Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY8146

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
07.630215-05, 480219-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rechtbank merkt groep die naast schiphol-overval tal van vermogensdelicten pleegde aan als criminele organisatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.630215-05, 480219-05

Uitspraak: 12 september 2006

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006, 1 juni 2006 en 29 augustus 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Starmans, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 630215-05 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair, 15 en 480219-05 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 7 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3420,18 en dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij] integraal worden toegewezen. Met betrekking tot de in beslag genomen goederen heeft de officier van justitie gevorderd overeenkomstig een door haar aan de rechtbank overgelegde en aan dit vonnis gehechte lijst.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)

BEWIJS

De rechtbank zal bij haar bewijsoverwegingen het onder 1 ten laste gelegde (deelname aan een criminele organisatie) als laatste bespreken, nu een bewezenverklaring van dit feit sterk afhankelijk is van de al dan niet bewezen verklaarde overige ten laste gelegde feiten.

ten aanzien van het onder 2 tot en met 5 en 15 ten laste gelegde:

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank het volgende af:

Op 19 september 2005 tussen 00.30 en 02.30 uur worden bij een gewapende overval op een loods te

Schiphol-Rijk ruim 18000 mobiele telefoons buitgemaakt. Op de beeldopnamen van de overval gemaakt door de beveiligingscamera’s valt te zien dat er 4 daders zijn, waaronder een vadsig persoon met een oranje fleecevest. Ter zitting heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte voldoet aan de omschrijving van een vadsig persoon. Enkele uren na de overval, tussen half 6 en half 7 worden (onder andere) door verdachte de gestolen mobiele telefoons uit een vrachtauto in een door hem gehuurde schuur in Heerde geladen. Deze vrachtauto is in het weekend van de Schiphol-overval gestolen in Eerbeek en is te zien op beelden die zijn gemaakt door een camera te Schiphol-Rijk op 18 september 2005 omstreeks 23.57 uur, een half uur voor aanvang van de overval. Verdachte is blijkens afgeluisterde telefoongesprekken en printgegevens in de avond van 17 september 2005 met anderen op pad geweest en is in de nacht van 17 september 2005 op 18 september 2005 in Eerbeek geweest. Op 22.37 uur voert hij het volgende telefoongesprek met zijn vrouw, die op dat moment thuis in Welsum is: ‘verdachte belt met [naam] (zijn vrouw) en vraagt of hij bij het opruimen van zijn auto gereedschap heeft weggelegd. [naam] weet niet waar verdachte het over heeft. Een klein brekertje zegt verdachte. Ligt in de doos zegt [naam]. Is goed.’ [naam] heeft bij de politie over dit telefoongesprek het volgende verklaard: “Een brekertje is een soort stootijzer. Die ligt nu nog in de caddy. Deze is blauw. Deze is ongeveer een meter lang.” De oplegger die op 19 september 2005 bij de schuur in Heerde aan de vrachtauto bevestigd is, , is te zien op beelden gemaakt op 19 september 2005 om 00.35 uur door een camera te Schiphol-Rijk. De vrachtauto met oplegger komt uit de richting van de Douglassingel. Het kenteken van de oplegger staat op naam van G. Lease BV, gevestigd aan voornoemde Douglassingel te Schiphol-Rijk. Op 19 september 2005 rond 11:00 uur heeft verdachte samen met drie anderen ([medeverdachten]) brand gesticht in de gestolen vrachtwagencombinatie in Wezep. Even daarvoor reed verdachte nog in die vrachtwagencombinatie. Ten aanzien van de brandstichting in de vrachtwagencombinatie is door het observatieteam waargenomen dat verdachte wacht bij de vrachtwagencombinatie, dat hij bij de 3 anderen in de auto stapt wanneer deze auto arriveert bij de vrachtwagencombinatie, dat verdachte als eerste uit de auto stapt en naar de cabine van de vrachtwagencombinatie loopt, vervolgens de andere 3 inzittenden van de auto ook uitstappen en naar de vrachtwagencombinatie lopen, dat kort daarna alle 4 personen terug lopen naar de auto en wegrijden. Kort daarna komt er veel donkere rook uit de cabine. Verdachte en de anderen hadden alle belang bij het stichten van brand in de vrachtwagencombinatie, namelijk het wegmaken van sporen.

