Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY5743

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
112656 / HA ZA 05-1126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Drie internationale bevoegdheidsincidenten zijn in deze zaak aan de orde:

1. vordering gegrond op een geheimhoudingsverplichting;

2. vordering gegrond op een provisieovereenkomst 1 en 2 tranche;

3. levering van containers.

Ad 1

Rechtbank bevoegd, omdat de vordering is gegrond op een beding in een overeenkomst, waarin partijen de rechtbank Zwolle-Lelystad exclusief bevoegd hebben verklaard; (vgl. art. 23 EEX-Vo)

Ad 2

Rechtbank niet bevoegd; art. 4 lid 1 jo 5 lid 5 EVO

Bij gebreke van een rechtskeuze wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is betrokken; i.c. Duits recht, omdat Rotherm de kenmerkende prestatie diende te leveren. Naar Duits recht is de woonplaats van de schuldenaar de plaats van betaling.

Ad 3

Rechtbank Zutphen bevoegd; koop roerende zaken. Toepassing van art. 5 sub 1 EEX-Vo brengt mee dat bevoegd is de rechter van de plaats van uitvoering, in dit geval Apeldoorn. Partijen zijn overeengekomen dat de containers in Apeldoorn dienden te worden afgeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 112656 / HA ZA 05-1126

Vonnis in incident van 5 april 2006

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht ROTHERM MACHINENBAU GMBH,

gevestigd te Stadtlohn, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat mr. M.D. Ubbink te Enschede.

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCONSYST B.V., voorheen VConsyst Leisure Systems B.V. en Schiphorst Milieutechniek B.V.,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. A.P. Maes te Apeldoorn,

Partijen zullen hierna Rotherm en VConsyst genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding (met producties);

- de incidentele conclusie houdende de exceptie tot onbevoegdheid;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het bevoegdheidsincident

2.1. In de hoofdzaak wordt Rotherm door VConsyst aangesproken uit hoofde van

1) schending van een in een op 9 oktober 2000 tussen partijen gesloten overeenkomst opgenomen geheimhoudingsverplichting, waarop een boete is gesteld,

2) een op 29 mei 2002 tussen partijen gesloten provisieovereenkomst (eerste tranche), gevolgd door een tweede provisieovereenkomst (tweede tranche), en

3) een overeenkomst tot levering (op afroep) door Rotherm aan VConsyst van ondergrondse containersystemen, bestemd voor de gemeente Apeldoorn.

2.2. VConsyst stelt dat uit de op 9 oktober 2000 tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst voortvloeit dat op de rechtsverhouding tussen partijen Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank te Zwolle-Lelystad (uitsluitend) bevoegd is van geschillen kennis te nemen. De toepasselijkheid van Nederlands recht en de bevoegdheid van de rechtbank Zwolle-Lelystad vloeien daarnaast voort uit de op alle transacties van VConsyst toepasselijke handelsvoorwaarden, waarvan een afschrift is gehecht aan de door partijen ondertekende overeenkomst. Een selectie van de algemene voorwaarden staat bovendien afgedrukt op de achterzijde van het briefpapier van VConsyst.

2.3. Rotherm heeft - onder uitdrukkelijk voorbehoud van haar verweermiddelen in de hoofdzaak - vóór alle weren de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen door te stellen dat de rechtbank Zwolle-Lelystad onbevoegd is van de geschillen kennis te nemen. Volgens Rotherm is de Duitse rechter bevoegd van de geschillen kennis te nemen, aangezien krachtens artikel 2 van de EEX-verordening de gedaagde dient te worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar zij woonplaats heeft. Volgens Rotherm is de rechtbank Zwolle-Lelystad evenmin bevoegd als alternatief forum ingevolge de artikelen 5 tot en met 7 van de EEX-verordening.

2.4. In een geval als het onderhavige, waar de eisende partij in Nederland haar vestigingsplaats heeft en de gedaagde haar vestigingsplaats in Duitsland heeft, dienen de bevoegdheidsregels te worden gevonden in de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, Pb L 012/01 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hier ook EEX-verordening), waarbij Nederland en Duitsland partij zijn.

