Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ1837

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
287731 CV 05-10360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, arbeidsrecht. Kennelijk onredelijk ontslag wegens niet eerbiedigen van uitspraak Commissie van Beroep, art. 4.1.6 lid 5 WEB.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/275
JIN 2007/7
JAR 2006, 275

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

Zaaknr. : 287731 CV 05-10360

Datum : 25 oktober 2006

Vonnis in de zaak van:

[eisende partij],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. M.A. van Maren-Van Zadelhoff, verbonden aan de Onderwijsbond CNV

te Assen,

tegen

[gedaagde partij]

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. S.H. Boom,

rolgemachtigde J.G. Hanemaayer, gerechtsdeurwaarder te Lelystad.

De procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte van eiser

- de akte van gedaagde.

Het geschil

[eisende partij] vordert de verklaring voor recht dat het aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, de betaling van € 424.632,00 bruto schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 en de betaling van € 290,00 incassokosten en tot slot de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] bestrijdt deze vorderingen en heeft tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij] althans afwijzing van zijn vorderingen geconcludeerd met de veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

1. De vaststaande feiten

1.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

1.2

[eisende partij], geboren [datum], is op [datum] in loondienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) [gedaagde partij]. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 4.839,00 bruto per maand exclusief het vakantiegeld en een 13e maand. [eisende partij] vervulde de functie van vestigingsdirecteur.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie (hierna: de CAO BVE) van toepassing.

1.3

[gedaagde partij] heeft om financiële redenen tot een reorganisatie besloten. Bij brief van 7 juli 2003 is [eisende partij] geïnformeerd dat zijn functie in verband met die reorganisatie zou vervallen. In september 2003 is een reorganisatieplan opgesteld en op 31 oktober 2003 is met de vakbonden een sociaal plan overeengekomen.

1.4

In haar brief van 9 september 2003 heeft de sollicitatiecommissie [eisende partij] voor de functie van programmamanager akkerbouw en tuinbouw afgewezen.

1.5

[eisende partij] is met ingang van 15 november 2003 wegens het vervallen van zijn functie boventallig verklaard.

Op 28 november 2003 heeft [eisende partij] zich ziek gemeld.

Op 15 december 2003 heeft hij tegen de boventalligverklaring bezwaar aangetekend. De Toetsingscommissie heeft [gedaagde partij] op 26 januari 2004 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

In mei 2004 heeft [eisende partij] zich weer hersteld gemeld.

1.6

Bij brief van 28 juni 2004 (ontslagbesluit) heeft [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst in verband met de reorganisatie tegen 1 januari 2005 opgezegd, welke datum in verband met de procedure bij de Commissie van Beroep later is gewijzigd in (uiteindelijk) 1 maart 2005.

1.7

[eisende partij] heeft op grond van artikel N-1 sub d van de CAO BVE op 23 juli 2004 tegen het ontslagbesluit bezwaar aangetekend bij de Commissie van Beroep . Deze commissie heeft het bezwaar op 7 februari 2005 gegrond verklaard.

1.8

De Commissie van Beroep heeft in haar beslissing onder meer het volgende overwogen en beslist:

“De overgangsformatie heeft alleen tot doel de negatieve formatieve gevolgen op te vangen van de fusie van de betrokken instellingen. Derhalve kan de overgangsformatie niet dienen om niet in de fusie gelegen oorzaken van formatieterugloop op te vangen, zoals de zogenoemde autonome terugloop van deelnemersaantallen, noch biedt de overgangsformatie bescherming tegen een ontslag dat zijn grond niet vindt in de formatieterugloop, bijvoorbeeld een ontslag wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid voor de vervulde functie. De in gang gezette reorganisatie bij [gedaagde partij] heeft onder andere tot gevolg dat een aantal functies verdwijnt en dat een aantal werkzaamheden wordt herverdeeld. Hierdoor is de functie van [eisende partij] komen te vervallen zonder dat er een verband bestaat met de fusie van 1992. Omdat de overgangsformatie geen bescherming biedt tegen dit ontslag wegens opheffing van de betrekking, kan het beroep van [eisende partij] om deze reden niet slagen.

