Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ0018

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
334499 ER 06-43
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, erfrecht. Beschermingsbewindvoerder geen wettelijk vertegenwoordiger als bedoeld in art. 4:202 lid 2 BW (en 4:193 lid 1 en 2 BW). Zeer lichte vereffening volgens afd. 4.6.3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 112

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknummer. : 334499 ER 06-43

datum : 10 oktober 2006

Beschikking op een verzoek tot ontheffing van de verplichting tot vereffening volgens de wet

ingediend door:

mr. E. Ritsma te Staphorst, boedelnotaris,

namens [A], als gevolmachtigde van [B] (geboren op [datum]), die bewindvoerder is over de vermogens van [C] (geboren op [datum]) en [D] (geboren op [datum]),

allen wonende te [woonplaats],

verzoeker,

met betrekking tot de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [datum] en overleden op [[datum], laatst gewoond hebbende te [woonplaats].

De procedure

Op 4 oktober 2006 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift, waarin wordt verzocht ontheffing te verlenen van de verplichting de nalatenschap van [erflater] voornoemd overeenkomstig afdeling 4.6.3 van het Burgerlijk Wetboek te vereffenen.

Bijgevoegd is een volmacht van de bewindvoerder aan [A], waarbij zij wordt gemachtigd tot beheer en vereffening van de door de rechthebbenden beneficiair aanvaarde nalatenschap. De volmacht strekt niet tot vertegenwoordiging van de volmachtgever bij beschikkingshandelingen over nalatenschapsgoederen, behalve wanneer die normaal zijn te achten in het kader van beheer en vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap. Evenmin is de gevolmachtigde bevoegd de volmachtgever te vertegenwoordigen bij de verdeling van de nalatenschap.

Voorts is bijgevoegd een voorlopige beschrijving van de nalatenschap.

De beoordeling

1.

Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat de goederen van de thans overleden [erflater] bij beschikking van 31 maart 2000 onder bewind zijn gesteld met benoeming van [A] tot bewindvoerder. Op diezelfde dag zijn alle huidige en toekomstige goederen van haar twee kinderen, [B] en [C] (hierna: de kinderen), onder bewind gesteld, met benoeming van [D] tot bewindvoerder.

Door beide bewindvoerders is ieder jaar rekening en verantwoording gedaan.

2.

Namens de kinderen heeft hun bewindvoerder de nalatenschap van hun moeder beneficiair aanvaard en de daartoe strekkende verklaring doen inschrijven in het boedelregister.

3.

Uit de voorlopige beschrijving van de nalatenschap blijkt dat er, naast twee P.M. posten, tenminste voor € 100.000,- activa zijn, en nog geen € 9000,- aan passiva, exclusief griffierecht en te verwachten boedelkosten.

De kantonrechter heeft, ook gelet op de informatie uit het bewinddossier, geen enkele reden om te betwijfelen dat alle schulden probleemloos uit de nalatenschap kunnen worden voldaan.

4.

Wel stelt de kantonrechter zich de vraag of een beschermingsbewindvoerder gerekend moet worden tot de wettelijk vertegenwoordigers die zijn bedoeld in art. 4:202 lid 2 BW. Met die term worden immers gewoonlijk ouders, voogden en curatoren aangeduid: degenen die handelingsonbekwame personen in en buiten rechte vertegenwoordigen.

Bij beschermingsbewind is geen sprake van handelingsonbekwaamheid.

Blijkens de parlementaire geschiedenis is de opheffingsmogelijkheid bij derde nota van wijziging in de wet gekomen, en wel aanvankelijk bij het artikel dat nu genummerd is 4:193 BW. De toelichting daarop luidt dat deze voorziening nodig is, omdat “in de meeste gevallen bij boedels met minderjarigen en curandi de verplichting om te vereffenen volgens de regels die de wet bij de beneficiaire aanvaarding stelt, een te zwaar middel is”, aldus PG Invoeringswet p. 2195.

Ook die oorspronkelijke plaats in art. 4:193 BW doet de kantonrechter ernstig betwijfelen of beschermingsbewindvoerders wettelijk vertegenwoordigers zijn als hier bedoeld. De onmogelijkheid tot zuivere aanvaarding door wettelijk vertegenwoordigers in het eerste lid, eerste zin van dat wetsartikel staat op uiterst gespannen voet met de regeling in art. 1: 441 lid 5 BW, die het (uiteraard slechts wanneer de rechthebbende zijn wil kan bepalen en dienovereenkomstig kan verklaren) mogelijk maakt dat een rechthebbende de bewindvoerder toestemming geeft om zuiver te aanvaarden. Hier komt nog bij dat er beperkte bewinden zijn, met name ook bewinden die zich niet uitstrekken over toekomstige goederen als (aandelen in) een nalatenschap. Zeker dan gaat het te ver wanneer de enkele aanwezigheid van een beschermingsbewindvoerder zou leiden tot automatische toepasselijkheid van bijvoorbeeld art. 4:193 lid 2 BW, en vervolgens tot verplichte wettelijke vereffening krachtens art. 4:195 BW.

Derhalve is de kantonrechter van oordeel dat het begrip wettelijk vertegenwoordiger beperkt uitgelegd dient te worden en slechts betrekking heeft op ouders, voogden en curatoren van handelingsonbekwamen.

5.

Het voorgaande brengt mee dat er vereffend zal moeten worden overeenkomstig de bepalingen van titel 6, afdeling 3.

Gelet op de toestand van de boedel, zoals onder overweging 3 beschreven, ontheft de kantonrechter de erfgenamen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen (art. 4:211 lid 4 BW), terwijl er geen enkele aanleiding is voor het opleggen van de in art. 4: 221 lid 1 BW bedoelde verplichtingen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek tot ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet af;

- ontheft de erfgenamen van de verplichting de boedelbeschrijving ter inzage te leggen;

- bepaalt dat er geen reden is voor het opleggen van de verplichtingen, bedoeld in art. 4:221 lid 1 BW.

Aldus gegeven door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 10 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden (civiele griffie: postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden).