Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8785

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
25-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/1930
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BD1627, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht de WW-uitkering van eiser heeft beëindigd vanwege het onvoldoende nakomen van de sollicitatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 05/1930

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr.drs. H.M.A.W. Erven,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Almere), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 12 oktober 2005.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 23 mei 2005 wordt beëindigd.

Tegen dit besluit is op 29 juni 2005 een bezwaarschrift ingediend. Op 20 september 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 28 oktober 2005 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 10 februari 2006 een verweerschrift ingezonden. Het beroep is op 22 mei 2006 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor.

De behandeling is vervolgens geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Hiervan heeft verweerder bij brief van 15 juni 2006 gebruik gemaakt. Eiser heeft daarop bij brief van 7 juli 2006 gereageerd. Vervolgens hebben partijen bij brieven van 19 en 26 juli 2006 toestemming gegeven te bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Hierop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht de WW-uitkering van eiser met ingang van 23 mei 2005 heeft beëindigd vanwege het onvoldoende nakomen van de sollicitatieverplichting in de periode van 25 april 2005 tot en met 22 mei 2005.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 24 oktober 2003 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft eiser bij besluit van 24 november 2004 met ingang van 3 november 2003 voor de duur van drie jaar een loongerelateerde WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 10 december 2003 heeft verweerder de WW-uitkering beëindigd, omdat eiser met ingang van 10 november 2003 niet langer werkloos was. In de daaropvolgende periodes is de uitkering van eiser enkele malen herleefd, doordat eiser wisselende aantallen uren per week werkte.

Bij besluit van 19 januari 2004 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser met ingang van 5 januari 2004 gedurende 20 weken met 20% gekort, omdat eiser over de periode van 8 december 2003 tot en met 4 januari 2004 onvoldoende had gesolliciteerd.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 23 mei 2004 werd gekort met 30% voor 123 dagen, omdat hij in de periode van 26 april 2004 tot en met 23 mei 2004 onvoldoende had gesolliciteerd.

Op 22 februari 2005 heeft eiser een nieuwe aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft verweerder eiser met ingang van 14 februari 2005 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser met ingang van 28 maart 2005 verlaagd met 30% voor 16 weken, omdat eiser in de periode van 28 februari tot en met 27 maart 2005 onvoldoende heeft gesolliciteerd.

Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden als weergegeven onder 2. van deze uitspraak.

Eiser is het niet eens met de beëindiging van zijn WW-uitkering. Naar zijn mening is er te weinig onderzoek gedaan en als gevolg daarvan in onvoldoende mate rekening gehouden met de omstandigheden van het geval. Hij heeft alles gedaan om aan het werk te blijven en is er lange tijd van uitgegaan dat het iedere week contact opnemen met het uitzendbureau om te horen hoe veel hij de daaropvolgende week kon werken voldoende was. Gelet op het feit dat hij vaak aan het werk was, is het onverkort vasthouden aan vier sollicitaties per vier weken niet redelijk. In de onderhavige periode heeft eiser drie sollicitaties verricht.

Verweerder is van mening dat het wekelijks informeren bij het uitzendbureau geen concrete sollicitatieactiviteit is. Eiser was daarvan ook op de hoogte. Met betrekking tot de later door hem genoemde sollicitaties staat onvoldoende vast of de desbetreffende vacatures geschikt waren. Eiser heeft hoe dan ook in de periode van 25 april tot en met 22 mei 2005 onvoldoende gesolliciteerd. Nu hij er al diverse malen op was gewezen dat hij meer diende te solliciteren, is de uitkering volgens verweerder terecht beëindigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. In het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW is verwoord dat van de werknemer in het algemeen verwacht mag worden dat hij minimaal vier sollicitaties per vier weken verricht.

Op grond van het bepaalde in artikel 27, derde lid van de WW weigert verweerder de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk als niet is voldaan aan de verplichting als neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 27, achtste lid van de WW bepaalt dat verweerder nadere regels stelt met betrekking tot het derde en vierde lid. Deze regels zijn vastgelegd in het Maatregelenbesluit UWV d.d. 9 augustus 2004. In de bijlage bij dit besluit is in onderdeel C, vierde categorie, onder 1º opgenomen dat de verzekerde voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

In artikel 9, tweede lid, van het Maatregelenbesluit is bepaald, dat indien na schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, opgenomen in de vierde categorie, ten eerste, van de WW, dezelfde verplichting binnen 12 maanden voor de derde maal niet is nagekomen, de gehele uitkering over de resterende duur wordt geweigerd.

Ingevolge artikel 11 van het Maatregelenbesluit gaat de maatregel in op de eerste dag van de overtreding of op de eerste dag waarover de uitkering wordt toegekend.

Verweerder heeft het primaire besluit tot beëindiging van de WW-uitkering gebaseerd op de overweging dat eiser binnen één jaar voor de vierde keer niet of onvoldoende zou hebben gesolliciteerd, meest recentelijk in de periode van 25 april 2005 tot en met 22 mei 2005. In het bestreden besluit is verwezen naar opgelegde maatregelen op 19 januari 2004, 15 juni 2004 en 19 april 2005.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen waarde toegekend aan het feit dat aan eiser bij besluit van 9 maart 2005 met ingang van 14 februari 2005 een nieuwe WW-uitkering is toegekend.

De systematiek van de WW laat toe dat er verschillende rechten op uitkering na elkaar of zelfs naast elkaar kunnen bestaan. Deze hebben in beginsel geen invloed op elkaar. Slechts in enkele specifiek omschreven gevallen kunnen rechten worden samengevoegd. Uitgangspunt is dat ieder recht afzonderlijk wordt beoordeeld.

In de Bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (Regeling van 14 januari 1998, Stcrt. 1998, 22) is met betrekking tot de sollicitatieverplichting verwoord met welke sollicitatieactiviteiten rekening wordt gehouden. Daarbij wordt aangehaakt bij het moment waarop het recht op uitkering ontstaat. In bepaalde situaties (waarin de werknemer reeds eerder op de hoogte is van het eindigen van de werkzaamheden) wordt ook met activiteiten voorafgaande aan het moment waarop het recht op uitkering ontstaat rekening gehouden.

Gelet op de wetssystematiek enerzijds en de uitwerking van de sollicitatieplicht in de Bijlage bij voornoemd besluit anderzijds komt het de rechtbank onjuist voor dat verweerder bij de bepaling van de recidive rekening heeft gehouden met het niet voldoen aan de sollicitatieplicht van eiser ter zake van zijn op 3 november 2003 ontstane recht op WW-uitkering. Na het ontstaan van een nieuw recht op uitkering, zoals dit aan eiser bij besluit van 9 maart 2005 met ingang van 14 februari 2005 is toegekend, blijven de overtredingen van de sollicitatieplicht in het kader van vorige uitkeringen buiten beschouwing, zelfs als deze overtredingen binnen de in het Maatregelenbesluit genoemde recidiveperiode vallen. Dit betreft immers niet het niet nakomen van een verplichting uit hoofde van de onderhavige uitkering. Dat verweerder hiervan kennelijk ook zelf is uitgegaan, leidt de rechtbank af uit het feit dat niet is gebleken dat eiser op de uitkering die hij met ingang van 14 februari 2005 ontving gekort is, hoewel er op dat moment - voor zover op basis van het dossier valt na te gaan - nog een maatregel openstond op basis van het besluit van 15 juni 2004.

Gezien het voorgaande had verweerder bij het opleggen van een maatregel slechts rekening behoren te houden met de overtreding van de sollicitatieplicht in de periode van 28 februari 2005 tot en met 27 maart 2005 waarvoor op 19 april 2005 een maatregel is opgelegd. Er is derhalve sprake van een tweede overtreding. Het is in strijd met het eigen beleid van verweerder dat als maatregel voor deze tweede overtreding is gekomen tot een gehele weigering van de uitkering over de resterende duur. De motivering van het bestreden besluit is derhalve ondeugdelijk.

Gelet op het hiervoor overwogene is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--; wegingsfactor 1). Ingevolge artikel 8:75, derde lid van de Awb wordt het UWV aangewezen als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 oktober 2005;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast dat het UWV het door eiser gestorte griffierecht ad € 37,-- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser vergoedt.

Gewezen door mr. R.A. Eskes en in tegenwoordigheid van mr. W.H. van Veen als griffier in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op