Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY7399

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
04-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/1870
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schatting op basis van aangepast CBBS-systeem; mbt omzetting van een "M" in een "G " door de arbeidsdeskundige voldoet vernieuwde CBBS op dit punt nog steeds niet aan de daaraan te stellen eisen; overigens ook rb Zwolle van oordeel dat regelgever door maximering van de maatman l; 38 uur in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a van het schattingsbesluit 2004 de grenzen van de door de wetrgever gedelegeerde bevoegdheid heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 05/1870

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A te B, wonende te Almere, eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam (kantoor Almere) verweerder,

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 6 oktober 2005,

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 13 april 2005 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf 9 juni 2005 wordt ingetrokken.

Tegen dit besluit is op 21 april 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 19 oktober 2005 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 november 2005 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 23 januari 2006 ter zitting behandeld.

Namens eiseres is haar echtgenoot verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw mr. G.K. Minnaard.

Na de zitting is het onderzoek heropend en zijn door de rechtbank nog nadere vragen gesteld aan verweerder. Na ontvangst van de reactie van verweerder van 1 maart 2006 en een schrijven d.d. 22 mei 2006 van eiseres naar aanleiding daarvan, is aan partijen toestemming gevraagd om de zaak vervolgens af te doen zonder hernieuwde behandeling ter zitting. Partijen hebben die toestemming verleend.

3. Overwegingen

3.1 In aanmerking genomen feiten en omstandigheden

Eiseres is ten gevolge van zwangerschapsklachten op 22 mei 1996 uitgevallen voor haar werk als leidster op een babygroep van (....) te Amsterdam voor veertig uur in de week. Na het doormaken van de wachttijd is zij met ingang van 21 mei 1997 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

In het kader van een vijfdejaars herbeoordeling heeft op 25 juli 2002 verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres op medische gronden onveranderd volledig arbeidsongeschikt diende te worden geacht.

In verband met de invoering van het aangepaste Schattingsbesluit op 1 oktober 2004 heeft op 18 maart 2005 weer een medisch onderzoek plaatsgehad door verzekeringsarts S. Raddjoe. Deze heeft zijn bevindingen vastgelegd in zijn rapport van 18 maart 2005. Op dezelfde datum heeft de arts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin hij de beperkingen van eiseres heeft opgenomen. De arts acht eiseres in staat in een voor haar normale werkweek werkzaam te zijn, maar heeft wel op verschillende punten op de FML voor eiseres beperkingen aangenomen.

Op 7 april 2005 heeft de arbeidsdeskundige J.M. Kornet eiseres gesproken en op 8 april 2005 daaromtrent gerapporteerd. Op basis van drie voor eiseres geselecteerde functies, afgezet tegen haar maatmanloon, wordt eiseres niet langer in relevante mate arbeidsongeschikt beschouwd. Daarnaast zijn nog drie andere functies genoemd die eiseres ondanks haar beperkingen zou kunnen verrichten. Bij brief van 8 april 2005 is eiseres door de arbeidsdeskundige hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens heeft verweerder het besluit van 13 april 2005 genomen.

In bezwaar is vervolgens door de bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis een nader onderzoek verricht, waarover op 4 juli 2005 is gerapporteerd. Genoemde verzekeringsarts heeft naar aanleiding van haar bevindingen de FML aangepast op de rubrieken I. Persoonlijk Functioneren en II. Sociaal Functioneren. Op basis van de aangepaste FML is door de arbeidsdeskundige P. Kars opnieuw de passendheid van de geduide functies beoordeeld en vastgesteld dat geen van die functies nog passend was. Na een hernieuwde raadpleging van het zogenaamde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn drie nieuwe functies geduid die eiseres nog zou kunnen verrichten en waarmee haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Eiseres is hiervan bij brief van 21 september 2005 op de hoogte gesteld waarbij aan haar –nu er sprake is van andere functies dan de in eerste instanties geduide functies- een nieuwe uitlooptermijn is gegeven van twee maanden. Door eiseres is nog weer op dit schrijven gereageerd, waarna de thans bestreden beslissing op bezwaar van 6 oktober 2005 is genomen.

3.2 Het geschil

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres per 9 juni 2005 niet langer in relevante mate arbeidsongeschikt wordt geacht ingevolge de WAO en in verband daarmee per die datum de aan eiseres toegekende uitkering heeft ingetrokken.

