Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8854

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-07-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
121906 / KG ZA 06-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering curator tot veroordeling van gedaagden, vader en zoon, om mee te werken aan verkoop en levering van de hen in eigendom toebehorende woning. Indien de curator al met toepassing van artikel 58 Fw buiten de bank om de woning kan verkopen, geldt dat slechts het aandeel van de vader (de failliet), niet dat van de zoon. De bank kan haar medewerking aan doorhaling van de hypotheek weigeren, zolang niet de gehele hypothecaire schuld is voldaan.

Van gewichtige redenen voor machtiging tot verkoop op grond van artikel 3:174 BW is voorshands ook niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 121906 / KG ZA 06-246

Vonnis in kort geding van 10 juli 2006

in de zaak van

MR. T.L.P. NGUYEN,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [A],

wonende te Lelystad,

eiseres,

procureur mr. T.L.P. Nguyen,

tegen

1. [B],

wonende te [plaats],

2. [C],

wonende te [plaats],

toevoegingen aangevraagd,

gedaagden,

procureur mr. H. Hulshof.

Partijen zullen hierna de curator en [B c.s.], respectievelijk [B] en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling van 26 juni 2006

- de pleitnota van de curator

- de pleitnota van [B c.s.].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [A]. Van de huwelijksgemeenschap maakt deel uit de onverdeelde helft van de eigendom van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

De woning is gemeenschappelijk eigendom van [B] en [C].

2.2. [A] en [B] hebben de zorg over hun meervoudig gehandicapte zoon, [D]. Middels subsidie van het WVG is de woning aangepast aan de handicap van de zoon.

2.3. Bij akte van 12 juli 2004 heeft de SNS Bank hypotheek op de woning verstrekt aan [B] en [C]. In de akte is bepaald dat de hypotheekgevers ieder hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk zijn voor alle verplichtingen uit de akte voortvloeiende, die de SNS Bank op één of meer van hen mocht hebben. De restant hypotheekschuld bedraagt ongeveer EUR 380.000,--.

2.4. Bij vonnis van deze rechtbank van 16 september 2004 is [A] in staat van faillissement verklaard, zulks met benoeming van mr. Nguyen tot curator.

2.5. Medio 2005 heeft de curator aangegeven de woning te willen verkopen. Bij brief van 20 oktober 2005 heeft de curator de SNS Bank geïnformeerd over een geïnteresseerde koper. De SNS Bank heeft aangegeven mede vanwege het sociale aspect geen noodzaak te zien voor verkoop. [B] heeft aan de curator aangegeven dat hij de woning zelf wilde overnemen.

2.6. Bij brief van 8 februari 2006 heeft de curator de SNS Bank een termijn van twee maanden gesteld om tot uitoefening van het recht van SNS Bank overeenkomstig artikel 57 Fw over te gaan.

2.7. Na ommekomst van voormelde termijn heeft de curator de SNS Bank bij brief van 31 mei 2006 bericht dat zij gerechtigd is de woning op te eisen en zelf op de voet van artikel 58 jo. 176 Fw te verkopen.

2.8. De woning, die thans een WOZ-waarde van EUR 412.000,-- heeft, is door Pandoma makelaars te Lelystad in opdracht van de curator getaxeerd. Pandomo makelaars heeft de onderhandse verkoopwaarde getaxeerd op EUR 417.000,--. De woning is door de curator via Pandomo makelaars te koop aangeboden. De vraagprijs is EUR 439.000,--.

2.9. Bij brief van 30 mei 2006 heeft de heer [E], wonende te [plaats], aan de curator meegedeeld dat hij zijn eerder uitgebrachte bod op de woning (EUR 417.500,-- k.k.) slechts gestand wil doen tot 1 juli 2006. Hij schrijft dat, indien de levering van de woning en/of het passeren van de transportakte na die datum doch nog tijdig voor afloop van de verlengingstermijn van drie maanden niet mocht plaatsvinden, hij zijn bod dan verlaagt met EUR 1.000,-- per maand, dan wel een gedeelte van een maand dat de inschrijving in het register plaatsvindt na 1 juli 2006.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert -samengevat- dat [B c.s.] veroordeeld worden om de curator te machtigen de woning te gelde te maken en om mee te werken aan verkoop en levering van de woning. De curator stelt recht en spoedeisend belang te hebben bij onderhandse verkoop van de woning. Volgens haar hebben [B c.s.] in ieder geval impliciet ingestemd met verkoop van de woning. Om die reden dienen zij thans mee te werken aan de effectuering van de verkoop van de woning. De curator baseert haar vordering op artikel 3:174 BW. Er is achterstand met betrekking tot de hypothecaire aflossingsverplichtingen en met betrekking tot de vaste lasten. De curator stelt dat zij mondeling overeenstemming heeft met [E], die de woning wil kopen voor EUR 417.500,-- k.k., mits levering plaatsvindt vóór 1 juli 2006. De curator stelt bevoegd te zijn tot verkoop op grond van artikel 58 Fw, nu hypotheeknemer SNS Bank niet binnen de door de curator gestelde termijn is overgegaan tot uitoefening van haar rechten. Volgens de curator komt

EUR 208.750,-- (de helft van de verkoopprijs) toe aan de boedel.

