Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY5756

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
99081 / HA ZA 04-930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrechtelijke band “geschorst” door ondernemingskamer. Arbeidsrechtelijk ontslag ruim 1 jaar later; ontslag is nietig en kan niet worden geheeld door bevestiging door ava.

Omgekeerde situatie van de “15 april 2005” arresten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 244
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 156
RN 2006, 90
RO 2006, 12
JRV 2006, 653
JAR 2006/223 met annotatie van Mr. R.M. Beltzer
JIN 2006/400
JOR 2006/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 99081 / HA ZA 04-930

Vonnis van 14 juni 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. A.H.J. Damminga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ZORGZAAK HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. L.C. van der Veer te Meppel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Zorgzaak genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte inbreng producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis

- de conclusie van dupliek

- de akte

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onbestreden bescheiden, het volgende vast.

2.2. [eiseres] en [A] (hierna: [A]) waren vennoot in een vennootschap onder firma. Deze v.o.f. is per 18 december 2001 ondergebracht in Zorgzaak, een onderneming die zich bezighield met bemiddeling in de particuliere thuiszorg. Zorgzaak is de moedervennootschap van De Zorgzaak B.V. en De ZorgZaak Vastgoed en Facilities B.V.

[eiseres] en [A] waren beiden algemeen directeur van Zorgzaak en hielden ieder de helft van de aandelen in deze vennootschap.

2.3. Tussen [eiseres] en Zorgzaak bestond een arbeidsovereenkomst. Het salaris van [eiseres] bedroeg EUR 5.603,54 bruto per maand. [eiseres] had de beschikking over een door Zorgzaak bekostigde auto en een laptop. De telefoonkosten van haar mobiele en vaste telefoon werden door Zorgzaak betaald.

2.4. In 2003 zijn aan [eiseres] en [A] bedragen van EUR 4.500,00 netto (in mei en juli) en EUR 4.000,00 (in oktober) toegekend als bonus betreffende respectievelijk het eerste, tweede en derde kwartaal. Nadien is aan [eiseres] geen bonus meer toegekend.

2.5. In november 2003 raakten [eiseres] en [A] gebrouilleerd. In een beschikking van 24 maart 2004 heeft de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam bij wijze van voorlopige voorziening [eiseres] als bestuurder van Zorgzaak geschorst. De Ondernemingskamer overwoog onder meer:

Vaststaat dat de verhoudingen tussen de bestuurders en aandeelhouders van De ZorgZaak Holding in ernstige mate zijn verstoord alsmede dat dit in toenemende mate negatieve gevolgen heeft voor -de gang van zaken van- De ZorgZaak Holding en daarmee ook voor haar dochtervennootschap De Zorgzaak, zozeer zelfs dat de continuïteit van deze vennootschappen en van de door de laatstgenoemde in stand gehouden onderneming op het spel staat (...).

Er is dus alle aanleiding voor onmiddellijk ingrijpen in de gang van zaken van De ZorgZaak Holding. Omdat ervan kan worden uitgegaan dat [A] de steun geniet van de werknemers van De ZorgZaak en dat Stichting Privazorg de samenwerkingsovereenkomst niet zal opzeggen als zij -met uitsluiting van [eiseres]- belast blijft met het bestuur van De ZorgZaak Holding en daarmee met het bestuur van De ZorgZaak, en omdat er geen redenen zijn om te veronderstellen dat zij op zichzelf niet de geschiktheid en bekwaamheid heeft als bestuurder te fungeren, zal de Ondernemingskamer [eiseres] bij wijze van onmiddellijke voorziening -vooralsnog voor de duur van het geding- schorsen als bestuurder van De ZorgZaak Holding.

2.6. Op 19 april 2005 is FleksZorg Nederland B.V. opgericht. [eiseres] is bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap, die de moedervennootschap is van FleksZorg B.V. FleksZorg B.V. bemiddelt, blijkens haar website, in "sekszorg" voor mensen met een beperking.

2.7. In een brief van 26 augustus 2005 op briefpapier van De Zorgzaak met als referentie "ZorgZaak Holding b.v./[eiseres]" aan [eiseres] schreef [A] onder meer:

Sinds 24 maart bent u door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam geschorst als bestuurder van de ZorgZaak holding b.v.

