Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ0023

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
297084 CV 05-14064
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BK5134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. In reconventie vordert werkgever gefixeerde schadevergoeding omdat werknemer aanleiding zou hebben gegeven tot voortijdig ontslag. Daarnaast vordering van werkgever uit onverschuldigde betaling. Die wordt afgewezen omdat CAO hogere beloning toestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 297084 CV 05-14064

datum : 27 september 2006

Vonnis in de zaak van:

[A],

wonende te [woonplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. L.P.A. Zwijnenberg

tegen

de besloten vennootschap [B],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. R.de Jong.

Partijen zullen hierna [A] en [B ]worden genoemd.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van [B] en de eis in reconventie

- de nadere toelichting van partijen zowel in conventie als in reconventie.

Het geschil

In conventie:

De vordering van [A] strekt ertoe dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat het aan [A] op 24 mei 2005 gegeven ontslag nietig is, en voorts dat [B] wordt veroordeeld om aan [A] te betalen het overeengekomen loon ad € 2.356,83 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, vanaf 24 mei 2005 tot de dag waarop de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging alsmede met een bedrag van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [B] in de proceskosten.

[B] heeft de vordering gemotiveerd betwist met conclusie dat [A] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, althans dat hem die vorderingen worden ontzegd, met veroordeling –uitvoerbaar bij voorraad- van [A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien [A] na aanmaning daartoe niet binnen 14 dagen daarna aan deze veroordeling jegens [B] heeft voldaan.

In reconventie

De vordering van [B] –na verminderring bij conclusie van antwoord in conventie tevens inhoudende conclusie van repliek in reconventie en akte vermindering van eis- strekt ertoe dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [A] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.316,72, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2005 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede met een bedrag van € 29.929,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2003, althans de dag der eis, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien hij na aanmaning daartoe niet binnen 14 dagen daarna aan deze veroordeling ten behoeve van [B] heeft voldaan.

[A] heeft de vordering gemotiveerd betwist met conclusie tot afwijzing van de vordering van [B], met veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [B] in de proceskosten.

De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist het volgende vast:

1.1

[A] , [X] jaren oud, is op [datum] 1983 bij [B] in dienst getreden als bedrijfsleider. Tot 1 juli 2005 is de broer van [A], [C], directeur/enig aandeelhouder van [B] geweest.

1.2

[A] is in november 1997 uitgevallen wegens ziekte. Na zijn herstel is hij per 9 maart 1998 met behoud van zijn oude salaris geleidelijk de werkzaamheden van een timmerman gaan verrichten.

1.3

Tot 1 november 2003 ontving [A] een salaris van € 2.356,83 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Per 1 april 2005 heeft [B] aan [A] nog slechts een salaris van € 1.678,85 bruto per maand uitbetaald.

1.4

Tussen partijen is bij deze rechtbank, sector kanton, sedert 29 juli 2002 een procedure aanhangig geweest. Kernvraag in die procedure was of, gelijk door [A] werd gesteld, maar door [B] werd betwist, op der partijen arbeidsovereenkomst de Cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven van toepassing is. Bij (eind)vonnis van 22 februari 2006 is die vraag door de kantonrechter bevestigend beantwoord.

1.5

Bij beschikking van 24 mei 2005 heeft het CWI een door [B] ingediende aanvraag tot ontslag van [A] afgewezen.

1.6

Op 24 mei 2005 heeft een handgemeen plaatsgevonden tussen [A] en [C]. Beide broers hebben daarbij verwondingen opgelopen. Door de politie Flevoland is naar aanleiding van het handgemeen een proces-verbaal opgemaakt, houdende onder meer de verklaringen van [A], [C] en [D].

1.7

Bij schrijven van 24 mei 2005 is [A] door [B] op staande voet ontslagen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [A] de directeur van [B], [C], op 24 mei 2005 met een koevoet heeft mishandeld.