Zij stelt ingegaan te zijn op het bod van [E], omdat de verkoopprijs ver boven de getaxeerde waarde ligt en [B] financieel niet in staat is de woning over te nemen.

3.2. [B c.s.] hebben verweer gevoerd. [B c.s.] stellen zich allereerst op het standpunt dat de curator niet beschikkingsbevoegd was om de woning te verkopen, omdat er sprake is van mede-eigendom, zodat slechts de helft van de eigendom van de woning in de failliete boedel valt. Volgens [B c.s.] heeft [C] geen toestemming gegeven voor verkoop.

Volgens [B c.s.] zijn er geen gewichtige redenen in de zin van artikel 3:174 BW aanwezig om de curator te machtigen de woning te gelde te maken.

[B c.s.] betwisten ook het spoedeisend belang bij het gevorderde. Het is niet te verwachten dat, indien de verkoop aan [E] geen doorgang vindt, er geen andere koper meer gevonden zou kunnen worden, die bereid is tenminste dezelfde prijs voor de woning te betalen. Bovendien bestaat, indien de curator akkoord gaat met storting van EUR 20.000,-- (de helft van de overwaarde op de woning), de mogelijkheid voor [B] om de woning over te nemen. [B] stelt daar belang bij te hebben, gezien de aanpassingen in de woning ten behoeve van zijn inwonende gehandicapte zoon en gezien de omstandigheid dat het niet mogelijk is om op korte termijn een andere aangepaste woning te vinden. Volgens [B c.s.] weegt het belang van de curator bij verkoop minder zwaar dan het belang van [B c.s.] bij afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van de curator komen er op neer dat [B c.s.] worden veroordeeld om mee te werken aan verkoop en levering van de woning. Een dergelijke vordering is slechts dan voor toewijzing vatbaar, indien het hoogst waarschijnlijk is dat deze in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Toewijzing van een dergelijke vordering komt, gezien de aard daarvan, immers vrijwel op een definitieve voorziening neer.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen tegen [B] onnodig zijn. De curator heeft de medewerking van [B] immers niet nodig bij door haar te verrichten beschikkingshandelingen betreffende de woning, nu het faillissement van [A] wordt aangemerkt als het faillissement van de gemeenschap van goederen waarin [B] en [A] zijn gehuwd (artikel 63 Fw.). Het aandeel van [B] in de woning valt in de gemeenschap van goederen en derhalve onder de reikwijdte van het faillissement.

4.3. Nu de woning gemeenschappelijk eigendom is van [B] en [C] kan de curator er alleen met toestemming van [C] over beschikken. Zij is niet bevoegd om de woning zonder de toestemming van [C] te verkopen.

4.4. De meest vergaande stelling van de curator is dat [C] dient mee te werken aan de verkoop van de woning, omdat hij haar (impliciet) gemachtigd heeft de verkoop te bewerkstelligen. Nu [B c.s.] een en ander gemotiveerd hebben betwist

-en deze procedure zich niet leent voor bewijslevering- kan de voorzieningenrechter niet uitgaan van de juistheid van de stellingen van de curator in dezen. Deze grondslag van de vordering van de curator is dan ook ondeugdelijk.

4.5. De curator heeft betoogd dat zij wanneer zij de woning kan verkopen aan [E] aanspraak kan maken op de helft van de bedongen koopsom, EUR 208.750,--. Dat bedrag zou rechtstreeks toekomen aan de boedel en pas nadat de omslag van de algemene faillissementskosten heeft plaatsgevonden aan de SNS-Bank hoeven te worden uitgekeerd. Een en ander zou volgens haar voortvloeien uit het feit dat de SNS-Bank op grond van de werking van artikel 58 Fw haar positie als separatist verloren heeft.