3.3 Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat verweerder in de beslissing van 6 oktober 2005 het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2005 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank wijst erop dat in de aanzeggingsbrief van 21 september 2005 door verweerder ook is overwogen dat het bezwaar gegrond was, gelet op het duiden van volledig nieuwe functies en het in verband daarmee geven van een nieuwe uitlooptermijn voor de beëindiging van de uitkering.

Ter zitting is namens verweerder erkend dat het dictum van het besluit onjuist is en aangegeven dat het besluit in die zin wordt gewijzigd dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en eiseres per 22 november 2005 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Een besluit kan echter niet op deze wijze –mondeling ter zitting- worden gewijzigd. Derhalve komt het voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal, met het oog op de wenselijkheid te komen tot een finale beslechting van het geschil, vervolgens beoordelen of het besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb inhoudelijk in stand kan worden gelaten met verbetering van het dictum en wijziging van de datum van beëindiging van de uitkering van 9 juni 2005 in 22 november 2005.

Met betrekking tot de inhoud van het besluit wordt het volgende overwogen.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO zijn twee aspecten van belang, namelijk:

- of de betrokkene beperkingen heeft, die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken;

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met (algemeen geaccepteerde) arbeid een inkomen te verwerven.

De rechtbank zal beoordelen of verweerder aan het standpunt dat eiseres minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht, een voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing ten grondslag heeft gelegd.

3.3.1 Medisch

De medische grondslag van de beslissing op bezwaar wordt gevormd door het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 4 juli 2005. Zij heeft zich voor die rapportage gebaseerd op het dossier (waaronder een in bezwaar ingebracht rapport van 19 april 2005 van de behandelend fysiotherapeut) en een eigen medisch onderzoek op 28 juni 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gevonden om eiseres fysiek meer beperkt te achten dan in eerste instantie aangenomen door de verzekeringsarts Raddjoe en verwoord in de FML van 18 maart 2005. Wel is de FML aangepast in verband met de geconstateerde beperkingen van eiseres op psychisch gebied, in het bijzonder haar emotionele instabiliteit en de lichte vorm van angstklachten (agorafobie).

De rechtbank heeft onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts hiermee de arbeidsmogelijkheden van eiseres heeft overschat. Door eiseres zijn na het uitbrengen van de rapportage van 4 juli 2005 onder meer behandelverslagen overgelegd uit de jaren 1998, 2001 en 2002 maar terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts meer waarde gehecht aan haar bevindingen uit het lichamelijk onderzoek en in verband met de gestelde bekkeninstabiliteit en/of de tenniselleboog rechts van eiseres geen ernstiger beperkingen aangenomen. Dat eiseres op psychisch vlak, met name waar het betreft haar geheugen en het verdelen van aandacht meer beperkt moet worden geacht dan aangenomen, is evenmin gebleken. In beroep heeft eiseres haar bezwaren tegen de medisch vastgestelde beperkingen herhaald maar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Derhalve berust de medische beoordeling op een voldoende grondslag.

3.3.2 Arbeidskundig

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit overweegt de rechtbank het volgende.

De arbeidskundige beoordeling berust thans op de overweging dat eiseres geschikt is voor de in het arbeidskundig rapport van 21 september 2005 genoemde functies. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden op basis van de functies met de SBC-codes 267040 (elektronica monteur), 267050 (wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur) en 272043 (produktiemedewerker textiel, geen kleding).

De genoemde functies zijn geselecteerd met behulp van het CBBS-systeem, zoals aangepast na de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 november 2004, onder meer in de zaak met procedurenummer 03/4179 WAO (gepubliceerd in www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AR4719).

In genoemde uitspraken is door de CRvB aangegeven dat het CBBS op onderdelen onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is. Het betreft hier:

1. Het niet overeenkomen van de nummering van de FML (c.q. de kritische FML met daarop weergegeven de items waarop voor de betrokkene een beperking in de belastbaarheid is vastgesteld) met de naar inhoud corresponderende items in de lijst waarin voor een functie de functiebelasting wordt weergegeven: het Resultaat Functiebeoordeling;

2. Het niet aanwezig zijn van markeringen op de genoemde Resultaten Functiebeoordeling, in het geval het CBBS signaleert dat er op een beoordelingspunt mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene;

3. Het feit dat in het CBBS een vergelijking plaatsvindt van de FML (belastbaarheid van de betrokkene) met het Resultaat Functiebeoordeling (belasting in de functie), terwijl de vergeleken items niet volledig corresponderen; de zogenaamde niet-matchende beoordelingspunten, waardoor het risico bestaat dat een functie geschikt wordt geacht voor een betrokkene terwijl de belasting daarvan voor hem/haar op zo’n niet-matchend punt de belastbaarheid te boven gaat.