1.8

Bij schrijven van 24 juni 2005 heeft de gemachtigde van [A] –in navolging van [A] - de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen

1.9

Bij beschikking van 21 december 2005 van deze rechtbank, sector kanton, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voorzover rechtens vereist, op verzoek van [B] ontbonden per 6 januari 2006 zulks onder toekenning aan [A] van een vergoeding. [B] heeft het verzoek binnen de bij die beschikking gestelde termijn niet ingetrokken.

De beoordeling

In conventie

2.1

Aan zijn vordering in conventie heeft [A] ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet nietig is, omdat de daaraan ten grondslag gelegde dringend reden zich niet heeft voorgedaan. Hij heef betwist dat hij [C] heeft mishandeld met een koevoet. Volgens hem komt het er kort gezegd op neer dat, omdat [A] een notitieboekje niet wilde afgeven, [C] hem tegen de grond heeft gewerkt, waarbij [C] [A] heeft getrapt en geslagen. Vervolgens heeft de zoon van [C] [A] zelfs gedreigd te slaan met een koevoet. Voorts is [A] de mening toegedaan dat zelfs als hij al geslagen zou hebben met een koevoet dit het ontslag op staande voet niet kan rechtvaardigen. In dat geval staat voor hem namelijk vast dat de gebeurtenissen zijn uitgelokt en/of geënsceneerd door de vennootschap. [A] heeft in dit verband verwezen naar het in de ontbindingsprocedure overgelegde verweerschrift alsmede naar de bij dagvaarding overgelegde producties 2 en 3, inhoudende een door [A] opgemaakt “chronologisch verslag” en een door hem opgemaakt “Pesterijen”-verslag. [B] heeft, naar [A] heeft betoogd, de gestelde gebeurtenissen over zichzelf afgeroepen. Volgens hem heeft [B] geloerd naar een gelegenheid om hem te kunnen ontslaan.

2.2

[B] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij [A] terecht op staande voet heeft ontslagen. [A] heeft namelijk haar (toenmalige) directeur, [C], met een koevoet mishandeld door hem daarmee in zijn gelaat te slaan. Dit betreft een dringende reden die het ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Volgens [B] moest [C] een nieuw werkbriefje voor [A] maken, omdat hij zijn werk aan twee bladen die ochtend in de werkplaats niet had verricht zoals met hem was afgesproken. Toen [C] kwam aanlopen was [A] op een briefje aan het schrijven en [C] zag toen dat [A] dit briefje snel dichtvouwde. Volgens [B] vroeg [C] toen aan [A] om hem dat briefje te geven om te controleren wat daar op stond –in april 2001 was [A] volgens [B] betrapt op het kopieëren en bekijken van vertrouwelijke bedrijfsgegevens-. Toen [A] dit weigerde en [C] het papiertje wilde pakken, pakte [A] plotseling de koevoet en gaf [C] hiermee direct, zonder enige noodzaak, een zeer harde klap in het gelaat. Daardoor heeft [C] volgens [B] ernstige verwondingen opgelopen waarvoor hij zich heeft moeten laten behandelen.

2.3

De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is een dringende reden alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, dienen te worden beoordeeld.

Voorts is de kantonrechter is van oordeel dat als komt vast te staan dat [A] zijn broer en tevens voormalige directeur van [B], [C], daadwerkelijk heeft mishandeld met een koevoet door hem daarmee in het gelaat te slaan dit het ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Weliswaar kan uit de over en weer overgelegde producties en uit hetgeen partijen hebben betoogd worden opgemaakt dat het ten tijde van het incident al jaren niet boterde tussen [A] en [C], hetwelk mogelijk nog een verzachtende omstandigheid zou kunnen vormen indien de toedracht van hetgeen is voorgevallen op 24 mei 2005 beperkt blijkt te zijn gebleven tot een handgemeen, anders wordt dit naar het oordeel van de kantonrechter indien komt vast te staan dat [A] zijn broer [C] tijdens dat handgemeen, kennelijk zonder enige noodzaak, in zijn gelaat heeft geslagen met een koevoet daarbij mogelijke ernstige verwondingen van [C] op de koop toenemende. Alsdan betreft dit, hoe gespannen de relatie tussen [C] en [A] toen mogelijk ook was en ongeacht wie precies het handgemeen is begonnen, een zodanige gedraging van [A] dat het van [B] in redelijkheid niet gevergd hoefde te worden dat zij de arbeidsovereenkomst na 24 mei 2005 nog voortzette.

