Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY7844

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
303629 CV 06-355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, agentuurovereenkomst; goodwillvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 303629 CV 06-355

datum : 4 juli 2006

Vonnis in de zaak van:

[EISER 1],

zaakdoende te Duitsland,

en

[EISER 2]

zaakdoende te Duitsland,

eisende partijen, verder te noemen: “[eiser 1]” respectievelijk “[eiser 2]”,

gemachtigde mr. J.W.M. Pothof, advocaat te Utrecht,

tegen

[GEDAAGDE],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde partij, verder te noemen: “[gedaagde]”,

gemachtigde mr. M.M.J. Arts, advocaat te Leeuwarden.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 3 januari 2006,

- het antwoord van [gedaagde],

- de repliek van [eiser 1] en [eiser 2] en

- de dupliek van [gedaagde].

Het geschil

De vordering van [eiser 1] strekt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 19.625,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2005 en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

De vordering van [eiser 2] strekt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 12.020,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2005 en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Tegen deze vorderingen heeft [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie dat deze zullen worden afgewezen, met de hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [gedaagde] is een producent van matten en tapijten.

b. [gedaagde] is per 10 september 1997 voor onbepaalde tijd een agentuurovereenkomst aangegaan met [eiser 1] aangaande een afgebakend gebied in Duitsland.

c. [gedaagde] is per 1 september 1998 voor een onbepaalde tijd een agentuurovereenkomst aangegaan met [eiser 2] aangaande een ander afgebakend gebied in Duitsland.

d. Bij brieven van 10 mei 2005 aan [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] heeft [gedaagde] de agentuur-overeenkomst opgezegd tegen 1 september 2005. [gedaagde] heeft deze opzeggingen gemotiveerd met de stelling dat de samenwerking niet die resultaten heeft gebracht die zij ervan had verwacht.

e. Bij brief van 23 juni 2005 heeft [eiser 1] [gedaagde] vergeefs gesommeerd om voor 1 september 2005 een klantenvergoeding te betalen van € 20.512,59.

f. Bij brief van 28 oktober 2005 heeft [eiser 2] [gedaagde] vergeefs gesommeerd om voor 4 november 2005 een klantenvergoeding te betalen van € 12.423,09.

Standpunten van partijen

Zowel [eiser 1] als [eiser 2] hebben aan hun vordering op [gedaagde] ten grondslag gelegd dat zij het klantenbestand van [gedaagde] aanzienlijk hebben uitgebreid en daarmee een aanzienlijke omzet voor [gedaagde] hebben weten te behalen. Nu voorts aannemelijk is dat [gedaagde] met de door hen aangebrachte klanten nog steeds zaken doet, dient [gedaagde] aan hen een klantenvergoeding te betalen, gelijk aan de gemiddelde provisie in de vijf jaren voorafgaande aan de beëindiging van de agentuurovereenkomst. De door [gedaagde] gevolgde rekenmethode, zulks ten betoge dat zij geen vergoeding is verschuldigd, is onbegrijpelijk en onjuist.

[gedaagde] heeft ten verwere aangevoerd dat de door [eiser 1] en [eiser 2] aangebrachte klanten niet meer de door hen gestelde aanzienlijke voordelen opleveren. Voorts heeft zij aangevoerd dat een betaling van een klantenvergoeding niet billijk is. Er kan immers precies worden berekend of [eiser 1] en [eiser 2] nieuwe klanten hebben aangebracht, of zij de overeenkomsten met bestaande klanten hebben uitgebreid en of deze overeenkomsten haar nog aanzienlijke voordelen opleveren. Deze precieze berekening gaat voor alles, aldus [gedaagde], uit welke berekening blijkt dat er geen vergoeding is verschuldigd. De overeenkomsten zijn ook beëindigd vanwege de slechte door [eiser 1] en [eiser 2] behaalde resultaten.

De beoordeling

1.

Op grond van artikel 23 EEX-Verordening is de kantonrechter te Zwolle overeenkomstig het telkens in punt 10 van de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomsten opgenomen forumkeuzebeding bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

2.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij dagvaarding, met een beroep op de telkens in punt 9 van de door hen met [gedaagde] gesloten overeenkomsten opgenomen rechtskeuze, gesteld dat Nederlands recht op hun rechtsverhouding toepasselijk is. Aangezien [gedaagde] de juistheid van die stelling heeft onderschreven zal de kantonrechter dat recht op hun verhouding toepassen.

