Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY5754

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
100395 / HA ZA 04-1147
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke vervaltermijn van artikel 3:200 BW.

Ambtshalve toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 100395 / HA ZA 04-1147

Vonnis van 21 juni 2006

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. E.W.A. Krantz-Cornelis te Leeuwarden,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. H.A. Bosma.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2006

- de akte van [A] van 22 februari 2006

- de antwoordakte van [B] van 8 maart 2006

- de akte van [B] van 15 februari 2006

- de antwoordakte van [A] van 8 maart 2006

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 18 januari 2006 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wettelijke vervaltermijn, neergelegd in artikel 3:200 BW. Voorts zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de juridische grondslag van de vordering in reconventie.

wettelijke vervaltermijn

2.2. [A] stelt dat zij de verdeling tijdig buitengerechtelijk heeft vernietigd. In dit verband acht zij van belang dat er op 13 januari 2003 een onderhoud heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de raadslieden en mr. Van Ham-Oude Elferink, die partijen tijdens de echtscheidingsprocedure had begeleid, teneinde in onderling overleg tot een regeling te komen. Bij brief van 12 februari 2003 heeft mr. Van Ham-Oude Elferink het een en ander bevestigd. Nu mr. Van Ham-Oude Elferink in voornoemde brief uitdrukkelijk verwijst naar artikel 3:196 BW is duidelijk dat alle betrokkenen begrepen waar het in deze kwestie om draaide, aldus [A]. Verder valt uit de processuele houding van [B] af te leiden dat ook hij van mening was dat de mededeling tot het buitengerechtelijk vernietigen van de overeenkomst hem tijdig had bereikt. Immers, [B] heeft in de onderhavige procedure geen beroep gedaan op een vervaltermijn. Tot slot verwijst [A] naar een vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 8 september 2004.

2.3. [B] refereert zich, waar het de onderlinge contacten tussen partijen betreft, aan het oordeel van de rechtbank. Verder maakt hij het argument van de rechtbank inzake de termijnoverschrijding tot het zijne.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat op het vernietigen van een verdeling, op grond van artikel 3:196 BW, in beginsel de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen geldende bepalingen van toepassing zijn. Dit brengt met zich dat een verdeling ook door een buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd. Aan de vorm en inhoud van een dergelijke verklaring worden geen bijzondere eisen gesteld. Wel dient het voor partijen duidelijk te zijn wanneer er sprake is van een buitengerechtelijke vernietiging.

2.5. [A] stelt dat het voor partijen duidelijk was waar het in deze kwestie om draaide - te weten het buitengerechtelijk vernietigen van de verdeling - nu door mr. Van Ham-Oude Elferink in zijn brief van 12 februari 2003 uitdrukkelijk naar artikel 3:196 BW wordt verwezen. [A] kan hierin echter niet worden gevolgd. In dit verband wordt allereerst verwezen naar de inhoud van voornoemde brief, waarin wordt vermeld:

Uiteindelijk is tijdens onze bespreking een voorstel op tafel gekomen, inhoudende dat namens de vrouw de heer [C] kan worden verzocht een berekening te maken op grond van de artikelen 6 en 7 van de huwelijkse voorwaarden en op basis van de jaarstukken over de huwelijkse periode. De hiermee gepaard gaande kosten zouden dan voor rekening van de vrouw komen. Langs die weg kan de vrouw beoordelen of al dan niet sprake is van dwaling in de zin van artikel 3:196 BW.

2.6. Weliswaar kan uit het voorgaande worden opgemaakt dat tijdens de bespreking een voorstel tot stand is gekomen teneinde [A] in de gelegenheid te stellen te beoordelen of er al dan niet sprake zou zijn van dwaling, doch hieruit kan niet worden afgeleid dat het voor partijen op dat moment duidelijk was dat de verdeling (daarmee) buitengerechtelijk zou zijn vernietigd. Dat [A] en [B], blijkens de inhoud van de brief, bij aanvang van de bespreking van mening verschilden over de vraag of [A] zou hebben gedwaald maakt het voorgaande niet anders nu - blijkens het vorenoverwogene - aan het einde van de bespreking is afgesproken in onderling overleg tot meer duidelijkheid te komen. Uit de stellingen van [A] volgt niet dat zij de verdeling reeds daadwerkelijk door een buitengerechtelijke verklaring had vernietigd.

2.7. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of de buitengerechtelijke verklaring [B] tijdig zou hebben bereikt geen bespreking. De omstandigheid dat [B] in de onderhavige procedure geen beroep heeft gedaan op een vervaltermijn doet niet terzake nu het hier een termijn van dwingend recht betreft welke - anders dan bijvoorbeeld een verjaringstermijn - ambtshalve door de rechtbank moet worden toegepast. Het door [A] aangehaalde vonnis van de rechtbank Leeuwarden leidt evenmin tot een ander oordeel nu dit vonnis op een andere dan de onderhavige situatie ziet. Gelet op het voorgaande wordt de vordering in conventie afgewezen.

vordering in reconventie

2.8. [B] stelt dat de juridische grondslag, waarop hij zijn vordering in reconventie tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten heeft gebaseerd, een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad betreft. Deze zou erin bestaan dat [A] willens en wetens tegen de gemaakte afspraak is ingegaan en hem ten onrechte in rechte heeft betrokken. Mede gezien de onderliggende afspraak lag het ook niet in de rede te veronderstellen dat hij uit hoofde van het convenant opnieuw zou worden aangesproken.

2.9. [A] betwist het voorgaande. Zij stelt dat het [B]' eigen keuze is geweest zich tot mr. Bosma te wenden. Voorts ging het initiatief tot het opnieuw berekenen van de zaak door een onafhankelijke accountant eveneens uit van mr. Bosma. [A] betwist dat er sprake zou zijn van buitengerechtelijke kosten die door haar zouden moeten worden vergoed.

2.10. De rechtbank is van oordeel dat [B] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat [A] willens en wetens tegen de gemaakte afspraak zou zijn ingegaan en hem ten onrechte in rechte zou hebben betrokken. In dit verband wordt nog overwogen dat in het echtscheidingsconvenant van 20 maart 2001 is bepaald dat partijen, bij een verschil van mening omtrent de interpretatie of uitvoering van het convenant, zullen trachten door middel van onderling overleg tot een regeling te komen. Partijen hebben dit, blijkens de inhoud van de door [A] ingebrachte stukken, geprobeerd. Het is de rechtbank derhalve niet duidelijk op welke afspraak [B] doelt, te meer daar het convenant eveneens voorziet in de mogelijkheid tot het eventueel aan de rechter voorleggen van geschilpunten. De rechtbank vermag niet in te zien dat [A] jegens [B] onrechtmatig zou hebben gehandeld, enkel door hem in rechte te betrekken. Gelet op het voorgaande dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

proceskosten

2.11. Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn en het geschil voortvloeit uit de vroegere echtelijke verhouding zullen de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

in reconventie

3.2. wijst de vorderingen af,

in conventie en reconventie

3.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2006.