2.5. Ingevolge artikel 2 EEX-verordening geldt als hoofdregel dat Rotherm als verweerder in beginsel dient te worden opgeroepen voor de gerechten van de staat van haar plaats van vestiging. Op grond van artikel 5 EEX-verordening is het mogelijk om in bepaalde gevallen een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat voor het gerecht te roepen. Dit artikel bevat voor een aantal bijzondere onderwerpen alternatieve bevoegdheidsregels, met een tweetal hulpregels (onder b en c). In het eerste lid is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat voor de volgende gerechten kan worden opgeroepen:

a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de

plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een

lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd

hadden moeten worden;

- voor de verstrekking van diensten de plaats in een lidstaat waar de diensten

volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is.

Op grond van artikel 23 EEX-verordening komt partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de bevoegdheid toe een gerecht of gerechten van een lidstaat aan te wijzen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. De hier gegeven bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht kan bij een schriftelijke overeenkomst worden gesloten.

geheimhoudingsovereenkomst

2.6. De vordering sub 1 van VConsyst is gegrond op schending van een geheimhoudingsverplichting, zoals opgenomen in artikel 8.1 van de op 9 oktober 2000 tussen Schiphorst Milieutechniek B.V., de rechtsvoorganger van VConsyst, en Rotherm tot stand gekomen overeenkomst (in de aanhef aangeduid als "Distribution Agreement"), waarop in artikel 11.1 een boete is gesteld van EUR 50.000,-- per incident. In artikel 12 van deze overeenkomst is de volgende bepaling opgenomen:

Dutch law applies to this agreement. In case of disputes between parties about this agreement or in relation to this agreement, the district court in Zwolle is exclusively competent to judge in this.

2.7. De ontkenning van Rotherm dat het op 9 oktober 2000 tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding betrekking heeft op de thans in geschil zijnde vordering waarop VConsyst de betaling van op een geheimhoudingsverplichting gestelde boete baseert is niet voldoende om tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter te concluderen. VConsyst heeft voldoende feiten gesteld waaruit - indien zij komen vast te staan - zou kunnen volgen dat een overeenkomst als door haar gesteld is gesloten, waarvan de totstandkoming overigens niet door Rotherm is betwist. Nu VConsyst zich beroept op het bestaan van deze overeenkomst, die voor Rotherm een geheimhoudingsverplichting inhoudt, waarop een (contractuele) boete is gesteld en waarin partijen tevens een forumkeuze zijn overeengekomen die gelet op de tekst exclusief bedoeld is, is de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter reeds gegeven. Het verweer van Rotherm dat de geheimhoudingsverplichting niet is overeengekomen met het oog op de thans in geschil zijnde vordering(en) dient in de hoofdzaak aan de orde te worden gesteld. De rechtbank Zwolle-Lelystad is derhalve bevoegd van de vordering(en) uit hoofde van de overeenkomst van 9 oktober 2000 kennis te nemen.

