Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ3068

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
27-11-2006
Zaaknummer
304995 CV 06-551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht, concurrentiebeding. Geen Haviltex als hulpmiddel voor ambtshalve aanvulling van onvolledige teksten ten nadele van werknemer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/12 met annotatie van mr. E. Knipschild
JAR 2007, 12

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 304995 CV EXPL 06-551

datum : 17 oktober 2006

Vonnis in de zaak van:

[WERKGEEFSTER],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij, hierna werkgeefster genoemd,

gemachtigde mr. S. van der Vegt, advocaat te Zutphen,

rolgemachtigde Hanze Gerechtsdeurwaarders te Zwolle,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna werknemer genoemd,

gemachtigde mr. E.P. Cornel, advocaat te Enschede.

Het procedureverloop

Ingevolge het tussenvonnis van 14 maart 2006 heeft op 19 april 2006 een comparitie na antwoord plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:

- de conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering eis van werkgeefster

- de conclusie van dupliek van werknemer.

Het geschil

Werkgeefster vordert, na vermeerdering van eis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te beslissen primair dat werknemer wordt veroordeeld tot betaling van € 286.000,- (waarvan € 236.000,- boete wegens overtreding van het concurrentiebeding tussen 1 maart 2005 en 2 maart 2006 en € 50.000,- in kort geding toegewezen en verbeurde dwangsommen), te vermeerderen met wettelijke rente; subsidiair vordert zij op diezelfde grond betaling van € 36.000,- met rente. Daarnaast maakt werkgeefster aanspraak op € 2360,- buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van werknemer in de kosten van deze procedure. Meer subsidiair wordt gevorderd zodanige beslissing als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

Werknemer concludeert tot afwijzing, subsidiair vernietiging van de boetebedingen en meer subsidiair matiging van de boetes met veroordeling van werkgeefster in de proceskosten, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

1.1 Werknemer is op 1 december 1999 als trainee in dienst getreden bij werkgeefster voor de duur van een jaar. Werkgeefster drijft een onderneming op het gebied van automatisering. Zij levert en installeert hardware en legt netwerken aan. In de op 11 januari 2000 ondertekende en door werkgeefster opgestelde arbeidsovereenkomst staat dat een maand voor het aflopen van de overeenkomst een eventueel vast dienstverband zal worden aangeboden, afhankelijk van het functioneren van werknemer.

1.2 Ook is, onder de kop ‘concurrentiebeding na dienstverband’, de volgende bepaling opgenomen:

“Werknemer bindt zich gedurende een periode van een jaar na het einde van het dienstverband –ongeacht de wijze waarop deze is beëindigd- in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn bij ondernemingen van cliënten of relaties van werkgever. Deze verplichting geldt uitsluitend voor Nederland.

Indien werknemer in strijd met bovenstaande verplichting handelt, zal aan werkgever zonder dat ingebrekestelling vereist is, voor iedere overtreding een boetesom verbeuren van f. 5.000,00 alsmede een boete gelijk aan f. 1.000,00 voor elke dag dat de overtreding na mededeling van ontdekking van werkgever voortduurt.”

1.3 Na 1 december 2000 is werknemer in dienst gebleven, in de functie van technisch medewerker, zonder dat een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt.

1.4 In de loop van 2003 heeft werkgeefster een als productie 2 bij akte na dagvaarding overgelegde arbeidsovereenkomst aan werknemer ter tekening voorgelegd, waarin als functie technicus staat vermeld en waarin het onder 1.2 vermelde beding woordelijk is herhaald, met dien verstande dat de guldentekens in eurotekens zijn gewijzigd. Werknemer heeft ook deze overeenkomst ondertekend onder de datum 1 december 1999.

1.5 Eind januari 2005 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 28 februari 2005. Per 1 maart 2005 is hij in dienst getreden van [X], een onderneming die zich met name bezighoudt met ontwikkeling van software maar ook hardware verkoopt.

1.6 Werkgeefster heeft werknemer en [X] in kort geding gedagvaard en onder meer gevorderd dat het werknemer wordt verboden te handelen in strijd met het concurrentiebeding. Bij vonnis van 12 september 2005 is het werknemer verboden werkzaamheden te verrichten en/of informatie te verschaffen op het gebied van automatisering voor zover dit in strijd is met het concurrentiebeding, op straffe van een dwangsom. In de overwegingen staat de kanttekening dat de voorzieningenrechter niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat [X] een relatie in de zin van het beding is, maar wel dat werknemer ten behoeve van [X] werkzaamheden verricht of heeft verricht voor (gewezen) cliënten van werkgeefster.

2.

Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat werknemer het concurrentiebeding reeds overtreedt door bij [X] in dienst te treden, omdat dit bedrijf gelet op de samenwerking in het verleden een relatie/klant van werkgeefster is. In dienst van dit bedrijf bedient werknemer bovendien (voormalige) klanten van werkgeefster.

Werkgeefster voert aan dat het beding weliswaar een kennelijke verschrijving bevat, maar de bedoeling is duidelijk: werknemer moet zich gedurende een jaar na beëindiging van het dienstverband onthouden van werkzaam zijn of betrokken zijn bij ondernemingen van cliënten of relaties van werkgeefster. De uitleg die werknemer geeft duidt op een onaannemelijk rechtsgevolg. Voorts acht werkgeefster het ongeloofwaardig dat werknemer zich eerst vijf maanden op het standpunt stelt dat het beding onduidelijk is en daarna pas zegt te hebben gedwaald bij het tekenen van de tweede overeenkomst. Werkgeefster betwist dat van dwaling sprake was.

