Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8867

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan Vodafone Libertel N.V. een lichte bouwvergunning verleend, voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie.

Ten overvloede overwegingen m.b.t. gezondheidsrisico's UMTS-antennes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/195

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], en 86 anderen, zoals vermeld op de aangehechte lijst,

allen wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: J.P.E. Baakman, juridisch adviseur te Haaksbergen,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 13 december 2005, nummer 17432-HHV-u.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft verweerder aan Vodafone Libertel N.V. een lichte bouwvergunning verleend, voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie op het perceel [adres] te [woonplaats].

Tegen dit besluit zijn bij ongedateerde brieven, door verweerder ontvangen op 4 april 2005, op 25 april 2005, op 29 april 2005 en op 3 mei 2005 bezwaarschriften ingediend. Naar aanleiding van deze bezwaarschriften is op 13 juli 2005 een hoorzitting gehouden, waarbij de toenmalige bezwaarmakers in de gelegenheid zijn gesteld om hun bezwaarschriften tegenover de commissie voor de bezwaarschriften mondeling toe te lichten. Op 15 augustus 2005 heeft deze commissie advies uitgebracht. Vervolgens is het bezwaarschrift conform het advies van genoemde commissie bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op 20 januari 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 21 maart 2006 heeft de rechtbank Vodafone-Libertel N.V. in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij deel te nemen aan dit geding en om binnen vier weken een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Vodafone Libertel N.V. heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verweerder heeft op 20 maart 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 25 juli 2006 ter zitting behandeld. Eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door de heer [eiser A], bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer P.K. Mintjes en mw. A.M. Duiven.

3. Motivering

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of eisers ontvangen kunnen worden in hun beroep.

Artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit, bezwaar dient te maken, tenzij het besluit:

a. op bezwaar of in administratief beroep is genomen;

b. aan goedkeuring is onderworpen;

c. de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt, of

d. is voorbereid met toepassing van een van de in afdeling 3.5 geregelde procedures.

De rechtbank stelt vast dat eiser [eiser B], wonende aan de [adres B te woonplaats], geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2005, waarbij een lichte bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie op het perceel [adres] te [woonplaats]. Eiser kan dan ook niet ontvangen worden in zijn beroep.

Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

Aangezien de overige eisers wel bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2005, en niet gebleken is van omstandigheden welke er toe dienen te leiden dat zij niet ontvangen kunnen worden in hun beroep, is het beroep – voor zover ingediend namens de overige 86 eisers – wel ontvankelijk.

In geding is voorts de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank is vooreerst van oordeel dat verweerder eisers op goede gronden heeft ontvangen in hun bezwaren. Weliswaar is sprake van aanmerkelijke verschillen in afstand tussen de woningen van de verschillende eisers en de op te richten GSM-mast, maar gelet op het door eisers gestelde gezondheidsrisico – ook voor mensen die enkele honderden meters van een dergelijke mast verwijderd wonen – was een inhoudelijke beoordeling van hetgeen eisers hebben aangevoerd noodzakelijk.

De aanvraag voorziet in de oprichting van een mast ten behoeve van mobiele communicatie op het perceel [adres] te [woonplaats]. Dit perceel is gelegen op het industrieterrein van [woonplaats]. De mast heeft een bouwhoogte van 37,90 meter.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet luidt:

In afwijking van artikel 40, eerste lid, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder e van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele telecommunicatie, mits voldaan wordt aan de in dat artikellid genoemde kenmerken.

Op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, Bblb, is een lichte bouwvergunning vereist voor het bouwen van een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 3, eerste lid, bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken, met dien verstande dat van de bouwwerken, bedoeld in de aanhef van de onderdelen e en f, de hoogte, gemeten vanaf de voet van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager, gemeten vanaf de voet van de antennedrager, minder is dan 40 meter. Aangezien de op te richten mast niet voldoet aan alle in artikel 3, eerste lid, onder b van het Bblb bedoelde kenmerken, en de bouwhoogte minder dan 40 meter bedraagt, is voor het oprichten van de mast een lichte bouwvergunning vereist.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend (…)

Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Woningwet is, voor zover van belang, het eerste lid van artikel 44 van de Woningwet van overeenkomstige toepassing op de lichte bouwvergunning.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerrein kavel E 94 Nagele”. Ingevolge dit plan zijn de gronden waarop het bouwwerk beoogd is bestemd voor “industrie”. Op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de voorschriften bij dit bestemmingsplan zijn de op de kaart voor industrie aangewezen gronden bestemd voor ambachtelijke bedrijven, nijverheid, handel met uitzondering van detailhandelsbedrijven, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, dienstwoningen, bijgebouwen, kantoren, showrooms, andere bouwwerken en open terreinen, zoals opslag-, los- en laadplaatsen, wegen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. Masten ten behoeve van mobiele communicatie vallen derhalve niet onder deze bestemming. De omstandigheid dat verweerder het beleid voert om op het bedrijventerrein van elk dorp binnen de gemeente Noordoostpolder één mast ten behoeve van mobiele communicatie toe te staan doet er niet aan af dat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan aan deze gronden toegekende bestemming.