Verweerder meent in het vernieuwde CBBS in voldoende mate aan de genoemde punten van kritiek van de CRvB tegemoet te zijn gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit in elk geval voor de hiervoor genoemde punten 1 en 3.

Thans corresponderen de in zes rubrieken verdeelde beoordelingspunten voor de belastbaarheid van de betrokkene op de FML volledig met de belastingpunten op het Resultaat Functiebeoordeling zodat eenvoudige vergelijking –zonder gebruik van transformeringstabellen- mogelijk is.

Met betrekking tot de niet-matchende beoordelingspunten wordt vastgesteld dat die punten in het vernieuwde CBBS op het Resultaat Functiebeoordeling worden weergegeven als een “*” in het geval de betrokkene op het beoordelingspunt waar het om gaat beperkt belastbaar wordt geacht.

Voor wat betreft de beoordelingspunten in het Resultaat Functiebeoordeling waarvoor geen vergelijkbare items zijn opgenomen in de FML, voorziet het CBBS thans in een afzonderlijke rubriek 7 op het Resultaat Functiebeoordeling, waarin de desbetreffende items (probleemoplossen, kruipen, getordeerd actief zijn en dragen) zijn weergegeven voorzien van een signalering in het geval een dergelijk belastend item in die functie voorkomt. Aldus is er nog steeds geen sprake van een geautomatiseerde vergelijking van belastbaarheid en functiebelasting op deze niet-matchende punten, maar door de signalering zal de arbeidsdeskundige wel steeds per functie en per punt handmatig moeten beoordelen of er geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid. Door de signalering en de zichtbaarheid van de signalering op het Resultaat Functiebeoordeling is het voor betrokkene c.q. diens gemachtigde en de rechtbank in elk geval mogelijk om te zien om welke punten het gaat zodat daarmee de beslissing van de arbeidsdeskundige om de functie geschikt te achten in elk geval meer inzichtelijk en toetsbaar wordt. Welke eisen vervolgens dienen te worden gesteld aan de motivering van die beslissing zal hierna aan de orde komen.

Verweerder is aan het kritiekpunt dat in het CBBS mogelijke overschrijdingen van de belasting wel uit het geautomatiseerde proces van vergelijking van functies met de belastbaarheid van de betrokkene naar voren komen, maar niet automatisch op papier zichtbaar worden, tegemoet gekomen door het CBBS die mogelijke/ogenschijnlijke overschrijdingen (en de hiervoor genoemde niet-matchende punten) als signalering weer te laten geven op het Resultaat Functiebeoordeling. Die signalering vindt plaats in de vorm van een “M” bij het desbetreffende punt, in het geval dat het gaat om een niet-matchend beoordelingspunt –zoals aangegeven- gekoppeld aan een “*”. De aanduiding “M” betekent in het systeem dat de arbeidsdeskundige en/of de verzekeringsarts dienen te motiveren waarom betrokkene ondanks de signalering op het betreffende punt toch in staat wordt geacht om de functie waar het om gaat, te verrichten. Die nadere motivering mag echter in bepaalde gevallen achterwege worden gelaten, in welke situatie de arbeidsdeskundige een “M” verandert in een “G”. Door deze verandering wordt kenbaar gemaakt dat geen nadere motivering van de geschiktheid op dat item nodig is.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt met de aanduiding van een “M” (op een niet-matchend punt samen met een “*”) in combinatie met een motivering op dit punt in een arbeidskundige en/of medische rapportage in voldoende mate tegemoet gekomen aan de kritiek dat het CBBS in zijn oorspronkelijk vorm onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar was. Daarbij plaatst de rechtbank de kanttekening dat de gegeven motivering uiteraard wel voldoende inzicht dient te verschaffen in de gemaakte afweging. Soms zal volstaan kunnen worden met een algemene opmerking als “incidentele piekbelasting”, maar in andere gevallen zal de motivering meer specifiek dienen te zijn en naarmate de motivering meer steunt op een beoordeling van de belastbaarheid van betrokkene die niet aanstonds blijkt uit de al beschikbare medische rapportages, zal de motivering eerder dienen te steunen op overleg met de verzekeringsarts of van deze afkomstig dienen te zijn.