Het door [A] ingenomen standpunt dat ook al zou er sprake zijn geweest van mishandeling met een koevoet het ontslag desondanks niet in stand kan blijven, omdat er sprake is van uitlokking c.q. enscenering van de gebeurtenissen wordt niet gedeeld, reeds omdat van uitlokking c.q. enscenering, mede in het licht van de betwisting daarvan door [A], onvoldoende gebleken is. Uit de door [A] bij dagvaarding overgelegde producties 1 en 2 (het chronologisch verslag met bijlagen en het “pesterijen”-verslag) en het verweerschrift uit de ontbindingsprocedure kan de kantonrechter, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, dat niet afleiden. Hooguit is daar uit op te maken dat [B], in het bijzonder dan haar voormalige directeur [C], en [A] al jaren een gebrouilleerde relatie hadden zonder dat precies is vast te stellen wie daar nu debet aan is. Bovendien vindt de kantonrechter het niet geloofwaardig dat [B], althans haar voormalige directeur, bewust heeft aangestuurd op een handgemeen met mogelijk ernstige lichamelijke gevolgen voor [C] tot gevolg, enkel met het doel aldus [A] te kunnen ontslaan. Daaraan kunnen niet afdoen de -overigens door [B] betwiste- stellingen van [A] dat [B] al lange tijd probeerde van hem af te komen en dat [A] het –verder niet ook niet door hem toegelichte- vermoeden heeft dat [B] vóór de mishandeling reeds telefonisch op de hoogte was gebracht van de voor haar negatieve CWI beslissing. Overigens duidt het door [A] geschetste verloop van de gebeurtenissen op 24 mei 2005 kort aan het handgemeen voorafgaande, en die er volgens hem uit heeft bestaan dat [A] een vakantieverzoek had gedaan waarmee [C] het niet eens was, evenmin op een enscenering of uitlokking van het handgemeen.

De vraag rijst of [A] zijn broer [C] daadwerkelijk met een koevoet heeft mishandeld door hem daarmee in het gelaat te slaan. Het is aan [B], nu [A] dit heeft betwist, om dit te bewijzen. Anders dan [B] ziet de kantonrechter in hetgeen [B] ter adstructie van haar standpunt heeft overgelegd geen aanleiding om dit bewijs voorshands geleverd te achten dan wel om te komen tot een omkering van de bewijslast, zulks mede in het licht van hetgeen [A] omtrent de desbetreffende stukken van [B] heeft opgemerkt. Derhalve zal [B] in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat [A] haar voormalige directeur met een koevoet in het gelaat heeft geslagen. Daartoe zal haar na te melden bewijsopdracht worden verleend.

2.4

In afwachting van de bewijslevering door [B] zal verder iedere beslissing worden aangehouden.

In reconventie

2.5

Aan haar vorderingen heeft [B] onder meer ten grondslag gelegd dat [A] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op 24 mei 2005 onverwijld op te zeggen en dat [A] om die reden schadeplichtig is geworden jegens [B] ex artikel 7:677 lid 3 BW. Op deze grond heeft [B] aanspraak gemaakt op schadevergoeding ten belope van een bedrag gelijk aan het salaris over zes weken, zijnde de opzegtermijn die [A] volgens haar bij regelmatige opzegging in acht had moeten nemen en neerkomende op een bedrag van € 2.316,72.

Voorts heeft [B] betoogd, kort samengevat, dat omdat [A] in maart 1998 de wijzing van zijn functie van bedrijfsleider in die van timmerman heeft geaccepteerd, [B] over de periode 1 april 1998 tot 1 januari 2003 steeds het salaris is blijven betalen dat behoorde bij zijn oude functie, terwijl volgens de nadien op de arbeidsovereenkomst van toepassing gebleken Cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven, in het bijzonder gezien het salaris van functiegroep C, het salaris van een timmerman lager ligt, zij gerechtigd is, gelet op het bepaalde in artikel 18 lid 5 van de Cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven, het aldus teveel betaalde salaris over die periode als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Dit betreft, rekening houdende met de ingevolge laatstgemeld artikel in acht te nemen getrapte verlaging van het eerder overeengekomen loon naar het juiste functieloon van timmerman, een bedrag van € 29.929,16, aldus [B]

[A] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist.

