Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8869

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-03-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
118985 / KG ZA 06-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 3:84 lid 3 BW. Fiduciaverbod. Gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst van 26 april 2005 acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter - later oordelende - zal beslissen dat de overeenkomst alle elementen van een koop- en huurovereenkomst bevat en dientengevolge moet worden aangemerkt als een rechtshandeling die tot werkelijke overdracht van de caravan met inventaris strekt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 118985 / KG ZA 06-118

Vonnis in kort geding van 27 maart 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. C.F. Roza,

advocaat mr. B.J. de Haan te Apeldoorn,

tegen

DE ONTVANGER V/D BELASTINGDIENST RANDMEREN KANTOOR LELYSTAD,

kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. F. Zoer.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Ontvanger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van De Ontvanger.

1.2. Ter zitting van 27 maart 2006 is mondeling vonnis gewezen.

1. De feiten

1.1. Op 10 januari 2005 heeft De Ontvanger uit hoofde van een tweetal betalingsbevelen ten laste van [A] executoriaal beslag gelegd op een [A] in eigendom toebehorende stacaravan, inclusief de in de caravan bevindende roerende zaken, hierna te noemen: de caravan met inventaris.

1.2. Op 4 maart 2005 heeft De Ontvanger uit hoofde van een viertal andere betalingsbevelen ten laste van [A] de caravan met inventaris opnieuw executoriaal beslagen.

1.3. Bij overeenkomst van 22 april 2005 heeft [eiser] aan [A] een bedrag van EUR 29.065,-- geleend. In artikel 1 van de overeenkomst is bepaald dat het geld gebruikt diende te worden om alle bestaande beslagen en inschrijvingen op de caravan met inventaris te doen doorhalen, "zodat ter zekerheid voor de nakoming van deze leningovereenkomst" de caravan met inventaris in eigendom overgedragen kan worden aan [eiser].

1.4. Het bedrag van EUR 29.065,-- is vervolgens aan De Ontvanger betaald.

1.5. Bij brief van 25 april 2005 heeft De Ontvanger aan [eiser] gemeld dat het beslag van 11 januari 2005 ten laste van [A] is opgeheven.

1.6. Op 26 april 2005 heeft [eiser] met [A] en diens echtgenote een overeenkomst gesloten waarbij is overeengekomen dat [eiser] de caravan met inventaris voor een bedrag van EUR 29.065,-- van het echtpaar [A] koopt. De door [eiser] als lening verstrekte EUR 29.065,-- wordt aangemerkt als betaling van de koopprijs, zodat [eiser] en het echtpaar [A] de lening als volledig afgelost beschouwen.

1.7. Voorts is bij dezelfde overeenkomst van 26 april 2005 bepaald dat de caravan met inventaris door [eiser] aan het echtpaar [A] wordt verhuurd voor een bedrag van EUR 900,-- per half jaar. Al het noodzakelijke onderhoud en de vervanging van defecte zaken alsmede de kosten die te maken hebben met de standplaats van de caravan, met inbegrip van alle gemeentelijke heffingen en/of andere belastingen, komen voor rekening van het echtpaar [A]. Indien het echtpaar [A] zich niet aan de uit de overeenkomst op hen rustende verplichtingen houdt, is [eiser] gerechtigd de caravan met inventaris op kosten van het echtpaar [A] te verplaatsen naar een door [eiser] aan te wijzen locatie in Nederland.

1.8. Op 5 oktober 2005 heeft De Ontvanger ten laste van [A] uit hoofde van een zestal nieuwe betalingsbevelen executoriaal beslag doen leggen op de caravan met inventaris.

1.9. Naar aanleiding van het op 5 oktober 2005 gelegde beslag op de caravan met inventaris heeft [eiser] een beroepschrift ingediend bij de Directeur van de Belastingdienst. Het beroep is ongegrond verklaard.

1.10. Op 20 maart 2006 heeft De Ontvanger ten laste van [A] uit hoofde van een nieuw betalingsbevel executoriaal beslag doen leggen op de caravan met inventaris.

1.11. Op 27 maart 2006 om 14.00 uur is in opdracht van De Ontvanger de executieverkoop georganiseerd terzake de beslagen caravan en inventaris.

1.12. Het echtpaar [A] is een goede kennis van [eiser] en het administratiekantoor van de zoon van [eiser], A.K. Administraties te [plaats], verzorgt de financiële administratie van (het voormalige bedrijf van) [A].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - een verbod tot executoriale verkoop van de caravan en de inventaris alsmede opheffing van de op 5 oktober 2005 en 20 maart 2006 ten laste van [A] gelegde beslagen.