Aangaande de sollicitatiecode is de Commissie gebleken dat op 10-12-2003 een nieuwe sollici-tatiecode voor [gedaagde partij] is vastgesteld terwijl [eisende partij] op 09-09-2003 bericht heeft ontvangen van de werkgever dat de sollicitatieprocedure aangaande de vacature van programmamanager Akkerbouw en Tuinbouw met hem niet zal worden voortgezet. Op 09-09-2003 gold derhalve de in eerste instantie voor een rechtsvoorganger van [gedaagde partij], IPC Plant, in 1997 vastgestelde solli-citatiecode. In deze code is aangegeven dat één lid van de sollicitatiecommissie lid is van de (locatie) medezeggenschapsraad (MR). Voorts is de sollicitatiecode oorspronkelijk alleen van toepassing op externe sollicitanten. Uit correspondentie tussen de MR en de werkgever blijkt echter dat de sollicitatiecode ook van toepassing is verklaard op interne sollicitanten. Derhalve heeft ten onrechte geen MR-lid deel uitgemaakt van de sollicitatiecommissie die heeft geoor-deeld over de kandidatuur van [eisende partij] voor de functie van programmamanager Akkerbouw en Tuinbouw.

Voorts is de Commissie uit een verklaring van de werkgever gebleken dat in de functie van pro-grammamanager Akkerbouw en Tuinbouw een niet-boventallige medewerker is benoemd. Daarbij is niet gebleken dat op de positie die deze medewerker achterliet een andere boventalli-ge medewerker is benoemd. De werkgever heeft niet bestreden dat de functie van programma-manager Akkerbouw en Tuinbouw voor [eisende partij] een passende functie in de zin van het Soci-aal Plan is en dat [eisende partij] voor deze functie geschikt is. De Commissie overweegt dat op de werkgever vanuit zijn verplichtingen als goed werkgever de plicht rust om zijn boventallig per-soneel, indien mogelijk, binnen de organisatie te plaatsen. Gezien de onweersproken goede staat van dienst van [eisende partij], zijn langdurig dienstverband en de verstrekkende financiële gevolgen van een ontslag, had het op de weg van de werkgever gelegen om op een meer zorg-vuldige wijze tot invulling van de vacature van programmamanager Akkerbouw en Tuinbouw te komen. Niet alleen had de sollicitatiecommissie op juiste wijze dienen te worden samengesteld, maar bovendien had de werkgever meer inzichtelijk moeten maken waarom [eisende partij] niet in aanmerking kon komen voor vervulling van deze vacature nu hij immers geschikt geacht kan worden voor deze functie. De Commissie overweegt dat hieraan meer gewicht toekomt nu de invulling van de functie niet heeft geleid tot vermindering van de boventalligheid aan de instel-ling.

De Commissie is het met de werkgever eens, dat hem een discretionaire bevoegdheid toekomt ten aanzien van de vervulling van vacatures. Gezien het hier voorgestelde echter, meent de Commissie dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor [eisende partij] binnen de in-stelling geen andere passende functie beschikbaar was.

Aldus zal de Commissie het beroep gegrond verklaren.

5. OORDEEL

Op grond van bovenstaande overwegingen verklaart de Commissie het beroep gegrond.”

1.9

In zijn brief van 22 februari 2005 heeft de directievoorzitter van [gedaagde partij] onder meer het volgende aan [eisende partij] geschreven:

“[gedaagde partij] is het niet eens met de uitspraak van de Commissie. De Commissie is er (ten onrechte) aan voorbij gegaan dat u door de sollicitatiecommissie niet geschikt werd geacht voor de be-treffende functie en dat de functie van programmamanager nooit als een voor u passende func-tie werd beschouwd. Dit is destijds ook aan u medegedeeld en toegelicht. Daarbij is van belang dat de bevoegdheid om medewerkers te selecteren voor een nieuwe functie exclusief is voorbe-houden aan de sollicitatiecommissie, ongeacht de samenstelling daarvan. Overigens is zeer onwaarschijnlijk dat de uitkomst van de sollicitatieprocedure anders zou zijn geweest indien de sollicitatiecommissie anders zou zijn samengesteld.

