Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8862

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
120109 / KG ZA 06-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Voldoende aannemelijk geworden dat executant geëxecuteerde tegen betaling van een bepaald bedrag ter voldoening aan het vonnis finale kwijting heeft verleend. Executant kan in redelijkheid niet alsnog gebruik maken van zijn executoriale titel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 120109 / KG ZA 06-169

Vonnis in kort geding van 7 juni 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. R.R. Schuldink,

advocaat mr. M.R. Tierie te Bunschoten,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. F. Zoer,

advocaat mr. C.F.J.M. Nelemans te Nieuw-Vennep.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 24 mei 2006, waarbij in plaats van mr. Tierie voornoemd mr. A. van Stuijvenberg, advocaat te Veenendaal, is verschenen

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is buiten gemeenschap gehuwd met [A]. [A], voorheen h.o.d.n. '[handelsnaam A]', heeft destijds in het kader van zijn onderneming een overeenkomst gesloten met [gedaagde]. Deze overeenkomst behelsde een taxatie van een onroerende zaak en verkoopprovisie van congrescentrum '[handelsnaam A]'.

2.2. Bij beslissing van deze rechtbank van 17 november 1993 is de aan [A] voorlopig verleende surséance van betaling ingetrokken en is [A] in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is later omgezet in een wettelijke schuldsanering.

2.3. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 1994 (rolnummer 328/93) zijn [A] en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld om een bedrag van fl. 31.297,04 aan [gedaagde] te voldoen, vermeerderd met rente en kosten.

2.4. Bij arrest van 7 januari 1999 heeft het gerechtshof Amsterdam in de zaak [eiseres]/Rabobank Niedorp BA de Rabobank Niedorp BA (hierna: de Rabobank) veroordeeld om aan [eiseres] een schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat.

2.5. Op 19 november 1999 heeft [gedaagde] uit hoofde van voormeld vonnis van 14 juli 1994 executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van [eiseres] onder de Rabobank. Nadien heeft tussen [gedaagde] en [eiseres] ten kantore van de toenmalig raadsman van [eiseres] (mr. Bouwman) een bespreking plaatsgevonden, waarbij ook [A] aanwezig was. Dit gesprek heeft in ieder geval geresulteerd in een afspraak tussen [eiseres] en [gedaagde], inhoudende dat [gedaagde] het beslag onder de Rabobank zou opheffen, indien [eiseres] een bedrag van fl. 20.000,-- zou betalen. De inhoud van het gesprek en wat partijen hebben afgesproken, is niet schriftelijk vastgelegd. Dit kwam neer op ca. 2/3 van de oorspronkelijke hoofdsom ad fl. 31.297,04. [gedaagde] zou zijn restant-vordering indienen in het faillissement van [A].

2.6. Op of omstreeks 16 december 1999 heeft [gedaagde] de curator in het faillissement van [A], mr. E.J. Westerhuis, verzocht zijn vordering op [A] ad fl. 45.000,-- (hoofdsom fl. 31.297,04 vermeerderd met de tot dan toe gemaakte kosten) op de crediteurenlijst te plaatsen.

2.7. Op of omstreeks 24 december 1999 is het in r.o. 2.5 vermelde bedrag van

fl. 20.000,-- namens [eiseres] uitbetaald aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft hierop het derdenbeslag onder de Rabobank opgeheven.

2.8. Bij brief van 21 februari 1994 heeft de curator aan (de toenmalig raadsman van) [gedaagde] meegedeeld dat de vordering van [gedaagde] ad fl. 45.000,-- op de lijst van voorlopig erkende crediteuren was geplaatst. Nadien is geregeld gecorrespondeerd tussen de curator/bewindvoerder en [gedaagde].

2.9. In het kader van de schuldsaneringsregeling van [A] heeft op 24 mei 2004 homologatie van het liquidatieakkoord plaatsgevonden. Op de lijst van erkende preferente en concurrerende schuldeisers komt de vordering van [gedaagde] op [A] ad fl. 45.000,-- niet voor.