Werknemer heeft voldaan aan een onderdeel uit de uitspraak van de voorzieningenrechter door de namen door te geven van cliënten van werkgeefster die door werknemer in dienst van [X] zijn bezocht.

Met betrekking tot haar primaire vordering voert werkgeefster aan dat werknemer zelf erkent dat hij vanaf 1 maart 2005 continu bij cliënt [Y] heeft gewerkt. Daarom is hij over alle werkdagen gedurende een kalenderjaar boete verschuldigd, ofwel € 236.000,-. Voorts is hij gelet op die erkenning het maximum aan door de kort gedingrechter opgelegde dwangsommen verschuldigd van € 50.000,-.

Subsidiair heeft werknemer vanuit zijn dienstverband met [X] in ieder geval zeven keer het concurrentiebeding overtreden en heeft hij tenminste éénmaal € 1000,- aan dwangsommen verbeurd, waardoor hij € 36.000,- verschuldigd is.

3.

Werknemer stelt zich primair op het standpunt dat hij per 1 maart 2005 niet gebonden was aan een concurrentiebeding, subsidiair dat het concurrentiebeding en het boetebeding moeten worden vernietigd wegens dwaling of misbruik van omstandigheden, en meer subsidiair beroept hij zich op matiging van de boetes.

4.

De kantonrechter begint met de juridische kern van de zaak: is het, los van de vraag of er iets aan te merken is op de wijze van totstandkoming van het beding, werknemer verboden om na afloop van zijn dienstverband bij werkgeefster bepaalde werkzaamheden te verrichten?

Die vraag moet beantwoord worden door de tekst van het concurrentiebeding, een beding dat zo’n inbreuk maakt op de vrijheid van een werknemer om na een eerder dienstverband werkzaam te zijn op de wijze die hem goeddunkt, dat het beding alleen schriftelijk en persoonlijk met de werknemer kan worden aangegaan. In de, ter bescherming van de werknemer in de wet opgenomen, eis van schriftelijkheid ligt naar het oordeel van de kantonrechter ook besloten dat de inhoud van de tekst bepalend is voor de reikwijdte van het beding: voor ambtshalve aanvulling van onvolledige teksten ten nadele van de werknemer behoort geen plaats te zijn.

Dat is een andere vraag dan de vraag naar uitleg van wèl gebruikte termen.

In het onderhavige geval is een cruciaal woord, namelijk “niet”, weggelaten in de eerste zin van het onder overweging 1.2 geciteerde beding, en wel in beide door werknemer ondertekende arbeidscontracten. Het gevolg daarvan, te weten dat werknemer niet gehinderd wordt door een contractueel verbod, dient geheel voor rekening van werkgeefster te blijven, die de tekst ook heeft opgesteld.

5.

Werkgeefster merkt in haar repliek nog op het opmerkelijk te vinden dat de kantonrechter ter comparitie de tekst van het beding aan de orde heeft gesteld: werknemer zou dit verweer na het kort gedingvonnis hebben verlaten en in het oordeel in kort geding hebben berust.

De kantonrechter verwijst werkgeefster evenwel naar punt 12 van haar dagvaarding, waarin zij dit, haar bekende, verweer van werknemer heeft opgenomen. Werknemer heeft in zijn conclusie van antwoord noch ter comparitie laten weten dat hij dit verweer heeft laten varen.

Aan het enkele feit dat werknemer geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het kort gedingvonnis komt niet de betekenis toe dat het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geacht wordt werknemers standpunt te zijn. Evenmin is de kantonrechter als bodemrechter gebonden aan hetgeen de voorzieningenrechter in kort geding beslist.

6.

Nu naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van overtreding van een concurrentiebeding, kan ook geen sprake zijn van verbeurte van daarop gestelde boetes. Met name ook kan werkgeefster in deze bodemprocedure geen aanspraak maken op dwangsommen die door de voorzieningenrechter zijn opgelegd op overtreding van een beding terwijl naar het oordeel van de bodemrechter geen sprake is van handelen in strijd met een contractueel verbod.

De primaire en subsidiaire vorderingen van werkgeefster worden daarom afgewezen.

7.

In deze procedure is overigens onbelicht gebleven welke know how of specifieke bedrijfskennis werkgeefster al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met een trainee zodanig moest beschermen, dat in redelijkheid een concurrentiebeding in de vorm van een relatiebeding nodig was ter bescherming van het bedrijfsdebiet van werkgeefster. En zou het (desnoods: tweede) beding al een geldig verbod zijn geweest, dan nog zou de kantonrechter het niet vanzelfsprekend hebben gevonden dat softwareklanten van [X], die –naar stelling van werknemer- op voorspraak van [X] hardware bij werkgeefster betrokken, tot de verboden klanten gerekend moeten worden na indiensttreding van werknemer bij [X]. In hoeverre dit een punt van betekenis zou zijn kan buiten beschouwing blijven, nu de vordering reeds wordt afgewezen omdat geen sprake is van overtreding van een contractueel verbod.

8.

De meer subsidiaire vordering van werkgeefster is, na afwijzing van de stelling dat sprake is van schending van een concurrentiebeding, zodanig onbepaald, dat deze eveneens afgewezen moet worden.

9.

Werkgeefster wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering van werkgeefster af;

- veroordeelt werkgeefster in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van werknemer begroot op:

? € 1200,00 voor salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.