Op 20 september 2005, een dag na de overval, vindt in de woning verdachte een doorzoeking plaats. Daarbij worden onder andere bivakmutsen, kleding, een zonnebril en een pistool (merk Hege, type AP 66, kaliber 7.65mm) in beslag genomen. Een van de overvallers droeg een zonnebril, 2 droegen een bivakmuts. De aangetroffen kleding is soortgelijk aan de kleding die de overvallers droegen. Op het oranje fleecevest is dna-materiaal van verdachte aangetroffen. In de loods waar de overval plaatsvond is een schoenspoor aangetroffen dat “zeer waarschijnlijk” (zijnde de op 1 na hoogste bevestiging mogelijk bij een schoensporenvergelijking) afkomstig is van de schoen aangetroffen in de schuur bij verdachte.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 primair en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 6 en 7 ten laste gelegde:

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank het volgende af:

Op zaterdag 21 mei 2005 tussen 18.00 uur en 22.00 uur wordt met een tussen 19 mei 2005 22.00 uur en 21 mei 18.00 uur van [benadeelde partij] gestolen trekker (Pegaso) een oplegger van Vos Transport gestolen. Een chauffeur van het bedrijf Vos Trabsport ziet de trailer achter de Pegaso-trekker rijden op 22 mei 2005 omstreeks 07:40 uur ter hoogte van Heerde, in welke plaats verdachte opslagruimte huurt. In de ochtend van 22 mei 2005 wordt met diezelfde trekker van [benadeelde partij] een oplegger van [benadeelde partij] gestolen met daarop een reuzenrad. De trekker van [benadeelde partij], de oplegger van Vos Transport en trailer beladen met het reuzenrad worden op 22 mei 2005 rond 11:00 gestald op een parkeerplaats te ‘s-Gravenland, voor de woning van getuige [getuige]. [getuige] ziet dat de chauffeur van de trekker wordt opgehaald door een auto met kenteken [kenteken]. Dat bleek te zijn een rode Alfa Romeo. Getuige [getuige] ziet een dag later, op 23 mei 2005, diezelfde rode Alfa bij de trekker en opleggers op de parkeerplaats te ’s-Gravenland staan. Als signalement van de bestuurder van de Alfa geeft hij op: “grove vent, flink, dik, groot en breed van postuur. De man droeg een rode trainingsbroek met lichte gympen.” De firma [naam] was op dat moment op de parkeerplaats op verzoek van 4 mannen welke reden in een rode Alfa de Pegaso de trekker aan het aantrekken omdat deze niet meer wilde starten. Getuige [getuige], medewerker van de firma [naam] en getuige [naam] zelf herkennen bij een fotoconfrontatie verdachte voor de volle 100% als de chauffeur van de rode Alfa. Beide getuigen noemen daarbij details betreffende de kleding van verdachte, namelijk dat hij een rode trainingsbroek droeg.

Door de technische recherche wordt een sporenonderzoek ingesteld in de oplegger van Vos Transport, aangetroffen te ’s-Gravenland. Uit vergelijkend onderzoek bleek dat een op de laadvloer aangetroffen schoenspoor overeenkomst vertoont met een schoen uit de woning van verdachte.

Bij de doorzoeking van de door verdachte gehuurde opslagplaats in Heerde is verpakkingsmateriaal en een deel van de lading uit de bij Vos Transport gestolen trailer aangetroffen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 6 primair en 7 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat;

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Ten aanzien van het onder 8 en 9 ten laste gelegde:

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank het volgende af:

Op 13 augustus 2005 tussen 22.45 uur en 23.59 uur wordt bij het bedrijf Tomos Nederland te Epe een vrachtauto gestolen (merk Volvo) met daarin 9 snorfietsen en een bromfiets van het merk Tomos. De vrachtauto wordt op 21 augustus 2005 leeg aangetroffen op een parkeerplaats in Emmen. Er werden 3 verschillende schoensporen aangetroffen. De schoensporen komen qua profiel en afmetingen praktisch overeen met de op 20 september 2005 in de woning van verdachte aangetroffen schoenen van het merk Australian. De bandensporen van de vrachtauto vertoonden qua profiel overeenkomsten met de bandensporen van de bij een diefstal in Wilp aangetroffen bandensporen. Bij de diefstal in Wilp zijn pallets met huishoudelijke en decoratieve goederen gestolen.