[gedaagde partij] heeft zich inmiddels beraden over het volgende en heeft, gelet op het voorgaande, beslo-ten het gegeven ontslagbesluit te handhaven. Immers voor de functie van programmamanager Akkerbouw/Tuinbouw wordt u niet geschikt geacht, terwijl voor u ook geen andere passende vacatures binnen de organisatie aanwezig zijn. In dat verband merk ik nog op dat [gedaagde partij] inmid-dels een vacaturestop kent.

Het voorgaande betekent dat uw dienstverband (met inachtneming van de verlengde opzegter-mijn) zal eindigen per 28 februari aanstaande.”

1.10

In een brief van 9 maart 2005 aan [eisende partij] (productie 14 conclusie van antwoord) heeft de directievoorzitter van [gedaagde partij] de gevolgde procedure met betrekking tot de sollicitatie van [eisende patrij] naar de functie van programmamaker akkerbouw en tuinbouw en de gronden van zijn afwijzing uiteengezet. In een andere brief van gelijke datum (productie 24 dagvaarding) heeft de manager personeel & organisatie van [gedaagde partij] geschreven het ontslag te handhaven.

1.11

Bij vonnis in kort geding van 15 juni 2005 zijn de vorderingen van [eisende partij] tot wedertewerk-stelling en loonbetaling afgewezen.

1.12

Artikel 4.1.6 lid 5 van de toepasselijk Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: WEB) be-paalt: “De uitspraak van de commissie van beroep bindt het bevoegd gezag”.

1.13

Artikel 18 lid 6 bijlage C van de CAO BVE bepaalt: “De werkgever onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie”.

2. Het standpunt van [eisende partij]

2.1

Het standpunt van [eisende partij] luidt, zakelijk weergegeven, aldus.

2.2

[eisende partij] acht de opzegging van de overeenkomst kennelijk onredelijk en hij heeft dit oordeel als volgt onderbouwd.

[gedaagde partij] heeft zich niet aan de sollicitatiecode gehouden voor wat betreft de samenstelling van de sollicitatiecommissie (het ontbrekend MR-lid).

[gedaagde partij] heeft hem ten onrechte niet de functie van programmamanager akkerbouw en tuinbouw, hoewel hij daarvoor geschikt was, noch een andere passende functie (bijvoorbeeld die van locatiemanager of accountmanager) overeenkomstig het sociaal plan aangeboden en hem evenmin een overzicht van vacatures verstrekt hoewel het sociaal plan daartoe verplichtte.

De herplaatsingscommissie is onzorgvuldig te werk gegaan zodat niet vaststaat dat voor [eisende partij] geen passende functie beschikbaar was. Deze commissie heeft geen enkel boventallig verklaard directie- en managementlid op het punt van eventuele herplaatsing besproken.

[gedaagde partij] heeft niet in rekening gebracht dat [eisende partij] als oud-directielid behoort tot de zoge-naamde overgangsformatie op grond waarvan hij ontslagbescherming voor onbepaalde tijd genoot en in verband waarmee [gedaagde partij] aanvullende subsidie van het Ministerie ontving.

[gedaagde partij] heeft zich niet gehouden aan de uitspraak van de Commissie van Beroep hetgeen in strijd is met artikel 4.1.6. WEB en artikel 18 lid 6 bijlage C van de CAO.

[gedaagde partij] heeft geen rekening gehouden met de lange duur van het dienstverband, de leeftijd van [eisende partij] ten tijde van het ontslag en zijn daarmee samenhangende positie op de arbeidsmarkt. [eisende partij] heeft altijd goed gefunctioneerd.

De gevolgen van het ontslag zijn voor [eisende partij] zo ernstig, terwijl een passende voorziening ontbreekt, dat het belang dat [gedaagde partij] bij het ontslag heeft moet wijken.

De in het sociaal plan opgenomen hardheidsclausule moet op [eisende partij] worden toegepast.

2.3

[gedaagde partij] heeft zich tijdens de ziekteperiode van [eisende partij] als slecht werkgever gedragen omdat [gedaagde partij] geen plan van aanpak heeft opgesteld en niet heeft gereageerd naar aanleiding van de probleemanalyse en het reïntegratieadvies van de bedrijfsarts.

2.4

Met toepassing van de kantonrechtersformule en uitgaande van factor C= 2 dient aan [eisende partij] een vergoeding van € 424.632,00 bruto te worden toegekend.