provisieovereenkomst, eerste en tweede tranche

2.8. VConsyst kan niet worden gevolgd in haar stelling dat tussen de schriftelijke overeenkomst van 29 mei 2002, waarop VConsyst haar vordering tot betaling van provisie met betrekking tot de levering van containers door Rotherm aan Roteb van een bedrag van EUR 50.000,-- baseert, en de op 9 oktober 2000 gesloten overeenkomst (waarin een forumkeuzebeding is overeengekomen; vgl. r.o.2.6.) een direct verband bestaat. Uit de op 29 mei 2002 vastgestelde overeenkomst volgt dat de daarbij betrokken partijen (waaronder een derde, Acces B.V.) een regeling hebben getroffen voor de tussen hen gerezen geschillen, waaronder betaling van provisie door Rotherm aan Euro-Partners B.V. (waarmee kennelijk bedoeld wordt Europartners Waste Systems B.V., vgl. punt 2.2. van de inleidende dagvaarding) ter zake de levering van 1150 containers aan Roteb. De aard en strekking van een meerpartijen-vaststellingsovereenkomst verzet zich in beginsel tegen de toepasselijk verklaring van de contractuele verhouding zoals neergelegd in een eerdere overeenkomst tussen slechts twee van de betrokken partijen, tenzij de betrokken partijen uitdrukkelijk verklaren de eerdere overeenkomst op de vaststellingsovereenkomst toepasselijk te verklaren. In de in de Duitse taal gestelde vaststellingsovereenkomst hebben partijen de eerder tussen (de rechtsvoorganger van) VConsyst en Rotherm gesloten overeenkomst niet toepasselijk verklaard noch bevat deze overeenkomst een verwijzing naar die overeenkomst dan wel naar de door (de rechtsvoorganger van) VConsyst gehanteerde algemene voorwaarden. Daar komt bij, zoals door Rotherm terecht is opgemerkt, dat de provisieovereenkomst betrekking heeft op de levering van containers door Rotherm in Nederland, terwijl de overeenkomst van 9 oktober 2000 blijkens de preambule in verbinding met artikel 2 betrekking heeft op het verkopen, verhuren of anderszins verhandelen van ondergrondse afvalcontainers door Rotherm in Duitsland. Dat Rotherm bij de levering van de containers aan Roteb gebruik heeft gemaakt van een Europe-container van (de rechtsvoorganger van) VConsyst, waarop ten name van (de rechtsvoorganger van) VConsyst octrooien zijn verstrekt en op welk ontwerp (de rechtsvoorganger van) VConsyst een auteursrecht toekomt, doet daaraan onvoldoende af.

2.9. Evenmin kan VConsyst worden gevolgd in haar subsidiaire stelling dat sprake is van een indirect verband tussen de beide overeenkomsten. Hetgeen VConsyst daaromtrent heeft gesteld (de rechtsvoorganger van VConsyst heeft met een lagere provisie genoegen genomen en op die wijze bijgedragen in de kosten van aanpassing van de container) rechtvaardigt niet de conclusie die VConsyst daaraan blijkbaar verbindt. Met name heeft VConsyst nagelaten te stellen waarop de aanvankelijk gemaakte provisieafspraak betrekking heeft en in welk verband die afspraak gezien moeten worden in het licht van de productie- en distributieafspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst van 9 oktober 2000.

2.10. Het meer subsidiaire beroep van VConsyst op artikel 10.1 van de overeenkomst van 9 oktober 2000 wordt verworpen, reeds omdat daarin is bepaald dat het Rotherm niet is toegestaan, zonder schriftelijke toestemming van Schiphorst (de rechtsvoorganger van VConsyst), ondergrondse containers afkomstig van derden te verkopen, te verhuren of anderszins te verhandelen. De provisieovereenkomst daarentegen heeft betrekking op de in opdracht van (de rechtsvoorganger van) VConsyst door Rotherm aan een derde (Roteb) geleverde containers. Niet volgehouden worden dat Rotherm zonder schriftelijke toestemming containers heeft verkocht, nog daargelaten dat de overeenkomst blijkens artikel 2 alleen betrekking heeft op het grondgebied van Duitsland.

2.11. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen bij de totstandkoming van de mondeling gemaakte provisieafspraak (tweede tranche) van andere uitgangspunten zijn uitgegaan, treffen de stellingen van VConsyst ten aanzien van deze mondelinge afspraak, waarvan het bestaan door Rotherm overigens wordt ontkend, hetzelfde lot. De bevoegdheid van de rechtbank Zwolle-Lelystad kan niet worden gegrond op de overeenkomst van 9 oktober 2000, noch rechtstreeks noch vanwege het bestaan van een zodanig verband dat de overeenkomst van 9 oktober 2000 een mondeling gesloten provisieovereenkomst beheerst.

