegd aan de (...) te Zwolle, het adres van (...). Dit huisbezoek is voor verweerder aanleiding geweest een nader onderzoek door de sociale recherche te laten verrichten. De sociale recherche heeft op 15 augustus 2005 rapport uitgebracht.

Eiser ontkent dat hij een gezamenlijke huishouding voert dan wel heeft gevoerd met (...). Hij voert vanaf 1994 zijn eigen huishouding aan de (...) te Lelystad, alwaar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft. Eiser heeft door de jaren heen (slechts) zorgtaken op zich genomen ten aanzien van de kinderen die uit de relatie met (...) zijn geboren. Eiser betaalt voor zijn huishouding zijn eigen lasten. Eiser heeft in bezwaar verklaringen overgelegd van buren dat hij woonde aan de (...) in Lelystad, een uitdraai van de sportschool in Lelystad met data waarop hij daar heeft gesport en een uitdraai uit de gemeentelijke basisadministratie over de woonplaats van een dochter van eiser uit een eerder huwelijk. In beroep heeft eiser een drietal uitgebreidere verklaringen van buurtgenoten overgelegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt – na het gewijzigde besluit op bezwaar van 13 november 2006 – dat eiser wel degelijk een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met (...).

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd betwist en met een aantal bewijsmiddelen onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat in het rapport van de sociale recherche d.d. 15 augustus 2005 concrete aanwijzingen zijn vermeld die erop duiden dat eiser in de betrokken periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met (...).

Echter ter zitting heeft mevrouw Blom namens verweerder onder meer verklaard dat verweerder naar aanleiding van de door eiser ingebrachte getuigenverklaringen in bezwaar de sociale recherche nader onderzoek heeft laten verrichten in Lelystad. De sociaal rechercheur zou volgens mevrouw Blom met meerdere buurtgenoten van eiser hebben gesproken. Volgens de sociaal rechercheur waren de verklaringen van de buurgenoten – aldus mevrouw Blom – dermate innerlijk tegenstrijdig, dat hij hiervan geen proces-verbaal heeft opgemaakt. Verweerder heeft deze keuze van de sociaal rechercheur geaccepteerd. Over deze keuze is de bezwaarschriftencommissie niet geïnformeerd, zodat deze commissie dit niet heeft kunnen meenemen in haar besluitvorming.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelswijze van de sociaal rechercheur, daarin gesteund door verweerder, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Door de keus die de sociaal rechercheur heeft gemaakt, is het voor de rechtbank onmogelijk te controleren wat de buurtgenoten van eiser tegen de sociaal rechercheur hebben verklaard in het voordeel dan wel in het nadeel van eiser. Ook eiser kan hierop niet reageren door tegenbewijs te leveren dan wel zich op de verklaringen in zijn voordeel te beroepen.

Gelet op het voorgaande had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om het door de sociaal rechercheur gedane onderzoek in Lelystad te laten vastleggen in een proces-verbaal en toe te voegen aan het dossier van eiser.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat het moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser te nemen die wel zorgvuldig is voorbereid.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige beroepszaak worden bepaald op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,-- x wegingsfactor 1). Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 38,-- wordt vergoed.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--, te betalen door de gemeente Zwolle aan eiser;

- gelast dat de gemeente Zwolle aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van mr. D. Hardonk-Prins als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op