2.5

[eisende partij]’s gemachtigde heeft voorafgaand aan deze procedure langdurig onderhandelingen met [gedaagde partij] gevoerd, zodat een bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten redelijk is.

3. Het standpunt van [gedaagde partij]

3.1

Het standpunt van [gedaagde partij] luidt, zakelijk weergegeven, aldus.

3.2

De sollicitatiecode dateert van 1997 en was niet meer van toepassing. In verband daarmee zijn [gedaagde partij] en haar medezeggenschapsraad op 10 december 2003 een nieuwe sollicitatiecode overeengekomen, in welke code niet de verplichting is opgenomen dat een lid van die raad in de sollicitatiecommissie zit. Overigens was [eisende partij] niet geschikt voor de functie van programmamanager. Dit oordeel zou niet anders hebben geluid indien een lid van de medezeggen-schapsraad in de sollicitatiecommissie had gezeten.

3.3

De functie van programmamanager stelt, vanwege het takenpakket en de verantwoordelijkhe-den, andere eisen aan de functionaris en de functie is daarom niet vergelijkbaar met de functie van vestigingsdirecteur. [eisende partij] is met name niet geschikt bevonden op de onderdelen visie, leiderschap en daadkracht, welke eigenschappen noodzakelijk zijn om hervormingen te kunnen doorvoeren. Dit is met [eisende partij] besproken en is hem schriftelijk uitgelegd.

3.4

Nadat [eisende partij] boventallig was verklaard heeft overeenkomstig artikel B.8 van bijlage D van het sociaal plan de herplaatsingscommissie onderzocht en vastgesteld dat aan [eisende partij] geen formatieplaats kon worden toegewezen. De functie van vestigingsdirecteur zou immers vervallen en na de reorganisatie niet terugkeren. Voorts ontbreken in de nieuwe organisatiestructuur met de functie van vestigingsdirecteur uitwisselbare functies. [eisende partij] diende daarom naar een nieuwe functie te solliciteren. Het sociaal plan verplichtte [gedaagde partij] niet [eisende partij] een passende functie aan te bieden.

3.5

In 1992 is ten gevolge van een fusie een formatie ontstaan welke formatie bestond uit directeuren van (gefuseerde) instellingen die door de fusie boventallig zouden worden. Die directeuren genoten ontslagbescherming. Hun loonkosten werden door het Ministerie vergoed. De reorganisatie stond geheel los van de fusie in 1992 zodat [eisende partij] geen ontslagbescherming toekwam. De grond voor het ontslag was immers niet de fusie maar de reorganisatie.

3.6

[gedaagde partij] heeft zich onderworpen aan de uitspraak van de Commissie van Beroep door alsnog (meer) aannemelijk te maken dat voor [eisende partij] geen functie beschikbaar was. De uitspraak van de commissie leidt niet tot de ongedaanmaking van het ontslag vanwege het gesloten ont-slagstelsel. Op grond van de uitspraak van de commissie diende [gedaagde partij] het ontslagbesluit nader te motiveren.

3.7

[gedaagde partij] diende noodzakelijkerwijs te reorganiseren hetgeen zowel door de medezeggenschapsraad als de vakbonden is erkend. [gedaagde partij] heeft een financiële voorziening voor [eisende partij] getroffen, nu [eisende partij] op grond van het sociaal plan recht heeft op één jaar aanvulling op elders verdiend lager inkomen of een WW-uitkering. [eisende partij] is gedurende de periode 7 juli 2003 tot 1 maart 2005 de gelegenheid geboden elders met behulp van outplacement een dienstverband te vinden. Naast zijn (eventuele) WW-uitkering kan [eisende partij] krachtens het Besluit bovenwette-lijke werkloosheidsuitkering voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (hierna: BWOO) in geval van werkloosheid aanspraak maken op een bovenwettelijke uitkering, welke doorloopt tot en met 2015 en in totaal € 222.547 bruto bedraagt. Zestig procent van de WW-uitkering en de BWOO-uitkering komt voor rekening van [gedaagde partij]. Bij de vaststelling van het sociaal plan is ook met de BWOO-uitkering rekening gehouden.