In de woning van verdachte zijn goederen aangetroffen uit het bestolen bedrijf in Wilp. Verpakkingsmateriaal van de in Wilp gestolen goederen wordt in de door verdachte gehuurde opslagplaats in Heerde aangetroffen.

Uit printgegevens blijkt dat verdachte op 13 augustus 2005 om 22:32 uur en 23:43 uur telefoneert vanuit Epe, en op 14 augustus 2005 om 06:37 uur vanuit Musselkanaal.

In de loods en woning van [medeverdachte] in Musselkanaal worden bij een doorzoeking op 5 oktober 2005 uit Wilp gestolen goederen aangetroffen. [medeverdachte] verklaart bij de politie op 6 oktober 2005 dat ongeveer anderhalve maand geleden verdachte met [mede[medeverdachte] en twee jonge jongens ([medeverd[medeverdachte]) om 06:00 uur bij hem kwamen met een vrachtwagen vol goederen (rieten mandjes en dergelijke), die ze bij hem hebben uitgeladen.

[medeverdachte] heeft op 9 november 2005 bij de politie verklaard dat hij samen met [medeverdachte] in Apeldoorn verdachte, [medeverdachte] en [medeverdachte] heeft opgepikt, waarna ze op aanwijzing van verdachte naar Epe reden. In Epe werd de vrachtwagen van [benadeelde partij] gestolen. Deze is eerst in Heerde gelost. Vervolgens zijn ze naar Wilp gereden, hebben daar de bedrijfsdiefstal gepleegd, om vervolgens zonder [medeverdachte] naar Musselkanaal te rijden waar ze met zijn vieren [medeverdachte] de vrachtauto hebben uitgeladen.

De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar. De verklaring vindt steun in de verklaring van [medeverdachte] en in de printgegevens van 13 en 14 augustus 2005.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 8 primair en 9 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 10 en 11 ten laste gelegde:

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank het volgende af:

Op 22 augustus 2005 tussen 02:00 uur en 03:00 uur wordt een lading witgoed gestolen uit een garagebox aan de Schuttersweg in Apeldoorn. Bij die diefstal is gebruik gemaakt van een daarvoor in Vaassen gestolen vrachtauto. Twee getuigen ([getuigen]) worden ’s nachts (22 augustus 2005) rond 02:30 uur wakker van geluid en zien een vrachtwagen voor de garagebox aan de Schuttersweg staan. Twee mannen zijn bezig de vrachtwagen te laden.

[medeverdachte] verklaart bij de politie dat [verdachte] en [medeverdachte] het idee hadden om in te breken bij een garagebox van een electrozaak in Apeldoorn. Daarvoor hadden ze een vrachtwagen gestolen ergens in de buurt van Apeldoorn. [medeverdachte] had die vrachtwagen losgebroken en gestart. [medeverdachte] had de vrachtwagen bestuurd. Nadat de vrachtwagen gestolen was zijn ze teruggereden naar de garagebox en hebben ze de vrachtwagen volgeladen met witgoed. Ze zijn naar de loods van verdachte in Heerde gereden, alwaar het witgoed is gestald. [medeverdachte] zelf en [medeverdachte] hebben de vrachtauto daarna achtergelaten, op het viaduct richting Apeldoorn, aldus [medeverdachte].

De vrachtauto is inderdaad op 22 augustus 2005 op de door [medeverdachte] genoemde plek aangetroffen. Uit printgegevens blijkt dat de gsm'’ van verdachte, [medeverdachte] en [medeverdachte] zich in de avond/nacht van 22 augustus 2005 in Apeldoorn bevinden en dat er telefonisch contact is tussen verdachte, [medeverdachte] en [medeverdachte].