4.6. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit betoog van de curator onjuist. De curator miskent dat de vordering van de SNS-Bank op [B c.s.] een hoofdelijk karakter heeft. [C] is niet failliet. Op zijn verhouding met de SNS-Bank is artikel 58 Fw niet van toepassing. Indien de curator al met toepassing van artikel

58 Fw buiten de SNS-Bank om kan verkopen, geldt dat slechts het aandeel van [B], niet dat van [C].

Dat betekent dat de SNS-Bank bij een eventuele verkoop van de woning -wat er ook zij van hetgeen de curator heeft betoogd over de betekenis van artikel 58 Fw in dit geval- haar medewerking aan doorhaling van de, ook tot zekerheid van de vordering van de SNS-Bank op [C] gevestigde hypotheek, kan weigeren zolang niet de gehele hypothecaire schuld, waarvoor [C] hoofdelijk aansprakelijk is, is voldaan.

4.7. De slotsom is dat de veronderstelling van de curator dat zij bij de door haar gewenste verkoop aan [E] een bedrag van EUR 208.750,-- in de boedel zal ontvangen, onjuist is. [E] zal alleen bereid zijn de koopsom te betalen wanneer de curator, zoals zij als verkoper verplicht is, vrij van hypotheken en beslagen kan leveren. Aan deze verplichting kan de curator niet voldoen zolang de vordering van de bank op [C] niet is voldaan.

Vooralsnog dient er van te worden uitgegaan dat de curator bij realisering van de door haar gewenste verkoop aan [E] voor de boedel aanspraak kan maken op een bedrag van minder dan EUR 20.000,--.

4.8. De curator heeft haar vorderingen ook gebaseerd op artikel 3:174 BW.

Ingevolge die bepaling kan de rechter een deelgenoot van de gemeenschap ten behoeve van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, waar de rechter -en dat geldt eens te meer voor de voorzieningenrechter- terughoudend mee dient om te gaan.

4.9. De curator heeft aangevoerd dat sprake is van een gemeenschappelijke schuld. Volgens haar is sprake van een achterstand in de betaling van de maandelijkse hypotheeklasten. Ter zitting is gebleken dat sprake is van een -geringe- achterstand. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt deze achterstand echter niet de verkoop van de woning. Daarbij is van belang dat gebleken is dat in het verleden (geringe) achterstanden steeds zijn ingelopen. [B] heeft ter zitting aangegeven dat [C] de huidige achterstand met betrekking tot de hypotheeklasten zal gaan inlopen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren. Daarbij komt dat de SNS Bank verkoop thans kennelijk niet noodzakelijk vindt.

4.10. Ook van andere gewichtige redenen in de zin van artikel 3:174 lid 1 BW is voorshands niet gebleken. Daarbij is het volgende van belang:

- De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat, zoals de curator heeft gesteld, het uitgebrachte bod op de woning zo uniek is dat de curator dat bod in feite niet kan laten lopen. Het bod ligt immers, zoals [B c.s.] onweersproken hebben aangevoerd, ruimschoots onder de vraagprijs en is nauwelijks hoger dan de WOZ-waarde van de woning. Voorshands is niet aannemelijk dat er geen andere gegadigden zullen komen, die bereid zijn tenminste dezelfde prijs voor de woning te betalen;

- Zoals hiervoor is overwogen ontvangt de boedel bij de door de curator voorgenomen verkoop geen ruim EUR 200.000,--, maar nog geen EUR 20.000,--. Wanneer de verkoop niet doorgaat ontgaat de curator niet de mogelijkheid om de SNS-Bank "de loef af te steken". Die mogelijkheid heeft ze ook bij de door haar gewenste verkoop niet;

- Tegenover het (relatief beperkte) belang van de boedel staat het belang van [B] en het (daarvan afgeleide) belang van [C], dat [B], zijn echtgenote en hun gehandicapte zoon niet per 1 juli 2006 op straat komen te staan. Het is genoegzaam gebleken dat de woning bij uitstek geschikt is voor bewoning door [B] en zijn gezin. Eveneens is gebleken dat het voor hen vrijwel onmogelijk is om een vergelijkbare, geschikte woning te vinden, zeker op korte termijn. Daarbij komt dat het voorshands niet onmogelijk is dat [B c.s.] in staat zijn om de curator een voorstel te doen dat er op neerkomt dat de boedel een bedrag ontvangt dat minimaal gelijk is aan het bedrag dat de boedel ontvangt bij verkoop van de woning aan [E].

4.11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet met hoge mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de gevraagde voorzieningen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Derhalve zullen de vorderingen worden afgewezen.

4.12. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. In verband met de toevoegingsaanvraag van [B c.s.] wordt de definitieve beslissing over de kostenveroordeling aangehouden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. houdt de beslissing over de proceskosten aan totdat door de Raad voor Rechtsbijstand op de toevoegingsaanvraag van [B c.s.] is beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2006.