Daarna heeft u op grond van de statuten de aandelen aangeboden tegen een door derden vast te stellen prijs.

(...)

Gedurende de hele periode is op grond van uw arbeidsovereenkomst met de ZorgZaak, waarover u verkoos te procederen, salaris betaald.

De ZorgZaak beëindigd (de rechtbank leest: beëindigt) de arbeidsovereenkomst met u per 30 september 2005 op grond van het navolgende. Door bovengeschetste gang van zaken zijn de arbeidsverhoudingen dermate verstoord dat van de ZorgZaak geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst verlangd kan worden. Voorts heeft de ZorgZaak recentelijk moeten begrijpen dat u thans bestuurder en aandeelhouder bent van een onderneming die bemiddelt in seksuele diensten.

Ik spreek de hoop uit dat wij spoedig overeenstemming kunnen bereiken over de aandelentransactie.

2.8. In een brief van 14 september 2004 reageerde mr. Damminga namens [eiseres] op deze brief door de nietigheid van het verleende ontslag in te roepen, primair vanwege het feit dat niet het bestuur maar de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd zou zijn om [eiseres] te ontslaan, subsidiair vanwege het ontbreken van een ontslagvergunning. Meer subsidiair maakte mr. Damminga namens [eiseres] aanspraak op een vergoeding omdat het ontslag kennelijk onredelijk zou zijn.

2.9. Zorgzaak heeft [eiseres] over de periode na 30 september 2005 geen salaris betaald.

2.10. [eiseres] en [A] hebben lang onderhandeld over de overdracht van de aandelen van [eiseres] in Zorgzaak aan [A]. In het kader van die onderhandelingen is ook de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Zorgzaak besproken. Uiteindelijk heeft [eiseres] haar aandelen aan [A] overgedragen tegen betaling van EUR 388.079,00. De levering van de aandelen vond in januari 2006 plaats.

2.11. Blijkens de notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van Zorgzaak op 27 januari 2006 kwam op die vergadering het agendapunt "eerder genomen besluit tot ontslag van de bestuurder L. [eiseres]" aan de orde. De vergadering besloot dienaangaande "dat het eerder genomen door de directeur van De Zorgzaak BV, mevr. [A], besluit om mevr. L. [eiseres] te ontslaan juist is geweest."

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - een aantal verklaringen voor recht betreffende de bonus, de auto van de zaak, de telefoonkosten en de laptop, alsmede betaling van bonussen en vergoedingen voor autokosten en telefoonkosten. Verder vordert ze een verklaring voor recht dat het haar verleende ontslag nietig is, althans kennelijk onredelijk is, en doorbetaling van salaris met verhogingen en rente, althans een schadeloosstelling van

EUR 150.000,00 bruto met rente en vakantiegeld met verhogingen over de periode 1 juni tot 1 oktober 2005, met wettelijke rente over deze bedragen.

3.2. Zorgzaak voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

opzegging arbeidsovereenkomst

4.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen hen beëindigd is door de (bekrachtigde) opzegging van de arbeidsovereenkomst in de brief van 26 augustus 2005.

4.2. Zorgzaak heeft betoogd dat zij in de brief van 26 augustus 2005 de arbeidsovereenkomst met [eiseres] rechtsgeldig beëindigd heeft. [A] was, als bestuurder van Zorgzaak, bevoegd om de arbeidsrechtelijke relatie te beëindigen. Voor zover zij daartoe niet bevoegd zou zijn, is dat bevoegdheidsgebrek door het bekrachtigingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders op 27 januari 2006 geheeld, stelt zij, terwijl voor opzegging van de arbeidsovereenkomst geen toestemming van het CWI vereist was.