2.6

De door [A] betwiste vordering tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding hangt zodanig samen met de vorderingen in conventie dat op deze reconventionele vordering pas zal worden beslist nadat op de vorderingen in conventie is beslist.

2.7

De door [A] betwiste vordering uit onverschuldigde betaling zal worden afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden volgehouden dat hetgeen [B] naar haar zeggen teveel heeft betaald, onverschuldigd is betaald.

In beginsel staat het een werkgever en een werknemer immers vrij ten gunste van de werknemer in een individuele arbeidsovereenkomst af te wijken van bepalingen in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is slechts anders als dit volgens de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst niet is toegestaan. Eerst dan kan naar het oordeel van de kantonrechter gezegd worden dat het afwijkende beding strijdig is met de collectieve arbeidsovereenkomst en zal dit ingevolge het bepaalde in artikel 12 lid 1 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst tot nietigheid van het afwijkende beding in de arbeidsovereenkomst leiden. In casu zijn partijen naar zeggen van [B] een hogere salariëring overeengekomen dan bij de door [A] sedert 9 maart 1998 uitgeoefende functie van timmerman volgens de Cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven behoort. Niet is echter gesteld dat die Cao dat niet zou toestaan. Dat blijkt ook niet uit de toepasselijke algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit de Cao’s voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven 1996/1997, 1998/1999, 2000/2001, 2001/2002 en 2002/2003. Integendeel, het algemeen verbindend verklaarde artikel 12 in de Cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven 1996/1997 en het algemeen verbindend verklaarde artikel 17 uit voormelde latere Cao’s voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven geven expliciet aan dat overbeloning mogelijk is. Van onverschuldigde betaling is volgens de kantonrechter dan ook geen sprake. Hetgeen vermeld staat in het algemeen verbindend verklaarde artikel 18 lid 5 van de Cao’s voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven 2000/2001, 2001/2002 en 2002/2003 (de Cao’s van 1996/1997 en 1998/1999 bevatten geen artikel 18 lid 5) maakt dat niet anders. Daarin staat immers niets anders dan dat bij aanvaarding door de werknemer van een functie waaraan een lager loon is verbonden, het loon in vier termijnen van zes maanden met gelijke bedragen kan worden aangepast, zodat de werknemer na twee jaar het loon ontvangt dat behoort bij de nieuwe functie.

Kortom, de vordering uit onverschuldigde betaling zal worden afgewezen.

2.8

In afwachting van de bewijslevering door [B] in conventie zal in reconventie verder iedere beslissing worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

- stelt [B] in de gelegenheid te bewijzen dat [A] haar voormalige directeur, [C], in het gelaat heeft geslagen met een koevoet.

- bepaalt voorts het volgende:

Voor overlegging van schriftelijk bewijs wordt de zaak aangehouden tot woensdag 18

oktober 2006 te 11.00 uur.

Indien [B] bewijs door getuigen wil leveren, moet dat voor of uiterlijk op

die zitting schriftelijk aan het kantongerecht worden meegedeeld met opgave van het

aantal getuigen dat zal worden voorgebracht.

[B] wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat uiterlijk zeven dagen voor het

verhoor ook aan de tegenpartij de namen en woonplaatsen van de getuigen moeten

worden opgegeven.

Als partijen wensen dat met hun verhinderdata rekening wordt gehouden, zullen zij die

eveneens voor of uiterlijk op die zitting schriftelijk dienen op te geven. Vervolgens zal

dan worden bepaald wanneer het getuigenverhoor zal plaatsvinden.

Het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Lelystad,

Stationsplein 15.

In reconventie:

- houdt iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter te Lelystad, en uitgesproken ter

openbare terechtzitting van 27 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.