2.10. Op of omstreeks 6 april 2006 heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen onder de werkgever van [eiseres], op de woning van [eiseres] en op twee personenauto's van [eiseres] voor een bedrag van EUR 32.268,56.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert -samengevat- staking van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 juli 1994, op straffe van een dwangsom.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid, omdat:

- het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Volgens [eiseres] was de procedure voor de rechtbank Alkmaar van rechtswege geschorst ex artikel 29 Fw in verband met de faillissementsprocedure van [A]. [eiseres] is pas in kennis gesteld van het vonnis door het executoriale beslag onder de Rabobank, 5 jaar later. [eiseres] betwist bij gebrek aan kennis dat het vonnis ooit aan haar is betekend,

- door na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard,

- na het vonnis tussen partijen een mondelinge overeenkomst is gesloten, inhoudende dat [eiseres] fl. 20.000,-- aan [gedaagde] zou betalen tegen finale kwijting en [gedaagde] zijn restant-vordering via het faillissement van [A] zou verhalen. Dat dit laatste niet is gelukt, is niet aan [eiseres] tegen te werpen,

- [eiseres] reeds bevrijdend heeft betaald op grond van de mondelinge overeenkomst tussen partijen,

- er sprake is van schuldeisersverzuim.

3.2. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] stelt onder andere [eiseres] niet te hebben ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen uit het vonnis. [eiseres] heeft slechts een deelbetaling gedaan. Zij heeft in dat kader alleen de omvangrijke kosten betaald, niet de hoofdsom, waartegenover hij het beslag heeft opgeheven. Als een overeenkomst tot stand is gekomen, is die volgens [gedaagde] aantastbaar, omdat deze niet geheel tot uitvoering is gekomen. Bij de afwikkeling van het faillissement van [A] is aan hem immers niets uitgekeerd.

[gedaagde] betwist dat executie door na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal doen ontstaan.

Tenslotte betwist [gedaagde] dat er sprake is van schuldeisersverzuim. In verband met artikel 340 lid 2 Fw is de vordering van [gedaagde] ten opzichte van [A] vermoedelijk door de homologatie van het akkoord tenietgegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt is dat [gedaagde] uit hoofde van het vonnis van 14 juli 1994 beschikt over een executoriale titel, uit hoofde waarvan [eiseres] gehouden is een bedrag van

EUR 31.297,04 in hoofdsom aan [gedaagde] te voldoen.

4.2. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen c.q. staken, indien hij van oordeel is dat de executant -mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad- geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien:

a. het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;

b. de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;

c. er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan executant in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht tot executie van het vonnis in kwestie.

4.3. [eiseres] heeft gesteld dat het vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische misslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de procedure voor de rechtbank Alkmaar van rechtswege was geschorst op grond van artikel 29 Fw in verband met het faillissement van [A].

4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een juridische misslag geen sprake is. Niet alleen is niet aannemelijk geworden dat de rechtbank Alkmaar bekend was met het faillissement van [A] en lijkt het er op dat de raadslieden van paertijen, die wel op de hoogte waren van dat faillissement, welbewust hebben besloten de procedure voort te zetten, bovendien bracht het faillissement van [A] niet mee dat de procedure tegen [eiseres] ook geschorst had moeten worden. Het ligt voor de hand dat wanneer de rechtbank op de hoogte zou zijn geweest van het faillissement van [A] de procedure voorzover die betrekking had op [A] geschorst was en dat de procedure voor wat betreft [eiseres] zou zijn voortgezet.

4.5. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat executie vanwege na het vonnis voorgevallen feiten of omstandigheden klaarblijkelijk een noodtoestand aan haar zijde zal doen ontstaan.