1.2. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] gesteld dat hij ingevolge de 2.6 bedoelde overeenkomst eigenaar is geworden van de caravan met inventaris. [eiser] betwist dat er sprake is van een fiduciaire eigendomsoverdracht. [eiser] stelt voorts dat hij, mede gelet op het veelvuldig contact met De Ontvanger en de brief van 25 april 2005 (zie 2.5), er op kon en mocht vertrouwen dat op grond van de betaling door [A] van EUR 29.065,-- aan De Ontvanger, de caravan met inventaris ten tijde van de koop beslagvrij was. De Ontvanger kan derhalve niet de eigendommen van [eiser] uitwinnen voor de schuld van [A].

3.3. De Ontvanger heeft als verweer naar voren gebracht dat, gelet op de inhoud en samenhang tussen de overeenkomsten van 22 april en 27 april 2006 er sprake is van een overdracht tot zekerheid. Deze fiduciaire eigendomsoverdracht is ingevolge het bepaalde van artikel 3:84 lid 3 BW geen geldige overdracht. [eiser] kan zich dan ook niet als eigenaar verzetten tegen de voorgenomen executie.

3.4. Voorts heeft De Ontvanger betoogd dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn op grond van het feit dat door de betaling van EUR 29.065,-- weliswaar het beslag van 4 maart 2005 was opgeheven (volgens De Ontvanger is in de brief van 25 april 2005 abusievelijk gesproken over het beslag van 11 januari 2005), maar dat ten tijde van de gepretendeerde koop het beslag van 10 januari 2005 nog steeds van kracht was. Volgens De Ontvanger was [eiser] ten tijde van de overeenkomst van 26 april 2005 op de hoogte van het bestaan van het beslag van 10 januari 2005, zodat hij geen derdenbescherming geniet.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

1. De beoordeling

1.1. Onderzocht dient te worden of de tussen [eiser] en het echtpaar [A] op 26 april 2005 gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst die strekt tot "werkelijke eigendomsoverdracht" danwel - zoals door De Ontvanger is betoogd - slechts tot zekerheid strekt. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW leidt fiduciaire overdracht namelijk niet tot een geldige eigendomsoverdracht.

1.2. In het arrest Keereweer/Sogelease (NJ 1996,119) is door de Hoge Raad bepaald dat indien een rechtshandeling van partijen tot 'werkelijke overdracht' strekt en de rechtshandeling derhalve de strekking heeft het goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan - en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed, dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt - dat er dan sprake van een geldige titel is en dat artikel 3:84 lid 3 niet van toepassing is. Dat is ook het geval indien de overeenkomst ertoe strekt, enerzijds dat een zaak door de overdrager aan de verkrijger wordt verkocht en overgedragen, anderzijds dat de zaak door de verkrijger tegen betaling aan de overdrager in gebruik wordt gegeven onder zodanige voorwaarden dat de verkrijger in het geval van wanprestatie van zijn wederpartij de overeenkomst slechts - voor wat betreft het gebruik - behoeft te ontbinden ten einde weer vrijelijk en volledig over zijn zaak te kunnen beschikken.

1.3. Gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst van 26 april 2005 acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter - later oordelende - zal beslissen dat de overeenkomst alle elementen van een koop- en huurovereenkomst bevat en dientengevolge moet worden aangemerkt als een rechtshandeling die tot werkelijke overdracht van de caravan met inventaris strekt. In de overeenkomst van 26 april 2005 wordt namelijk zonder enig voorbehoud het uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 22 april 2005 door [eiser] aan [A] ter beschikking gestelde bedrag van EUR 29.065,-- als betaling van de koopsom van de caravan met toebehoren aangemerkt. In tegenstelling tot de overeenkomst van 22 april 2005 kent de overeenkomst van 26 april 2005 ook geen enkele bepaling over termijnen van aflossing van de geldlening en geen bepaling over teruggave van de eigendom na aflossing van de geldlening. Ingeval van wanprestatie van het echtpaar [A] terzake de huurovereenkomst, is [eiser] zonder meer gerechtigd de caravan met inventaris te verwijderen en tot zich te nemen, zodat hij weer de volledige beschikking over de zaak (caravan met toebehoren) heeft.

1.4. Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de blokkerende werking van het beslag (in die zin dat de vervreemding van de caravan met toebehoren, indien de vervreemding tot stand is gekomen nadat de zaak in beslag genomen is, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen) geldt dat dit uitgangspunt uitzondering leidt indien geoordeeld moet worden dat - voor zover hier van belang - [eiser] ten tijde van de overeenkomst van 26 april 2005 te goeder trouw was.