3.

Het geschil tussen enerzijds [eiser 1] en [eiser 2] en anderzijds [gedaagde] omtrent de van de laatste gevorderde klantenvergoedingen dient in beginsel te worden beslecht aan de hand van het in artikel 7:442 BW bepaalde.

Dat artikel kent aan de handelsagent een klantenvergoeding toe voor zover

a. hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en

b. de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.

Het tweede lid van dat artikel beperkt zo’n vergoeding tot maximaal de beloning over één jaar, berekend naar het gemiddelde van de vijf laatste jaren.

4.

Uit het bovenstaande volgt dat niet houdbaar is de - kennelijke - stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij alleen al vanwege de beëindiging van de met hen gesloten agentuurovereenkomst aanspraak hebben op de maximale klantenvergoeding.

aangaande [eiser 2]:

5.1

Het gedeelte sub a. van voormelde maatstaf dient in het geval van [eiser 2] evenwel buiten toepassing te worden gelaten aangezien vast staat dat [eiser 2] wegens het aangaan van de agentuurovereenkomst in september 1997 en het overnemen van bestaande klanten van [gedaagde] een bedrag van € 1.406,59 aan [gedaagde] heeft voldaan door inlevering van een dergelijk bedrag aan provisie. Het zou dan in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat een voor [eiser 2] negatief uitgevallen toetsing aan bedoelde maatstaf erin zou resulteren dat [gedaagde] geen enkele goodwillvergoeding behoeft terug te betalen. Daarmee is gegeven dat [gedaagde] een klantenvergoeding aan [eiser 2] is verschuldigd.

5.2

Wat betreft de hoogte van de aan [eiser 2] (terug) te betalen klantenvergoeding geldt dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft aangevoerd dat de uit het door [eiser 2] bewerkte gebied behaalde omzet in diens periode van agentuur is teruggelopen van € 186.000 bij aanvang tot een over geheel 2005 geëxtrapoleerde omzet van € 93.000. Daarmee is op zichzelf al weinig aannemelijk dat er sprake is van een aanzienlijke en duurzame vergroting van [gedaagde]s klantenbestand. Het door [eiser 2] aangedragen argument dat hij voor de weggevallen klanten vele nieuwe klanten heeft aangebracht, maakt dat niet anders, nu het er mede omgaat welk (omzet- en winst-) voordeel [gedaagde] daaruit kan behalen. Gelet op die omzetteruggang, het door [eiser 2] betaalde bedrag bij aanvang, een daarover te berekenen samengestelde wettelijke rente en de omvang van de door [eiser 2] in de laatste jaren behaalde (teruglopende) provisie, dient de aan hem toekomende klantenvergoeding billijkheidshalve op een bedrag van € 1.160,00 te worden gesteld.

5.3

Aangezien de verplichting tot betaling van de klantenvergoeding opeisbaar is geworden op de dag dat de agentuurovereenkomst is geëindigd, is de door [eiser 2] over die vergoeding vanaf 1 september 2005 gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.

5.4

Gelet op het toewijsbaar gebleken bedrag aan klantenvergoeding met de daarop verschenen wettelijke rente en gezien de door de kantonrechters gebruikte staffel voor buitengerechtelijke kosten is de door [eiser 2] ter zake gevorderde vergoeding tot een beloop van € 150,00 toewijsbaar.

aangaande [eiser 1]:

6.1

[eiser 1] heeft - gelijk [eiser 2] - aangevoerd dat hij bij aanvang van zijn agentschap voor [gedaagde] een goodwillvergoeding heeft betaald voor overname van de al bestaande klanten van [gedaagde] doch dit is in zijn geval door [gedaagde] bestreden. Nu [eiser 1] daarover geen bijzonderheden heeft aangevoerd, zoals om welk bedrag het zou gaan, en hij evenmin ter zake bewijsstukken heeft bijgebracht en/of een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, dient aan zijn stelling voorbij te worden gegaan.