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 10 primair en 11 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 12 ten laste gelegde:

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank het volgende af:

Op zondag 9 januari 2005 worden van het terrein van het Kruidvat-distributiecentrum in Heteren 2 vrachtwagencombinaties gestolen. De opleggers zitten vol met Kruidvat-artikelen. Op 6 oktober 2005 verklaart [naam] bij de politie dat 3 a 4 maanden geleden verdachte een partij shampoo, tandpasta, zeep, pampers etc. heeft gebracht in een bedrijfsauto. De politie toont haar een bij verdachte in beslag genomen lijst met daarop vermeld goederen als shampoo, tandpasta, zeep, ‘Kruidvat-diversen’. Volgens [n[medeverdachte] komen de op de lijst vermelde goederen overeen met de goederen die verdachte heeft gebracht. Ook haar echtgenoot [medeverdachte] verklaart dat verdachte de drogisterij artikelen heeft gebracht. Op 18 oktober 2005 worden in een door [medeverdachte] gehuurde loods in Ysselsteijn een aantal van de Kruidvat-goederen aangetroffen, alsmede verpakkingsmateriaal van het Kruidvat. [medeverdachte] heeft in september 2005 nog de (mede) door verdachte gestolen Schiphol-gsm’s geheeld.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 12 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 13 en 14 ten laste gelegde:

Op zaterdag 13 augustus 2005 wordt tussen 00:00 uur en 14:57 ingebroken in het pand van de betoncentrale Twente BV in Hengelo. Tussen genoemde tijdstippen is gepoogd een betonpompwagen weg te nemen. De kap van de stuurkolom was verbroken. Op het bedrijfsterrein werd een vrachtauto met aanhangwagen aangetroffen. Op deze aanhangwagen stond gedeeltelijk de heftruck van het bedrijf geparkeerd. De vrachtauto met aanhanger bleek te zijn weggenomen in Apeldoorn tussen 12 augustus 2005 en 13 augustus 2005 14:57 uur. [medeverdachte] heeft op 10 november 2005 bij de politie verklaard dat op een vrijdag- of zaterdagnacht in augustus hij samen met verdachte, [mede[medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] naar een plaats gereden was op ongeveer een uurtje rijden van Apeldoorn. Het was een gebouw bij een betoncentrale waar vrachtauto’s met daarop betonpompen stonden. Door iedereen werd getracht vrachtwagens te starten, hetgeen niet lukte. Bij een van de pogingen ontstond kortsluiting. Ze troffen ook een heftruck aan die wel wilde starten. Ze zijn vervolgens allemaal in de auto van [medeverdachte] gestapt en weer terug naar Apeldoorn gereden, waar ze in een woonwijk een autoambulance stalen. Daarvoor is eerst [medeverdachte] nog in Apeldoorn afgezet. De autoambulance zou dienen als middel om de heftruck van de betoncentrale mee te vervoeren. Ze zijn teruggereden naar Hengelo, alwaar werd getracht de heftruck op de aanhangwagen te rijden. Dit mislukte, aldus [medeverdachte]. Uit printgegevens blijkt dat verdachte en [medeverdachte] die avond/nacht in Hengelo zijn geweest.

De verklaring van [medeverdachte] vind aldus steun in het telefoonverkeer dat heeft plaatsgevonden. Ook weet [medeverdachte] details te noemen die blijken te kloppen, zoals de kortsluiting die ontstond bij de poging tot starten van de betonpomp en de wijze waarop de aangever de heftruck heeft aangetroffen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 13 en 14 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte en uitgestreepte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 480219-05 ten laste gelegde:

[slachtoffer] zou op 20 maart 2005 door verdachte zijn geslagen. Daarbij zou een tand zijn afgebroken. Verdachte erkent dat er een confrontatie plaatsvond, maar dat hij daarbij niet heeft geslagen. Door de agenten die een uur na het voorval ter plaatse kwamen is geconstateerd dat bij [slachtoffer] een linker boventand was afgebroken. Deze afgebroken tand is op 21 maart 2005 door de tandarts geconstateerd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte en uitgestreepte kopie dagvaarding)

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (deelname criminele organisatie)