3.8

Aan het ontslag ligt geen onjuiste of ondeugdelijke reden ten grondslag nu [eisende partij] boventallig is geworden door het vervallen van zijn functie. Ander passend werk was niet voorhanden.

3.9

De gevraagde schadevergoeding is buiten proportie. De opzegtermijn is uit coulance van 4 maanden tot 6 maanden opgerekt. De vergoeding waarop [eisende partij] krachtens het sociaal plan aanspraak kan maken moet bij de vaststelling van een eventuele schadevergoeding worden be-trokken.

3.10

Buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand heeft [eisende partij] niet gemaakt.

4. De beoordeling

4.1

[eisende partij] heeft zich blijkbaar verenigd met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de arbeidsovereenkomst krachtens de opzegging, vanwege het gesloten ontslagstelsel (HR 20 maart 1992, NJ 1992-495) en niettegenstaande het voor [eisende partij] gunstige oordeel van de Commissie van Beroep met betrekking tot het ontslagbesluit, is geëindigd.

[gedaagde partij] had dat standpunt van aanvang af al ingenomen.

Het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2005 staat dan ook vast.

4.2

[eisende partij] heeft met meerdere argumenten bepleit dat de opzegging van de arbeidsovereen-komst kennelijk onredelijk is. Eén van die argumenten is dat de Commissie hem in het gelijk heeft gesteld en dat [gedaagde partij] zich niet aan de uitspraak van de Commissie heeft gehouden.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat aan dit argument niet in de weg staat dat ook Kruizin-ga blijkens zijn standpunt in deze procedure op sommige rechtsoverwegingen van de Commis-sie kritiek heeft, bijvoorbeeld op het punt van de overgangsformatie. Een werknemer is immers niet aan de uitspraak van de Commissie gebonden, aldus HR 31 mei 1996, NJ 1996-693 waarin is beslist dat die uitspraak niet het karakter van een bindend advies heeft, tenzij dat tussen werk-gever en werknemer ondubbelzinnig is overeengekomen. In gelijke zin: HR 9 november 2001 NJ 2001-240. Gesteld noch gebleken is dat partijen een zodanige overeenkomst hebben geslo-ten.

4.3

In het onderhavige geval is de vraag aan de orde of de werkgever aan de uitspraak van de Commissie is gebonden en zo ja, of dat gevolgen heeft voor de vordering van [eisende partij].

4.4

Artikel 4.1.6 lid 5 WEB en artikel 18 lid 6 bijlage C van de CAO bepalen dat de uitspraak van de Commissie van Beroep het bevoegd gezag (hier: [gedaagde partij]) bindt respectievelijk dat de werkge-ver zich aan de uitspraak van de Commissie van Beroep onderwerpt. [gedaagde partij] is dus op grond van de WEB en de CAO BVE aan de uitspraak gebonden.

Die gebondenheid houdt op daar waar de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van tot-standkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, bijvoorbeeld omdat fundamentele procesregels zijn geschonden of de beslis-sing een kennelijke misslag bevat. Dat is door [gedaagde partij] echter niet gesteld en de kantonrechter niet gebleken. De kantonrechter komt dus toe niet aan een marginale toetsing van de uitspraak.

Voor de volledigheid: evenmin is gesteld of gebleken dat door [gedaagde partij] herziening van de uit-spraak overeenkomstig artikel 19 van bijlage C van de CAO BVE is verzocht.

4.5

Het eindoordeel van de Commissie van Beroep luidt dat het beroep van Kruizenga tegen het ontslagbesluit van 28 juni 2004 (in de uitspraak is vermoedelijk per vergissing de datum 29 juni 2004 genoemd) gegrond is. Om de strekking van dat oordeel te kunnen begrijpen is kennisne-ming van de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen noodzakelijk.