4.3. [eiseres] benadrukt de verwevenheid van de arbeidsrechtelijke en vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking tussen partijen. Die verwevenheid leidt er volgens haar toe dat Zorgzaak niet de arbeidsovereenkomst kon beëindigen met handhaving van de vennootschapsrechtelijke betrekking tussen partijen. Bovendien was niet [A], als bestuurder van Zorgzaak, maar slechts de algemene vergadering van aandeelhouders, volgens [eiseres] bevoegd haar te ontslaan. Het besluit is dan ook door het onbevoegde orgaan genomen, meent [eiseres]. Tenslotte voert [eiseres] aan dat wanneer de arbeidsrechtelijke en vennootschapsrechtelijke betrekkingen wel gescheiden kunnen worden, en (het bestuur van) Zorgzaak wel bevoegd was haar te ontslaan voor een rechtsgeldige opzegging de toestemming van het CWI vereist was.

4.4. Het is duidelijk -en tussen partijen staat dat ook niet ter discussie- dat Zorgzaak met de opzegging van 26 augustus 2005 beoogd heeft alleen de arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen. De opzegging had geen betrekking op de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen partijen. Mede gezien het door [eiseres] gevoerde verweer dient de rechtbank dan ook te beoordelen of Zorgzaak alleen de arbeidsovereenkomst, onder instandhouding van de vennootschapsrechtelijke verhouding, kon beëindigen en, daarmee samenhangend, of [A] als bestuurder bevoegd was de arbeidsovereenkomst op te zeggen dan wel of een eventueel bevoegdheidsgebrek door het latere besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders is geheeld. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.5. In de rechtspraak van de Hoge Raad over de positie van de statutair bestuurder die tevens werknemer is (met als voorlopig sluitstuk de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2005, JOR 2005 144 en 145) wordt het gemengde karakter van de relatie tussen vennootschap en bestuurder/werknemer benadrukt, waarbij in beginsel de hoedanigheid van bestuurder die van werknemer bepaalt. Deze twee hoedanigheden lijken -tenzij partijen anders overeenkomen- onsplitsbaar (behoudens in geval van een wettelijk opzegverbod). Na of naast een ontslag door de algemene vergadering van aandeelhouders is niet ook nog eens een besluit (al dan niet door een ander orgaan van de vennootschap) vereist om te komen tot een beëindiging van de gehele relatie.

4.6. In de aan de Hoge Raad voorgelegde gevallen stond de vraag centraal wat de gevolgen voor de arbeidsovereenkomst waren wanneer de vennootschapsrechtelijke relatie door opzegging beëindigd was (door opzegging door de vennootschap of de bestuurder). In het geschil tussen partijen doet zich de situatie voor dat niet de vennootschapsrechtelijke relatie beëindigd is -gesteld noch gebleken is dat [eiseres] is ontslagen als bestuurder-, maar door de vennootschap beoogd is om alleen de arbeidsrechtelijke situatie te beëindigen.

Ofschoon de genoemde arresten, en de arresten waarop ze voortbouwen, derhalve niet rechtstreeks op deze situatie van toepassing zijn, volgt er naar het oordeel van de rechtbank wel uit dat het in beginsel niet mogelijk is dat partijen eenzijdig alleen de arbeidsovereenkomst opzeggen onder instandhouding van de vennootschapsrechtelijke relatie. De verwevenheid van de arbeidsrechtelijke en vennootschapsrechtelijke betrekkingen staat er in beginsel aan in de weg dat een vennootschap de arbeidsovereenkomst met haar statutair directeur door opzegging beëindigt, onder instandhouding van de vennootschapsrechtelijke relatie.

Dat geldt zeker wanneer, zoals hier, de bestuurder juist met het oog op het verrichten van zijn taken als bestuurder bij de vennootschap in dienst is getreden, in welk geval enerzijds de inhoud van de verplichting van de werknemer om arbeid te verrichten in hoge mate wordt ingevuld door de (vennootschapsrechtelijk bepaalde) verplichtingen van een bestuurder en anderzijds de verplichting van de werkgever om loon te betalen een tegenprestatie vormt voor die vennootschapsrechtelijke taken. Het ligt niet voor de hand, en zou ook tot onaanvaardbare gevolgen kunnen leiden, dat de vennootschap door opzegging van de arbeidsovereenkomst eenzijdig zou kunnen ontkomen aan haar verplichting loon te betalen, terwijl de bestuurder, doordat de vennootschapsrechtelijke verhouding niet is beëindigd, wel gehouden zou blijven zijn werkzaamheden als bestuurder voort te zetten.