2.12. Op de overeenkomst van 29 mei 2002 (en bijgevolg de mondelinge vervolgafspraak) is bij gebreke van een rechtskeuze het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, 156 en Trb. 1991, 109 (EVO) van toepassing. Omdat een vaststellingsovereenkomst er naar de aard toe strekt om een rechtsgeschil te voorkomen of te beëindigen en aldus tot gelijkwaardige prestaties over en weer verplicht, wordt deze - bij gebreke van een rechtskeuze - ingevolge art. 4 lid 1 jo lid 5 EVO beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Bij gebreke van andere relevante omstandigheden knoopt de rechtbank voor de nauwste verbondenheidstoets aan bij het recht dat de contractuele rechtsbetrekking beheerst. Binnen die rechtsbetrekking gold in ieder geval als kenmerkende prestatie de fabricage en levering van containers door Rotherm, waarvoor de opdrachtgever (de rechtsvoorganger van VConsyst) een provisie heeft bedongen. De opdrachtnemer heeft haar vestigingsplaats in Duitland, zodat Duits recht van toepassing is. Nu Rotherm is gevestigd in Duitsland, vloeit uit art. 4 lid 2 EVO voort dat Duits recht de rechtsbetrekking tussen partijen beheerst. Naar Duits recht is de woonplaats van de schuldenaar de plaats van betaling. Gelet op de vestigingsplaats van Rotherm is Stadtlohn (Duitsland) de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd. De rechtbank Zwolle-Lelystad is derhalve in beginsel onbevoegd van de vorderingen uit hoofde van de provisieovereenkomst (zowel de eerste als de tweede tranche) kennis te nemen.

Voor het geval de rechtbank niet mocht uitgaan van (het bestaan van) de provisieovereenkomst, heeft VConsyst haar vordering tot betaling van provisie subsidiair gebaseerd op de overeenkomst van 9 oktober 2000 (vgl. punt 7.12. van de dagvaarding). Zoals uit rechtsoverweging 2.7. volgt is de rechtbank Zwolle-Lelystad bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, indien VConsyst haar vordering, na een verandering van eis (waarbij de primaire grondslag wordt verlaten) op de overeenkomst van 9 oktober 2000 grondt.

Apeldoorn containers

2.13. VConsyst kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de overeenkomst van 9 oktober 2002 (door haar consequent aangeduid als een "samenwerkingsovereenkomst" en door Rotherm als een "distributieovereenkomst") van toepassing is op de opdracht van VConsyst tot levering van ondergrondse containersystemen voor de gemeente Apeldoorn. Hoewel aan Rotherm kan worden toegegeven dat de opdracht tot levering van de containersystemen is gegeven na de op 9 oktober 2000 tot stand gekomen overeenkomst, heeft de overeenkomst van 9 oktober 2000, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.8. is overwogen, blijkens de preambule in verbinding met artikel 2 betrekking op het verkopen, verhuren of anderszins verhandelen van ondergrondse afvalcontainers door Rotherm in Duitsland. Met name kan VConsyst niet volhouden dat partijen met de totstandkoming van de overeenkomst van 9 oktober 2000 beoogd hebben een raamovereenkomst te sluiten, welke gelding heeft op alle hierna tussen partijen te sluiten overeenkomsten. Evenmin kan VConsyst worden gevolgd in haar stelling dat het de bedoeling van partijen was dat Rotherm vooral voor de Nederlandse markt zou gaan produceren. Het gestelde in artikel 14, zoals opgenomen in het supplement op de overeenkomst van 9 oktober 2000, waarin Rotherm naast Maschinenfabrik Gorredijk als "sole supplier" wordt aangemerkt, rechtvaardigt die conclusie in ieder geval niet. Het enkele feit dat partijen een regeling hebben getroffen voor het geval (de rechtsvoorganger van) VConsyst de productie eenheid van ondergrondse containers aan een derde zou verkopen laat onverlet dat de overeenkomst betrekking heeft op het grondgebied Duitsland. Dat deze overeenkomst naast distributie tevens de fabricage door Rotherm van onderdelen van containers en/of ondergrondse containers bestemd voor de Duitse markt inhoudt, brengt niet mee dat deze overeenkomst , zoals door VConsyst is gesteld, als een meeromvattende samenwerkingsovereenkomst heeft te gelden. Hieraan doet niet af, zoals door VConsyst wordt betoogd, dat Rotherm voornamelijk voor de Nederlandse markt heeft geproduceerd. De aan de overeenkomst van 9 oktober 2000 gehechte algemene voorwaarden van de (rechtsvoorganger van) VConsyst vinden geen toepassing, omdat uit het bepaalde in artikel 13 volgt dat deze voorwaarden slechts gelding hebben voor de aangehechte overeenkomst.