De rechtbank stelt vast dat verweerder enkel voor wat betreft de hoogte van het bouwwerk vrijstelling heeft verleend van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het te ver om in het besluit d.d. 22 maart 2005 mede een impliciete vrijstelling van de bestemming van de gronden waarop het bouwwerk beoogd is te lezen. Een zodanige vrijstelling kan niet, zonder dat het gehandhaafde besluit enige motivering bevat omtrent de vrijstelling van de aan deze gronden toegekende bestemming “industrie”, in dat besluit worden gelezen.

Aangezien geen vrijstelling is verleend van de aan de gronden toegekende bestemming “industrie”, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op het bepaalde in artikel 44, derde lid, jo. artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet had een lichte bouwvergunning derhalve moeten worden geweigerd.

Nu het bestreden besluit in strijd is met artikel 44 van de Woningwet, zal het worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding ook op enkele andere aspecten in te gaan.

Eisers vrezen dat de plaatsing van een installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie risico’s meebrengt voor hun gezondheid, vanwege de aanwezigheid van elektromagnetische velden. Eisers houden er voorts rekening mee dat de mast in de nabije toekomst tevens gebruikt zal worden voor UMTS, wat tot hogere veldsterktes zal leiden, en derhalve, naar eisers vrezen, grotere gezondheidsrisico’s voor omwonenden met zich zal brengen.

De rechtbank is, in navolging van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juli 2006, nummer 200508690/1, van oordeel dat ook de door eisers geuite vrees voor gezondheidsrisico’s ten gevolge van UMTS bij de belangenafweging dient te worden betrokken, nu aan de vergunde zendmast ook UMTS-antennes kunnen worden bevestigd. Dit is, blijkens voornoemde uitspraak, slechts anders indien sprake is van garanties – waaronder garanties van privaatrechtelijke aard – waaruit volgt dat het installeren van een UMTS-installatie (vooralsnog) niet is toegestaan. In casu is geen sprake van zodanige, in rechte afdwingbare, garanties.

Aangezien verweerder de deskundigheid mist om zich zelfstandig over deze gezondheidsrisico’s een oordeel te vormen, dient verweerder af te gaan op het advies van wetenschappers die geacht kunnen worden wel over de nodige deskundigheid op dit terrein te beschikken. Verweerder heeft, in het overgenomen advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, verwezen naar het COFAM-onderzoek van TNO, van september 2003, en naar het advies van de Commissie Elektromagnetische velden en van de Gezondheidsraad, van 28 juni 2004. Blijkens deze stukken zijn dergelijke gezondheidsrisico’s niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan voornoemd onderzoek en advies betekenis mogen toekennen. Er is geen reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en de wetenschappelijke integriteit van de bij voornoemd onderzoek en advies betrokken personen.

Het voorgaande laat onverlet dat het eisers vrijstaat andere wetenschappelijke onderzoeken over te leggen om aannemelijk te maken dat plaatsing van een installatie voor mobiele communicatie leidt tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Het ligt evenwel op de weg van degene die zich op dergelijke gezondheidsrisico’s beroept om te onderbouwen dat hiervan sprake is.

Eisers hebben, ter onderbouwing van hun standpunt dat elektromagnetische straling schadelijk is, een groot aantal publicaties overgelegd. Verweerder heeft, in het overgenomen advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, overwogen dat het zonder enig commentaar verwijzen naar een keur van rapporten en documenten niet de door eisers geuite twijfel aan de juistheid van de gevolgde adviezen van de Gezondheidsraad rechtvaardigt, en dat voorts niet is aangegeven welke conclusies uit de onderzoeken waar eisers zich op beroepen zouden moeten leiden tot twijfel aan hetgeen waar verweerder zich op baseert. Dit standpunt is in beginsel juist. De rechtbank stelt evenwel vast dat eisers bij aanvullend bezwaarschrift van 3 juni 2005 een overzicht van enkele epidemiologische onderzoeken aan verweerder hebben doen toekomen. Eisers hebben in dit overzicht summier aangegeven waarom zij menen dat de in dit overzicht vermelde wetenschappelijke onderzoeken relevant zijn voor de beoordeling van de gezondheidseffecten van zendmasten ten behoeve van mobiele communicatie. Eén van deze onderzoeken is door verweerders ook overgelegd. Dit betreft het rapport van dr. G. Oberfeld e.a, van 1 mei 2004 (“the microwave syndrome, further aspects of a Spanish study”), naar aanleiding van een onderzoek van het ‘Public Health Department’ te Salzburg (Oostenrijk), van een tweetal universiteiten te Valencia (Spanje) en van de ‘Foundation European Bioelectromagnetism’ te Madrid (Spanje). In zoverre kan dan ook niet gezegd worden dat eisers zonder enig commentaar naar dit rapport verwezen hebben en niet hebben aangegeven op welke conclusies uit dit onderzoek een beroep is gedaan. De rechtbank kan zich dan ook voorstellen dat verweerder hieraan in het nieuw te nemen besluit een nadere overweging wijdt.

Het beroep is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend namens G.M. Winkler, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover ingediend namens de overige 86 eisers, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen op het bezwaar dient te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,--, door de gemeente Noordoostpolder te betalen aan eisers;

- gelast dat de gemeente Noordoostpolder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, ten bedrage van € 138,--, vergoedt.

Gewezen door mr. R. A. Eskes en in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier in het openbaar uitgesproken op 5 september 2006.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 7 september 2006