4.7. Zorgzaak heeft betoogd dat in dit geval van verwevenheid tussen de beide rechtsbetrekkingen geen sprake was. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [eiseres] ten tijde van de opzegging al geruime tijd als bestuurder geschorst was. De rechtbank volgt Zorgzaak niet in deze stelling. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] na haar schorsing geen werkzaamheden voor Zorgzaak heeft verricht. Daaruit volgt dat er een onlosmakelijk verband bestond tussen de (vennootschapsrechtelijke) positie van [eiseres] als bestuurder van Zorgzaak en haar taak als werknemer van Zorgzaak. De schorsing van [eiseres] heeft dat, met de verwevenheid tussen beide rechtsbetrekkingen gegeven, verband niet gerelativeerd maar juist benadrukt.

4.8. De opzegging van een arbeidsovereenkomst met een bestuurder is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet "los verkrijgbaar". De vraag rijst wat het gevolg is wanneer (een orgaan van) een vennootschap toch alleen het beëindigen van de arbeidsrelatie beoogd heeft. Voor de spiegelbeeldsituatie -waarin de werknemer uitdrukkelijk alleen de vennootschapsrechtelijke verhouding opzegde- heeft de Hoge Raad (Hoge Raad 15 april 2005, JOR 2005/144) beslist dat opzegging als bestuurder in beginsel opzegging van de arbeidsrechtelijke verhouding impliceert. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen zij in rechtsoverweging 4.6 heeft overwogen, geen reden om anders te oordelen voor de situatie waarin alleen de arbeidsrechtelijke relatie wordt opgezegd. Dat betekent dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] ook heeft te gelden als haar ontslag als bestuurder.

4.9. [eiseres] heeft zich er op beroepen dat [A], als bestuurder van Zorgzaak, niet bevoegd was de arbeidsovereenkomst met haar op te zeggen en dat de opzegging om die reden nietig is. De rechtbank volgt [eiseres] in deze stelling. De opzegging van de arbeidsovereenkomst impliceerde, zoals hiervoor is overwogen, het ontslag als bestuurder. Blijkens artikel 2: 244 jo. 2: 242 BW geschiedt het ontslag van een bestuurder in beginsel door de algemene vergadering van aandeelhouders. Een en ander is ook vastgelegd in artikel 16 lid 3 van de statuten van Zorgzaak ("bestuurders worden door de algemene vergadering benoemd en kunnen te allen tijde door deze vergadering worden geschorst en ontslagen").

[A] was dan ook niet bevoegd om [eiseres] te ontslaan. Haar daartoe strekkende besluit was in strijd met artikel 2: 244 BW en artikel 16 lid 3 van de statuten van Zorgzaak en om die reden nietig (artikel 2: 14 lid 1 BW).

4.10. Zorgzaak heeft betoogd dat wanneer aan het besluit tot opzegging van de arbeidsovereenkomst een gebrek kleefde, dat gebrek met terugwerkende kracht is geheeld dan wel het besluit bekrachtigd is door het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 27 januari 2005.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Nog daargelaten dat het, gezien de formulering van het besluit van de algemene aandeelhoudersvergadering, twijfelachtig is of de vergadering beoogd besloten heeft om het besluit tot opzegging te bekrachtigen, geldt dat bekrachtiging van dit besluit niet mogelijk was. De situatie van artikel 2: 14 lid 2 BW doet zich niet voor. Er is geen sprake van het daar omschreven totstandkomingsgebrek, maar van een bevoegdheidsgebrek.

Wanneer Zorgzaak zich met haar stelling dat door het besluit van de algemene vergadering het gebrek geheeld is op artikel 3: 58 lid 1 BW heeft willen beroepen -duidelijk is dat niet doordat Zorgzaak haar visie slechts zeer summier heeft uitgewerkt-, faalt dat beroep nu [eiseres] het besluit van het begin af aan niet als geldig heeft aangemerkt, zodat alleen om die reden al niet aan alle vereisten van die bepaling is voldaan.