4.6. [eiseres] heeft zich er voorts op beroepen dat partijen na het vonnis een mondelinge overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat zij ter uitvoering van het vonnis fl. 20.000,-- zou betalen aan [gedaagde] tegen finale kwijting. [eiseres] stelt dat zij niets meer verschuldigd is aan [gedaagde]. Door het vonnis alsnog ten uitvoer te leggen, maakt [gedaagde] misbruik van recht, stelt zij. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.7. Partijen zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat [eiseres] [gedaagde]

fl. 20.000,-- zou betalen, waartegenover [gedaagde] het door hem gelegde derdenbeslag zou opheffen. De voorzieningenrechter acht, gelet op hetgeen partijen hebben verklaard over de door hen gemaakte afspraken, voorshands aannemelijk dat [gedaagde] [eiseres] tegen betaling van het bedrag van fl. 20.000,-- finale kwijting heeft verleend, zoals [eiseres] heeft verklaard. Daarbij is van belang dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij [eiseres] ter wille wilde zijn en dat hij toen hij de afspraak maakte er vanuit ging dat hij een deel van zijn restant-vordering uit het faillissement van [A] zou ontvangen. Wanneer hij uit dat faillissement een betaling zou hebben ontvangen zou hij, zo heeft hij verklaard, geen reden hebben gezien om zich voor het restant op [eiseres] te verhalen.

[eiseres] heeft verklaard dat zij er vanuit is gegaan dat [gedaagde] na de betaling van fl. 20.000,-- niets meer van haar te vorderen had.

Aldus staat met voldoende mate van zekerheid vast, dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] na betaling van fl. 20.000,-- finaal gekweten zou zijn. Het feit dat [gedaagde] het beslag heeft opgeheven en [eiseres] jarenlang niet heeft aangesproken, is daarmee ook in overeenstemming.

4.8. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat de overeenkomst aantastbaar zou zijn. [eiseres] is haar verplichting uit die overeenkomst - betaling van

fl. 20.000,-- - nagekomen. Dat [gedaagde] zich niet heeft kunnen verhalen in het faillissement van [A] is niet te wijten aan [eiseres], doch -als de stellingen van [gedaagde] juist zijn- mogelijk aan onzorgvuldigheid van de curator/bewindvoerder, daarin bestaande dat hij [gedaagde] ten onrechte niet heeft opgeroepen voor de verificatievergadering.

Dat [gedaagde] zich niet heeft kunnen verhalen in het faillissement van [A] is mogelijk ook te wijten aan de handelwijze van [A]. Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering van 12 mei 2004 inzake de schuldsaneringsregeling van [A] blijkt dat [A] ten overstaan van de rechter-commissaris geen op- of aanmerkingen heeft gemaakt ten aanzien van de uiteindelijke lijst van erkende preferente en concurrerende schuldeisers. [A] heeft daaromtrent ter zitting in dit kort geding verklaard dat hij wel wist dat de vordering van [gedaagde] ontbrak op de lijst, maar dat hij op advies van een medewerker van het kantoor van de curator/bewindvoerder van melding heeft afgezien, omdat "opmerkingen gemaakt op de verificatievergadering toch geen verschil meer zouden maken voor de afwikkeling van het faillissement".

4.9. Wat hier verder ook van zij, de omstandigheid dat in het kader van het faillissement van [A] niets aan [gedaagde] is uitgekeerd kan niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. Zij is niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, zodat [gedaagde] de overeenkomst niet kan ontbinden. Dat de overeenkomst om een andere reden aantastbaar zou zijn, is niet aannemelijk geworden. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt niet dat de overeenkomst onder invloed van dwaling of een wilsgebrek is aangegaan.

4.10. Voorshands wordt geoordeeld dat [gedaagde] bij het aangaan van de mondelinge overeenkomst afstand heeft gedaan van zijn rechten uit het vonnis tegen betaling door [eiseres] van fl. 20.000,--. Daardoor heeft de executoriale titel haar (materiële) rechtskracht verloren. [gedaagde] kan het vonnis van 14 juli 1994 dan ook niet in redelijkheid ten uitvoer leggen.

Hij dient de executie van het vonnis te staken.

4.11. Derhalve zal het gevorderde worden toegewezen in na te melden zin.

De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren.

4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.236,87

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde] de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 1994 (rolnummer 328/93) te staken en gestaakt te houden,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij, nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken, in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van EUR 250,--, tot een maximum van EUR 35.000,--,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.236,87,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2006.