Met betrekking tot de omzetting van een “M” in een “G” door de arbeidsdeskundige, waardoor geen motivering meer gegeven hoeft te worden, is de rechtbank van oordeel dat het vernieuwde CBBS op dit punt nog steeds niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Door de afwezigheid van een motivering is voor anderen dan de arbeidsdeskundige immers niet op relatief eenvoudige wijze te beoordelen waarom de functie ondanks een signalering geschikt wordt geacht en of dit standpunt terecht wordt ingenomen. Hierbij is van belang dat er, blijkens bijvoorbeeld de werkinstructie CBBS, nogal wat verschillende redenen kunnen zijn voor de arbeidsdeskundige om over een mogelijke- of ogenschijnlijke overschrijding van de belastbaarheid heen te stappen.

Wat betreft de wijze van motiveren herhaalt de rechtbank dat de motivering voldoende inzicht dient te verschaffen in de gemaakte afweging. Juist in de gevallen waarin het evident is dat een betrokkene ondanks de signalering op het betreffende punt de functie kan uitoefenen, zal de motivering beperkt kunnen zijn en geen grote inspanning van de arbeidskundige en/of verzekeringsarts vergen.

Als dan de bovengenoemde algemene beoordelingspunten van het vernieuwde CBBS worden toegepast op de onderhavige zaak, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

De schatting heeft betrekking op de SBC-codes 267040 (elektronica monteur), 267050 (wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur) en 272043 (produktiemedewerker textiel, geen kleding). Anders dan door eiseres gesteld is de rechtbank van oordeel dat de onder deze codes geduide functies voldoende realiteitswaarde hebben en voorts ten tijde van de schatting nog voldoende actueel waren.

Bij deze SBC-codes is sprake van een groot aantal signaleringen op niet-matchende beoordelingspunten en mogelijke overschrijdingen. Aan die signaleringen is aandacht besteed in de Notities Functiebelasting van 14 en 21 september 2005 en in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 september 2005. De rechtbank stelt vast dat daarbij niet is voldaan aan de eis van een adequate motivering nu er, in aanmerking genomen het zeer grote aantal signaleringen per functie, sprake is van een te globale en algemene toelichting. Bovendien is er bij alle drie SBC-codes sprake van verschillende signaleringen met een “G”, met name ook op het item reiken, waarvoor in het geheel geen motivering is gegeven.

Ook op dit punt kan het bestreden besluit derhalve niet in stand worden gelaten.

Ter zitting is op de genoemde items door de gemachtigde van verweerder (na overleg met de bezwaarverzekeringsarts) alsnog een motivering gegeven. Voorts is na heropening van het onderzoek op 1 maart 2006 van verweerder desgevraagd nog een toelichting ontvangen op de in de SBC-codes 267050 en 272043 op item 2.1 genoemde bijzondere belastingen “zeer scherp zien” en “kleuren zien” en de toelichting in de SBC-code 267040 op de items dominantie en lokalisatie beperkingen.