4.11. Uit het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders volgt ook niet dat [eiseres] opnieuw of alsnog ontslagen is. Het besluit behelst niet meer dan een positieve reactie op het eerdere -onbevoegd genomen- besluit van [A]. Het is [eiseres] ook niet meegedeeld, zodat dit besluit niet alsnog heeft geleid tot een beëindiging van de (vennootschapsrechtelijke en arbeidsrechtelijke) verhouding tussen partijen.

4.12. De slotsom is dat de opzegging door [A] op 26 augustus 2005 niet heeft geleid tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Zorgzaak. De arbeidsovereenkomst is ook nadien niet geëindigd. Dat betekent dat Zorgzaak tot op heden, en totdat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig beëindigd is, door een daartoe genomen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, gehouden is haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen. De loonvordering is dan ook volledig toewijsbaar, nu Zorgzaak daartegen verder geen verweer heeft gevoerd.

4.13. [eiseres] heeft ook aanspraak gemaakt op betaling van de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7: 625 BW. De vordering van [eiseres] is gezien het bepaalde in artikel 7: 625 BW in beginsel toewijsbaar, zij het dat de rechtbank de vordering zou kunnen matigen, zelfs tot nihil. Gelet op de omstandigheden van het geval -de onzekerheid over het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst, het feit dat [eiseres] geruime tijd wel loon heeft ontvangen maar geen werk heeft verricht en het feit dat zij een eigen bedrijf is begonnen- acht de rechtbank het billijk om de verhoging te beperken tot nihil.

de bonusregeling

4.14. [eiseres] maakt aanspraak op een bonus van EUR 0,10 per bemiddeld uur vanaf het laatste kwartaal van 2003 tot aan het moment van beëindiging van het dienstverband. Zij stelt dat zij en [A] eind 2002 het besluit tot invoering van deze bonusregeling genomen hebben. In de eerste drie kwartalen van 2003 is de bonusregeling ook toegepast.

Zorgzaak betwist niet dat in 2003 drie keer een bonus is uitgekeerd. Zij betwist ook niet dat de bonus is gebaseerd op het aantal bemiddelde uren. Zorgzaak stelt echter dat voor toekenning van een bonus aan de bestuurders een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders noodzakelijk is. Voor de periode vanaf het vierde kwartaal van 2004 is een dergelijk besluit welbewust niet genomen, omdat dit -kort gezegd- om bedrijfseconomische redenen niet verantwoord was.

4.15. [eiseres] heeft alleen aanspraak op een bonus wanneer de algemene vergadering van aandeelhouders tot een bonusregeling besloten heeft. De bezoldiging van de bestuurders van Zorgzaak wordt, ingevolge artikel 2: 245 BW, door de algemene vergadering van aandeelhouders vastgesteld, nu gesteld noch gebleken is dat in de statuten van Zorgzaak anders is bepaald.

Dat de algemene vergadering van aandeelhouders een dergelijk besluit genomen hebben, heeft [eiseres] niet gesteld. Zorgzaak heeft het in elk geval gemotiveerd betwist, zonder dat [eiseres] die betwisting heeft tegengesproken.

Overigens volgt uit een door [eiseres] zelf opgestelde notitie -met het opschrift "treitermaatregels"- al dat [eiseres] zich er van bewust was dat voor de uitkering van een bonus over het vierde kwartaal een beslissing door de algemene vergadering van aandeelhouders genomen diende te worden. In die notitie gaf [eiseres] aan tegen een bonusuitkering aan [A] voor het vierde kwartaal van 2003 te zullen stemmen. De stemmen zouden dan staken, waarmee het voorstel tot toekenning van een bonus verworpen was en [A] geen aanspraak op een bonus zou hebben.

Nu een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot toekenning van een bonus aan [eiseres] vanaf het vierde kwartaal van 2003 ontbreekt, is haar vordering tot betaling van de bonus niet toewijsbaar. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

4.16. Aan het bovenstaande doet niet af dat [eiseres] in 2003 wel drie keer een bonusuitkering ontvangen heeft. [eiseres] heeft zelf gesteld (conclusie van repliek onder 3.1) dat deze uitkeringen niet op een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders gebaseerd waren. Aan het feit dat zij, kennelijk, op basis van een besluit van een niet bevoegd orgaan van de vennootschap -de bestuurders- drie keer een bonusuitkering ontvangen heeft, kan [eiseres] geen aanspraken ontlenen op een bonus.

de auto, laptop en de telefoons van de zaak

4.17. De rechtbank stelt voorop dat de werknemer die geschorst is gedurende de schorsing in beginsel aanspraak heeft op doorbetaling van loon. Een schorsing ligt in de risicosfeer van de werkgever (Hoge Raad 21 maart 2003, JAR 2003/91), zodat de schorsing een oorzaak is die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (artikel 7: 628 lid 1 BW).