1.5. Ter zitting is gebleken dat partijen in april 2005 enkele keren telefonisch contact met elkaar hebben gehad over de (voorgenomen) betaling van EUR 29.065,-- door [A] aan De Ontvanger. [eiser] heeft gesteld daarbij te hebben aangegeven dat indien betaling zou volgen, De Ontvanger hem zou moeten melden dat de caravan met inventaris, voor wat De Ontvanger betreft, vrij van beslag was. De brief van De Ontvanger van 25 april 2005 is volgens [eiser] daarvan het resultaat.

1.6. In de door [eiser] overgelegde brief van De Ontvanger van 25 april 2005 wordt gemeld "dat het beslag van 11 januari 2005 ten laste van de heer [A] is opgeheven". Uit deze brief kan niet (zonder meer) worden afgeleid dat ten tijde van de koop de caravan met inventaris beslagvrij was. Gebleken is echter ook dat op 11 januari 2005 nimmer beslag is gelegd.

1.7. Volgens De Ontvanger ziet de brief van 25 april 2005 slechts op het beslag van 4 maart 2005. De Ontvanger stelt dat destijds òòk telefonisch aan [eiser] is meegedeeld dat weliswaar na ontvangst van voormeld bedrag het beslag van 4 maart 2005 zou worden opgeheven, maar dat dit niet betekende dat ook het gelegde beslag van 10 januari 2005 zou zijn opgeheven.

1.8. [eiser] betwist dat De Ontvanger hem eind april 2005 mededelingen heeft gedaan over een beslag van 10 januari 2005 alsook dat na de betaling van EUR 29.065,-- de caravan met inventaris niet volledig vrij zou zijn van beslagen. [eiser] ontkent ook uit andere hoofde ten tijde van het sluiten van de onder 2.6 bedoelde overeenkomst van 26 april 2005 wetenschap te hebben gehad van een beslag van 10 januari 2005. [eiser] vermoedt dat de De Ontvanger hem verwart met zijn zoon, die de financiële belangen van [A] behartigt en destijds ook regelmatig telefonisch contact met De Ontvanger heeft gehad. [eiser] stelt voorts De Ontvanger duidelijk te hebben gemaakt dat het hem er om ging een overeenkomst met het echtpaar [A] te kunnen sluiten terzake een volledig beslagvrij object. Achterliggend doel van zijn aktie was er voor te zorgen dat het hem bevriende echtpaar [A] in de caravan zou kunnen blijven wonen. Had [eiser] wetenschap gehad van de mogelijkheid dat er nog ander beslag op de caravan met inventaris zou rusten, dan zou hij

-aldus [eiser]- de koopovereenkomst niet zijn aangegaan, noch het bedrag van EUR 29.065,-- aan [A] ter beschikking hebben gesteld.

1.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder de hiervoor onder 4.5 e.v. omschreven omstandigheden voorshands niet van de door de De Ontvanger gestelde wetenschap van [eiser] over het beslag van 10 januari 2005 kan worden uitgegaan. Om vast te kunnen stellen of [eiser] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van 26 april 2005 bekend was met het beslag van 10 januari 2005 dan wel bekend met het beslag behoorde te zijn en derhalve niet te goeder trouw was bij het aangaan van de overeenkomst, is dan ook nader onderzoek noodzakelijk. Daar leent een kort geding procedure zich echter niet voor, zodat voorshands van de goede trouw van [eiser] zal worden uitgegaan.

1.10. Gelet op het feit dat [eiser] ter zitting nadrukkelijk gesteld heeft dat zijn spoedeisend belang (met name) ligt bij het voorkomen van voormelde executieverkoop, is er onvoldoende aanleiding om de door De Ontvanger ten laste van [A] gelegde beslagen van 5 oktober 2005 en 20 maart 2006 op te heffen. De noodzaak om thans anders te beslissen is gesteld noch gebleken. Bovendien draagt afwijzing van dit deel van de vordering - voor het geval de bodemrechter ander mocht beslissen terzake de nietigheidgronden van artikel 3:84 BW - er toe bij dat het object (de caravan met inventaris) zo veel mogelijk voor verhaal in stand blijft, dan wel dat bij vervreemding door [eiser] van de caravan met inventaris, [eiser] jegens De Ontvanger aansprakelijk kan worden gehouden.

1.11. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt bij wege van voorlopige voorziening De Ontvanger de caravan met inventaris executoriaal te verkopen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,--,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2006.