Het eindoordeel berust, in de kern genomen, op de vaststelling dat [gedaagde partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor Kruizenga binnen haar instelling geen andere, passende functie beschikbaar was. De Commissie van Beroep komt tot dit oordeel omdat [gedaagde partij] “niet (heeft) bestreden dat de functie van programmamanager Akkerbouw en Tuinbouw voor [eisende partij] een passende functie in de zin van het Sociaal Plan is en dat [eisende partij] voor deze functie geschikt is”. Daar komt dan nog bij dat de invulling van de vacature programmamanager akkerbouw en tuinbouw volgens de Commissie van Beroep onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden: een MR-lid had on-derdeel van de sollicitatiecommissie moeten uitmaken. [gedaagde partij] had, aldus de Commissie, meer inzichtelijk moeten maken waarom [eisende partij] is gepasseerd, hoewel hij voor bedoelde functie geschikt kan worden geacht.

4.6

Anders dan [gedaagde partij] heeft aangevoerd kon zij, gegeven dit oordeel, niet volstaan met een nadere, schriftelijk motivering waarom [eisende partij] voor de functie van programmamanager akkerbouw en tuinbouw niet geschikt werd geacht zoals de directievoorzitter van [gedaagde partij] in zijn brief van 9 maart 2005 aan [eisende partij] heeft gedaan, zonder daarbij in conflict te komen met de hiervoor onder rechtsoverweging 4.4 genoemde bepalingen. De Commissie had nu juist vastgesteld dat [gedaagde partij] ten overstaan van haar níet had bestreden dat [eisende partij] voor de functie van programma-manager geschikt was. De uitspraak bood [gedaagde partij] geen ruimte, gegeven de overwegingen van de Commissie, de ongeschiktheid van [eisende partij] alsnog schriftelijk te motiveren en vervolgens het ontslagbesluit te handhaven.

Voorts is in dit verband van belang dat de Commissie ook heeft overwogen dat de sollicitatie-commissie destijds niet overeenkomstig de vigerende regels was samengesteld en dat gebrek was om voor de hand liggende redenen niet meer reparabel.

[gedaagde partij] heeft in wezen de beslissing van de Commissie van Beroep naast zich neergelegd en haar ontslagbesluit, zij het met een meer uitgebreidere motivering, gehandhaafd. In haar brief aan [eisende partij] van 22 februari 2005 heeft de directievoorzitter van [gedaagde partij] dit laatste ook met zoveel woorden geschreven. De opzegging van de arbeidsovereenkomst was op dat, aldus gehandhaaf-de, ontslagbesluit gebaseerd en is daarmee van kracht gebleven. Na de uitspraak van de Com-missie van Beroep stond voor [gedaagde partij], gegeven haar verplichting die uitspraak te eerbiedigen en behoudens de mogelijkheid van herziening, in dit geval geen andere weg open dan het ontslag-besluit in te trekken en met [eisende partij] over een oplossing in overleg te treden.

4.7

De opzegging is alleen al vanwege de schending van artikel 4.1.6 lid 5 WEB en artikel 18 lid 6 bijlage C van de CAO kennelijk onredelijk. De overige argumenten die [eisende partij] in dit verband heeft aangevoerd behoeven bij deze stand van zaken geen verdere bespreking.

[eisende partij] heeft op grond van artikel 7:681 BW recht op schadevergoeding.

4.8

Bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding is allereerst van belang dat [gedaagde partij] een verplichting die de wet en de cao op haar heeft gelegd, heeft geschonden. Dat mag haar zeker worden aangerekend. Verder is rekening gehouden met de volgende factoren: de leeftijd van [eisende partij], de duur van het dienstverband, zijn salaris, het totaalbedrag van zijn BWOO-uitkering dat, uitgaande van blijvende werkloosheid, onbetwist € 222.547 bruto bedraagt en de suppletie (ingevolge het sociaal plan) op zijn WW-uitkering gedurende 12 maanden tot 90% van het voorheen genoten salaris.

De kantonrechter acht, hiervan uitgaande, een bedrag van € 90.000,00 bruto een billijke schade-vergoeding.

4.9

[eisende partij] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zodanige werkzaamheden buiten rechte zijn verricht dat de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar is.

De met ingang van 1 maart 2005 gevorderde wettelijke rente is onweersproken gebleven en daarom toewijsbaar.

4.10

Gelet op de uitkomst van de procedure --van de geldvordering van [eisende partij] zal bij benadering een vierde gedeelte worden toegewezen-- zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna bepaalde manier.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is;

- veroordeelt [gedaagde partij] tegen bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van

€ 90.000,00 bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot de dag van de algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 25 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.