Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8852

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
07/607259-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dodelijk verkeersongeval te Creil; aan schuld te wijten; roekeloos rijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 308

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer te Lelystad

Parketnummer: 07/607258-06

Uitspraak: 26 september 2006

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Polat, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. S. Buis, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte voor het primair onder a. en b. ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest;

- een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs reeds ingehouden is geweest.

De officier van justitie heeft voorts de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto, merk VW, type Golf, kleur: rood,

kenteken: [kenteken].

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)

Ten aanzien van hetgeen subsidiair is ten laste gelegd heeft de steller daarvan, mede gelet op hetgeen primair is ten laste gelegd en de gekozen bewoordingen zoals vermeld onder hetgeen subsidiair ten laste is gelegd, bedoeld het verwijt in die zin te kwalificeren als zijnde tezamen en in vereniging gepleegd. De rechtbank vat dit op als een kennelijke misslag en zal de tenlastelegging als in die zin gewijzigd lezen.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging voorts een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

Door de officier van justitie is betoogd dat beide verdachten in voorwaardelijke zin opzet hebben gehad op de dood van de slachtoffers omdat - kort gezegd - beide verdachten gezamenlijk hebben besloten tot het houden van een onderlinge wedstrijd op het Creilerpad, verdachte [naam] op het moment dat men besloot weg te rijden de slachtoffers heeft zien staan langs de weg en zij beiden slechts oog hebben gehad voor elkaar. Zij hebben niet het oog gehad op de weg en zij hebben niet geanticipeerd op eventueel komend (verkeers)gevaar. Aldus hebben zij, zo heeft de officier van justitie gesteld, welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers aanvaard en is er sprake van (poging tot) doodslag.

Door de verdediging is daartegen verweer gevoerd. De verdediging heeft daartoe onder meer gesteld dat uit het onderzoek van het NFI naar de remsporen blijkt dat verdachten niet hebben geraced en dat het Creilerpad niet geschikt is om te racen. Volgens de verdediging is sprake van een tragisch ongeval als gevolg van een samenloop van omstandigheden, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt daaromtrent het navolgende.

Ondanks het gegeven dat ook de rechtbank van oordeel is dat genoegzaam op basis van verklaringen is vast komen te staan dat voornoemde door het openbaar ministerie aangevoerde omstandigheden aan de orde zijn geweest, stelt de rechtbank vast dat deze omstandigheden niet leiden tot de juridische constatering dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is de vraag of verdachten door hun handelen een (naar algemene ervaringsregels) aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel in het leven hebben geroepen.

De rechtbank is van oordeel dat deze aanmerkelijke kans inderdaad aan de orde was, nu verdachten met hun auto's tegelijkertijd en zeer snel zijn opgetrokken op een weg waaraan woningen zijn gelegen, teneinde te bezien wie van hen het snelste was, waardoor zij op elkaar gericht zijn geweest en - naar is gebleken - nauwelijks oog voor hun omgeving hebben gehad. In die zin is er sprake geweest van zeer roekeloos rijgedrag van de verdachte en de medeverdachte.

Vervolgens rijst de vraag of hier sprake is geweest van het welbewust aanvaarden (op de koop toe nemen) van het uiteindelijke gevolg voorafgaande aan het delict (opzet) dan wel van een situatie waarin de beide verdachten de kans op het intreden van het gevolg hebben onderkend maar er zich niet welbewust aan hebben bloot gesteld, met andere woorden: men heeft gedacht dat het risico zich niet zou verwezenlijken (bewuste schuld).

De rechtbank is van oordeel dat zich de laatstgenoemde situatie heeft voorgedaan waaruit volgt dat er geen sprake is geweest van opzet.

De verdachte dient dan ook van het primair onder a. en b. ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 10 juni 2006 te Creil, gemeente Noordoostpolder, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het Creilerpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], met de door hun bestuurde auto's op het Creilerpad te gaan rijden en vervolgens naast elkaar te gaan stilstaan met de door hun bestuurde auto's en vervolgens een afspraak met elkaar te maken om op dat moment op dat Creilerpad een snelheidswedstrijd met hun auto's te houden en vervolgens, terwijl [slachtoffer] (geboren op 24 mei 2006), gelegen in een kinderwagen, en haar moeder en broertje (te weten [naam], [naam] (geboren op 14 juli 2004), beiden te voet, ongeveer 200 meter verderop het Creilerpad overstaken, althans aanstalten maakten het Creilerpad over te steken, met hun wedstrijd een aanvang te maken en vol accelerend en zeer snel optrekkend, met beide auto's naast elkaar weg te rijden, waarbij binnen 200 meter, verdachte een snelheid bereikte van minimaal meer dan 60 kilometer per uur en waarbij verdachte zijn mededader is voorbijgereden en waarbij hij voor zijn mededader is gaan rijden en verdachtes mededader een snelheid bereikte van minimaal meer dan 60 kilometer per uur en waarna vervolgens verdachte tegen de wandelwagen, waarin [slahtoffer] zich bevond is gebotst, waarbij voornoemde [naam] uit de wandelwagen is geslingerd en op het wegdek is beland en verdachte vervolgens tegen die [naam] is aangereden/gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [naam]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 en medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat:

- hij ten opzichte van zijn (meer kwetsbare) medeweggebruikers geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel heeft getoond;

- zijn zeer roekeloos rijgedrag heeft geleid tot de dood van de ruim twee weken oude

[slachtoffer] en tot lichamelijk letsel van de moeder, [naam];

- het gezin [naam] en de verdere nabestaanden daardoor onherstelbaar leed is aangedaan;

- dat het dagelijks leven van het gezin [naam] door dit gebeuren in grote mate is

ontwricht;

- dat naar algemene ervaringsregels moet worden aangenomen dat het tevens bij de botsing/aanrijding betrokken bijna 2-jarige zoontje van het gezin [naam] op korte of

lange termijn problemen zal kunnen ondervinden tengevolge van deze zeer traumatische

gebeurtenis.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De omstandigheid dat de verdachte de slachtoffers tevoren langs de kant van de weg heeft zien staan en dat hij degene is geweest die de slachtoffers feitelijk heeft aangereden, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat bij verdachte sprake is van een grotere mate van roekeloosheid dan in het geval van de medeverdachte [naam]. Deze grotere mate van roekeloosheid en de daaruit voortvloeiende grotere mate van verwijtbaarheid dient naar het oordeel van de rechtbank tot uitdrukking te komen in een zwaardere straf voor de verdachte.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, naast het opleggen van na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de maximale duur noodzakelijk is, met name ter beveiliging van het verkeer in de toekomst.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslaggenomen personenauto, merk: VW, type: Golf GT, kleur: rood, kenteken [kenteken], dient te worden verbeurdverklaard, omdat de feiten met behulp van dit aan de verdachte in eigendom toebehorende motorrijtuig zijn begaan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 17 augustus 2006 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 8 september 2006 uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op:

- de artikelen 10, 27, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het primair onder a. en b. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 5 jaar.

De tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden is geweest vóór het tijdstip waarop voornoemde bijkomende straf ingaat, wordt op de duur van deze ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd een personenauto, merk: Volkswagen, type Golf GT,

kleur: rood, kenteken: [kenteken], chassisnummer: WVWZZZ1GZLB087387.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G.J.J.M. Essink en C.W. van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2006.

De griffier voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.