Gelet op die toelichtingen, acht de rechtbank thans wel voldoende onderbouwd dat eiseres, uitgaande van de voor haar vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de aan haar geduide functies te vervullen. Er is geen aanleiding om aan te moeten nemen dat eiseres zonodig met behulp van een bril of lenzen niet zeer scherp zou kunnen zien en gesteld noch gebleken is dat eiseres kleurenblind zou zijn. Voor wat betreft het aspect reiken acht de rechtbank in beroep door verweerder (alsnog) voldoende gemotiveerd dat eiseres in de functie van produktiemedewerker textiel ondanks haar tenniselleboog rechts in de aangegeven lage frequentie daartoe in staat moet worden geacht. Hetzelfde geldt voor het verrichten van fijnmotorische werkzaamheden met haar rechterhand in de functie van elektronica monteur.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht onder toepassing van het Schattingsbesluit van 18 augustus 2004 (Stb. 2004, 434), verder te noemen het Schattingsbesluit 2004, op grond van de vergelijking van het mediaanloon van die SBC-codes met het maatmanloon van eiseres, het verlies aan verdiencapaciteit heeft vastgesteld op 13,9%.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 wordt voor de berekening van deze resterende verdiencapaciteit het aantal in aanmerking te nemen maatmanuren gemaximeerd op 38 uur per week. Dat betekent in het geval van eiseres dat bij de functieduiding en de correctie van het mediaanloon in verband met het feit dat voor de functie van produktiemedewerker textiel een urenomvang geldt van 37 uur (de zogenaamde reductiefactor), geen rekening is gehouden met de 40 uur die eiseres in de maatgevende arbeid werkzaam was maar slechts met 38 uur. Indien verweerder wel was uitgegaan van 40 uur, dan zou het verlies aan verdiencapaciteit zijn uitgekomen op 17,9% en zou eiseres aanspraak hebben gehouden op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25 %.

De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of verweerder op deze wijze toepassing kon geven aan genoemde bepaling uit het Schattingsbesluit 2004.

In verschillende uitspraken van andere rechtbanken is deze vraag ontkennend beantwoord (vergelijk rechtbank Breda 23 maart 2006, LJN:AV6543 en rechtbank Rotterdam 7 juni 2006 LJN:AX8973). Daarbij is –kort gezegd- geoordeeld dat de regelgever door de maximering van de maatman op 38 uur in (onder meer) artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 de grenzen van de door de wetgever in artikel 18, lid 8 van de WAO gegeven gedelegeerde bevoegdheid heeft overschreden.

De rechtbank deelt dit standpunt.

Artikel 18, lid 8, van de WAO bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het bepaalde in artikel 18 van de WAO nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld. De mogelijkheid om zo nodig afwijkende regels te stellen is naar zijn aard begrensd. Het kan niet zo zijn dat die mogelijkheid afwijkende regels te stellen de kern van de wettelijke bepaling, in dit geval artikel 18, eerste lid van de WAO, aan zou kunnen tasten. Uit genoemde rechtbankuitspraken komt naar voren dat de wetgever heeft beoogd om een zo reëel mogelijke vergelijking te krijgen tussen wat de betrokkene nog had kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden (de maatman) en wat hij met aan hem te duiden functies nog kan verdienen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de mogelijkheid om afwijkende regels te geven vooral bedoeld is om onder omstandigheden op een zo adequaat mogelijke wijze de (reële) maatman vast te kunnen stellen. De rechtbank stelt vast dat door het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 de maatman als grondslag voor de loonvergelijking en daarmee de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid juist verlaten wordt.

Hoe ver genoemde bepaling abstraheert van de werkelijke maatman als “soortgelijke gezonde persoon” illustreert de onderhavige zaak, waarbij een maatmanomvang van 40 uur wordt gemaximeerd tot 38 uur, met het evengenoemde effect voor de uitkomst van de schatting als gevolg. Dat daarmee is voorkomen dat bij die schatting rekening moest worden gehouden met een “excessief arbeidspatroon”, in de termen van de artikelsgewijze toelichting bij het Schattingsbesluit 2004, valt niet vol te houden.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 waarbij de maatmanomvang is gemaximeerd tot 38 uur per week, de grenzen van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 18, achtste lid, van de WAO te buiten gaat en in strijd is met artikel 18, eerste lid, van de WAO. Deze bepaling diende derhalve als zijnde onverbindend bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres buiten toepassing te worden gelaten.

Nu dat niet is gebeurd komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb, zelf in de zaak te voorzien waar het gaat om de geconstateerde verkeerde datum van intrekking van de uitkering en het onjuiste dictum van het besluit. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal verweerder ook dienen te beslissen over de door eiseres gevorderde kosten in bezwaar.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten zoals namens eiseres is verzocht en bepaalt deze kosten op de reiskosten voor het bijwonen van de zitting, welke forfaitair worden bepaald op € 15,96 (kosten openbaar vervoer Almere-Zwolle v.v.)

4. Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

- draagt aan verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 15,96;

-wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt;

-gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 37,--vergoedt.

Gewezen door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter en mr. M.A. Pach en mr. J.F.M.J. Bouwman, rechters en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op