Wanneer een werknemer gedurende de uitoefening van zijn functie de beschikking heeft over een auto, computer en telefoon(s) van de zaak, betekent dat nog niet dat de werkgever gehouden is de werknemer het gebruik, dat dan vanwege de schorsing bestaat uit privé gebruik, van auto en telefoons te laten gedurende de schorsing. Artikel 7: 628 lid 1 BW heeft (overigens net als artikel 7: 629 lid 1 BW) betrekking op het "naar tijdruimte vastgestelde loon".

Het privé gebruik is alleen als loon te beschouwen wanneer het kan worden gekwalificeerd als een op zichzelf staande, onvoorwaardelijke arbeidsvoorwaarde. In dat geval heeft de werknemer, in beginsel, aanspraak op voortzetting van het gebruik gedurende de periode van de schorsing en kan de werkgever dat gebruik niet zonder meer eenzijdig aan de werknemer ontnemen.

Wanneer de ratio van het ter beschikking stellen van een auto, telefoons of computer gelegen is in de aard van de functie van de betrokken werknemer, ligt het niet voor de hand het privé gebruik als een loonbestanddeel aan te merken. De werknemer is in dat geval in beginsel tot afgifte zonder compensatie gehouden, zeker wanneer de schorsing geruime tijd duurt en er geen zicht is op spoedige werkhervatting. Een en ander is alleen anders wanneer het privé gebruik in de arbeidsovereenkomst tussen partijen uitdrukkelijk is bedongen. Is dat het geval dan kan er in beginsel van worden uitgegaan dat partijen beoogd hebben het privé gebruik als een zelfstandige, en niet van het daadwerkelijk uitoefenen van de functie afhankelijke, arbeidsvoorwaarde aan te merken.

4.18. Dat partijen het privé gebruik door [eiseres] van de auto, telefoons en laptop uitdrukkelijk als arbeidsvoorwaarde bedongen hebben, is gesteld noch gebleken. [eiseres] heeft slechts aangevoerd dat het privé gebruik "feitelijk" een arbeidsvoorwaarde, een onderdeel van de beloning, was. Dat is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, echter onvoldoende wanneer de ratio van het gebruik van de auto c.a. gelegen is in de aard van de functie en het privé gebruik een (weliswaar plezierig) neveneffect van dat functionele gebruik betreft.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld over de aard van de functie van [eiseres] en het gebruik dat [eiseres] van auto, telefoons en computer maakte, volgt dat de ratio van het ter beschikking stellen van deze voorwerpen vooral in de aard van de functie van [eiseres] lag. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat zij ze volledig, of grotendeels, voor privé doeleinden gebruikte.

Om die reden kan het aan dat functionele gebruik verbonden privé gebruik niet als een loonbestanddeel aangemerkt worden. [eiseres] was derhalve gehouden de auto en de computer na haar schorsing aan Zorgzaak af te geven en zij diende de kosten van het gebruik van haar telefoons voor eigen rekening te nemen.

4.19. De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] betreffende auto, telefoons en computer dienen te worden afgewezen.

proceskosten

4.20. Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. Om die reden zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat het bij brief van 26 augustus 2005 aan [eiseres] gegeven ontslag nietig is en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door dat ontslag is beëindigd;

5.2. veroordeelt Zorgzaak om aan [eiseres] te betalen het haar toekomende salaris ad

EUR 5.603,54 bruto per maand vanaf 1 oktober 2005 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente over het achterstallige salaris vanaf de datum van opeisbaarheid van het salaris tot aan het tijdstip van betaling;

5.3. verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af;

5.5. compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen belast worden met de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2006.