2.14. Het beroep van VConsyst op het (destijds) door haar gebruikte briefpapier, waarin blijkbaar een verwijzing naar algemene voorwaarden voorkomt, kan haar niet baten. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht kan ingevolge artikel 23 van de EEX-verordening op een van de daarin vermelde wijzen worden gesloten. Aan de schriftelijkheidseis van art. 23 lid 1 aanhef en onder a van de EEX-verordening is niet voldaan indien in briefpapier in algemene zin wordt verwezen naar algemene voorwaarden waarin een forumkeuzebeding is opgenomen. Voorts is gesteld noch gebleken dat de forumkeuzeovereenkomst tot stand is gekomen in een vorm die wordt toegelaten door de handelsbetrekkingen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden dan wel in de internationale handel in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn, een vorm die in de internationale handel algemeen bekend is en die door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

2.15. Het beroep van Rotherm op de door haar gehanteerde leverings- en betalingsvoorwaarden, waarnaar wordt verwezen in de offerte van 29 mei 2001 met nummer 05208 en aanduiding "Kom Apeldoorn" (prod. 2 bij incidentele conclusie), kan om dezelfde reden als hiervoor in rechtsoverweging 2.14. niet worden gehonoreerd, nog daargelaten dat de opdrachtbevestiging van Rotherm (prod. 13 bij dagvaarding) geen verwijzing naar toepasselijke voorwaarden inhoudt.

2.16. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, moet bij gebreke van een partijafspraak worden bepaald aan de hand van het door het internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter aangewezen recht. Voor de toepassing van artikel 5 sub 1 EEX-Verordening heeft de verordening onder b. van deze bepaling ten aanzien van twee categorieën van overeenkomsten autonoom bepaald waar de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis is gelegen. De rechter ter plaatse van de feitelijke levering is bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen die voortvloeien uit de koopovereenkomst, ook ten aanzien van de betaling, tenzij partijen daarover uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Indien de levering van zaken achterwege is gebleven en schadevergoeding wegens de niet-nakoming wordt gevorderd, is bevoegd de rechter van de plaats waar de zaken geleverd hadden moeten worden.

2.17. Niet weersproken is dat ter uitvoering van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst de levering (op afroep) van de door (de rechtsvoorganger van) VConsyst gekochte ondergrondse containers in Apeldoorn diende plaats te vinden, zoals ook blijkt uit de offerte van Rotherm van 29 mei 2001, waarin Apeldoorn als plaats van levering is aangewezen. Hieruit volgt dat de rechtbank Zutphen in beginsel bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

2.18. Tegenover het door haar gestelde belang van Rotherm, dat voor het geval de rechtbank zich onbevoegd mocht verklaren over meer dan één van de onderhavige geschillen te oordelen, de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van alle geschillen kennis te nemen, staat het belang van VConsyst om alle geschillen te concentreren bij een (Nederlandse) rechter. Gelet op preambule bij de EEX-verordening en met name het gestelde in overweging 15 komt het de rechtbank om reden van proceseconomie geraden voor alle geschillen, derhalve ook het geschil uit hoofde van de provisieovereenkomst, door een en dezelfde Nederlandse rechter te laten beslissen. Aan Rotherm zal gelegenheid worden geboden zich ter rolle uit te laten over de vraag of de rechtbank zich ter zake het geschil over de provisieovereenkomst (eerste en tweede tranche) onbevoegd dient te verklaren dan wel dat Rotherm alsnog de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aanvaardt, en wel de rechtbank Zwolle-Lelystad, hetgeen in gelijke mate geldt voor het geschil met betrekking tot de Apeldoorn containers.

3. De slotsom is dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen uit hoofde van de geheimhoudingsovereenkomst en de levering van de containers kennis te nemen. Voor het overige wordt iedere beslissing, ook ten aanzien van de proceskosten, aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. verklaart zich bevoegd van de vorderingen uit hoofde van de geheimhoudings- overeenkomst kennis te nemen,

4.2. verwijst de zaak voor uitlating aan de zijde van Rotherm als bedoeld in rechtsoverweging 2.18. naar de rol van woensdag 3 mei 2006,

4.3. houdt iedere verdere uitspraak aan,

in de hoofdzaak

4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 mei 2006 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Rotherm.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op woensdag 5 april 2006.