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met continuïteit. Gedurende ongeveer een jaar heeft deze groep diefstallen gepleegd met een nagenoeg vaste modus operandi. Op basis van tips of door veelal ’s nachts bepaalde plaatsen te bekijken werden doelen uitgezocht. De samenstelling van de groep was wisselend, maar bestond uit een vaste kern. De groep had de beschikking over meerdere opslagplaatsen, vaste helers en chauffeurs. Bewezen is dat verdachte bij alle door de groep gepleegde feiten betrokken is geweest. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte] kan worden vastgesteld dat verdachte een leidende rol had in organisatie.Tussen de groepsleden onderling vond veelvuldig telefonisch contact plaats.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte en uitgestreepte kopie dagvaarding)

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

630215-05

1. Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht

2. subsidiair: afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht

3. subsidiair: medeplegen van opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 eerste lid onder a juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

4. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemne goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto 311 van het Wetboek van Strafrecht

5. medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel157 juncto artikel 47 van het het Wetboek van Strafrecht

6. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

7. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

8. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

9. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

10. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

11. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

12. medeplegen van opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 eerste lid onder a juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

13. poging tot medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 en 45 van het Wetboek van Strafrecht

14. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht

15. handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, voor wat betreft het wapen begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie

480219-05

mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal vermogensdelicten in georganiseerd verband, waaronder een zeer ernstige gewapende overval, die voor de slachtoffers zeer aangrijpend is geweest. Verdachte heeft een leidende rol gespeeld binnen de organisatie. Samen met [mede[medeverdachte] is hij de initiator geweest. De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te melden lange duur dan ook passend.

Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de verdachte zich, naast de bewezenverklaarde feiten, ook schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne, zoals valt af te leiden uit de ter kennisneming van de rechtbank gevoegde stukken en zoals ook door de verdachte tegenover de politie is erkend en door de verdachte ter terechtzitting is bevestigd.

De rechtbank zal ten aanzien van de in beslag genomen goederen oordelen overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie zoals vermeld op een aan dit vonnis gehechte lijst.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde artikelen, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BENADEELDE PARTIJ

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen [benadeelde partijen] en Tomos Nederland rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van het aan verdachte onder 2 subsidiair (voor [benadeelde partijen]) en 8 primair bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier en de bijlagen, voor [benadeelde partij] genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 6240, vermeerderd met de kosten die tot op heden worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] dient voor het meerdere (de reeds door het schadefonds toegekende € 4150) te worden afgewezen.

De hoogte van die schade voor [benadeelde partij] is, gelet op het voegingsformulier en de bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 7223,55, vermeerderd met de kosten die tot op heden worden begroot op € 600.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] dient voor het meerdere (de reeds door het schadefonds toegekende € 4150) te worden afgewezen.

De hoogte van de schade voor Tomos Nederland is, gelet op het voegingsformulier en de bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3420, vermeerderd met de kosten die tot op heden worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij Tomos Nederland is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter jan worden aangebracht.

De vorderingen van de benadeelde partijen, die in die vorderingen ontvankelijk zijn, zijn in dier voege toewijsbaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partijen] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in die vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeven van de slachtoffers [benadeelde partijen] en Tomos Nederland.

BESLISSING

Het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 primair, 5, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair, 15 en het onder 480219-05 is bewezen en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

De tijd, die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank beslist ten aanzien van de in beslag genomen goederen overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij B. [benadeelde partij] (in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. Wolf, 2000 AB Haarlem, postbus 65.), van een bedrag van € 6240 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat betreft het meer gevorderde af.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 6240, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij D. [benadeelde partij] ( in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. Wolf,2000 AB Haarlem, postbus 65), van een bedrag van € 7223,55 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 600.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat betreft het meer gevorderde af.

De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 7223,55, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Tomos Nederland (Kweekweg 34 te Epe) van een bedrag van € 3420, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3420, ten behoeve van het slachtoffer Tomos Nederland, bij gebreken van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij Tomos Nederland voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partijen] in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. Heeregrave, voorzitter, mrs. Schimmel en Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2006.