6.2

Dit betekent dat in het geval van [eiser 1] bezien zou moeten worden door wiens inspanningen het huidige klantenbestand van [gedaagde] in diens regio is opgebouwd, dat wil zeggen door wiens inspanningen derden klant zijn geworden en zijn gebleven dan wel bestaande klanten klant zijn gebleven van [gedaagde]. Voorts dient te worden ingeschat of die klantenkring na het eindigen van de agentuurovereenkomst per 1 september 2005 onverminderd succesvol door [gedaagde] kan worden bewerkt.

6.3

Gelet op de omvang van de door partijen over en weer overgelegde klantenlijsten met daarop vermeld vele tientallen klanten, is het voor de kantonrechter onmogelijk - en overigens ook niet noodzakelijk - om met betrekking tot iedere klant, bezien naar de stand van zaken per 1 september 2005, apart vast te stellen door wiens inspanningen deze klant is geworden èn is gebleven, en een prognose te geven of deze ook in de toekomst klant zal blijven. De totale klantenkring als zodanig en de gebleken ontwikkelingen daarin zullen dan ook tot uitgangspunt worden genomen.

6.4

Vast staat dat in de twaalf maanden voorafgaande aan [eiser 1]s agentuur uit het door hem te bewerken gebied voor [gedaagde] een omzet werd behaald van € 117.943 en dat deze omzet in de twaalf maanden voorafgaande aan 1 september 2005 was toegenomen tot € 192.180. Uit de stellingen van [gedaagde] blijkt dat de omzet in [eiser 1]s regio in heel 2004 € 215.000 heeft bedragen. Hoewel aldus in de directe periode voorafgaande aan het eindigen van [eiser 1]s agentuur enige daling in omzet kan worden vastgesteld, heeft wel te gelden dat de omzet in die regio tijdens [eiser 1]s agentuur substantieel is toegenomen. Niet valt in te zien dat door het enkele eindigen van [eiser 1]s agentuur die omzet onmiddellijk in aanmerkelijke mate voor [gedaagde] zou komen te vervallen. Een en ander betekent dat naar het oordeel van de kantonrechter ook [eiser 1] ten laste van [gedaagde] een klantenvergoeding toekomt.

6.5

Wat betreft de omvang van die vergoeding geldt dat het naar het oordeel van de kantonrechter niet billijk is dat [gedaagde] aan [eiser 1] een goodwill zou hebben te betalen voor dat deel van de omzet wat al in de regio voor aanvang van [eiser 1]s agentuur werd behaald. Voorts moet bij de bepaling er rekening mee worden gehouden dat de door [eiser 1] voor [gedaagde] behaalde omzet licht dalende was, hetgeen bij een voortzetting van [eiser 1]s agentuur ongetwijfeld gevolgen zou hebben gehad voor de door hem te ontvangen provisie. Tevens is relevant dat [eiser 1], zoals [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd, niet wordt gehinderd door een non-concurrentie-beding en aldus in staat is om de voor [gedaagde] bewerkte klantenkring te benaderen voor een met [gedaagde] concurrerende onderneming en aldus op die wijze nog uit die klantenkring profijt zal kunnen trekken.

6.6

Tegen de achtergrond van het een en ander zal de billijke vergoeding worden bepaald op 35% van het verschil tussen enerzijds het gemiddelde in 2004 en 2005 door [eiser 1] aan provisie ontvangen bedrag ad € 15.598 en anderzijds de bij aanvang uit de al bestaande klantenkring voortkomende provisie van ongeveer € 10.300. De kantonrechter becijfert dit bedrag aldus op afgerond € 1.860,00, welk bedrag zal worden toegewezen.

6.7

Ook in het geval van [eiser 1] zal over voormelde klantenvergoeding de wettelijke rente vanaf 1 september 2005 worden toegewezen.

6.8

De ter zake door [gedaagde] aan [eiser 1] verschuldigde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt op de voet van hetgeen hierboven in r.o. 5.4 is overwogen, bepaald op € 300,00.

7.

Aangezien partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter tussen hen de proceskosten compenseren als nader in het dictum te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 2.160,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.860,00 vanaf 1 september 2005 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 1.310,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.160,00 vanaf 1 september 2005 tot de dag van algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 4 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.