Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY9807

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
07/795001-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrieglijke bankbreuk door niet tevoorschijn brengen van bescheiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Politierechter

Parketnummer: 07/795001-05

Uitspraak: 10 oktober 2006

STRAFVONNIS

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. Ruesink, advocaat te Almelo.

De officier van justitie, mr. Verkerk, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de politierechter het volgende af:

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 1 september 2004 is Beko Midden-Nederland BV in staat van faillissement verklaard. Hoewel hij niet formeel als bestuurder te boek stond, had verdachte feitelijk de leiding in de BV (wie feitelijk daden van bestuur verricht is volgens HR 03-12-1974, NJ 1975, 229 aan te merken als bestuurder in de zin van art. 343 Sr). Verdachte had de beschikking over de bankpassen van de BV. Ook maakte verdachte samen met [naam] de verkoopfacturen.

De curator heeft na voornoemd vonnis meermalen tevergeefs getracht contact te krijgen met [verdachte]. Uiteindelijk heeft er op 17 september 2004 een gesprek plaatsgevonden tussen de curator, [verdachte] en [naam]. Hierbij is afgesproken dat uiterlijk 24 september 2004 de curator de beschikking zou krijgen over debiteuren- en crediteurenlijst van Beko. Deze lijst was van belang voor de curator omdat - zo hem na bezoeken aan het bedrijfspand van Beko was gebleken – een kasboek van het jaar 2004 en bankafschriften van 2004 ontbraken. Via een werknemer van Beko kreeg de curator alsnog de beschikking over een ordner met kopieën van de bankafschriften. Uit die bankafschriften blijkt de rechtbank dat er substantiële bedragen (hoger dan het nettoloon van verdachte) via de bankrekening van Beko op de bankreking van de echtgenote van verdachte zijn gestort en dat er tal van privé-uitgaven zijn gedaan met de bankpassen van Beko. Een groot deel van de dubieuze uitgaven zijn gedaan in de maanden juni en juli 2004, vlak voor het faillissement. Eventueel door verdachte ontvangen bedragen hoger dan zijn netto vrijgestelde loon had hij aan de faillissementsboedel moeten afdragen. Om een en ander te kunnen bepalen was het noodzakelijk dat de curator de beschikking zou krijgen over de debiteuren- en crediteurenlijst. Deze lijst heeft de curator nooit van verdachte en [naam] ontvangen.

Na het gesprek met de curator op 17 september 2004 wist verdachte dat verkorting van de rechten van schuldeisers het gevolg zou kunnen zijn van het niet overhandigen van voornoemde bescheiden. Nu de curator de bescheiden nooit heeft mogen ontvangen is niet kunnen worden vastgesteld welke van de privé-uitgaven en de op de rekening van de echtgenote van verdachte gestorte bedragen onder de faillissementsboedel vielen.

De politierechter acht het niet noodzakelijk dat de door de raadsman genoemde getuigen nader worden gehoord. De vraag of bijvoorbeeld [naam] ook de beschikking had over een bankpas, of de vraag of zijn rol inzake het beleid van Beko wellicht een grotere was dan uit het dossier naar voren komt is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet relevant, temeer daar ten laste is gelegd het medeplegen van - kort gezegd – bedrieglijke bankbreuk, verdachte als bestuurder van Beko is aan te merken en aan hem (en [naam]) door de curator is verzocht de administratieve bescheiden te overhandigen.

De politierechter acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

STRAFBAARHEID

Het bewezen levert op:

als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als bedoeld in artikel 10 eerste lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, strafbaar gesteld bij artikel 343 onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij zijn beslissing heeft de politierechter rekening gehouden met het blanco strafrechtelijk verleden van verdachte.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijke voorschrift, gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De politierechter legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren.

De politierechter beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Aldus gewezen door mr. Schröder, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2006.