Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY5731

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
114049 / HA ZA 05-1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

161 Rv. Een op tegenspraak gewezen vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert in een civiele procedure, ingevolge artikel 161 Rv dwingend bewijs op van dat feit. In deze zaak wordt aan dat uitgangspunt voorbij gegaan. (zie met name de rechtsoverweging 5.2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 114049 / HA ZA 05-1330

Vonnis van 26 april 2006

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats], gemeente [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. A.J. ter Wee,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. H.J. Voors.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 oktober 2005 en de akte overlegging producties van [A]

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van [B]

- het tussenvonnis van 25 januari 2006

- de conclusie van antwoord in reconventie van [A]

- de bij brief van 6 april 2006 ingezonden producties van [A]

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 april 2006

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Eiseres houdt zich bezig met het verhandelen van paarden. Gedaagde is een paardenfokker.

2.2 Op 10 augustus 2004 hebben partijen met elkaar gesproken over het paard 'Wahorn' (ingeschreven KWPN-stamboek onder levensnummer [levensnummer]). [B] is in het bezit van het stamboekpapier en het paardenpaspoort van dat paard.

2.3 Op 11 augustus 2004, omstreeks 12.45 uur, heeft [A] [B] telefonisch meegedeeld dat hij het paard zou komen ophalen en wat mensen mee zou nemen. [B] heeft daarop aan [A] meegedeeld dat het paard was gestorven en inmiddels was opgehaald door een destructiebedrijf. Vervolgens heeft [A] op 11 augustus 2004, in het bijzijn, dan wel in samenwerking met drie anderen, zonder toestemming van [B] diens loods betreden (door middel van braak) en het paard, dat levend bleek te zijn, meegenomen.

2.4 [B] heeft aangifte gedaan van diefstal. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 7 januari 2005 is [A] door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld ter zake van diefstal in vereniging en met braak tot een voorwaardelijke geldboete van

EUR 1.500,--, subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde is gesteld dat [A] "binnen 1 maand het paard (levensnummer [levensnummer]), totdat door de (civiele) rechter anders zal zijn beslist, terug zal geven aan [B]". [A] heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Inmiddels is het vonnis in kracht van gewijsde gegaan doordat het hoger beroep is ingetrokken.

2.5 Namens [A] is [B] aangeschreven bij brieven gedateerd 10 en 24 januari 2005. [B] heeft niet op deze brieven gereageerd.

2.6 Bij tussen partijen gewezen kort geding vonnis van 7 februari 2005 (kg. Nr. 105394 KG ZA 05-34) is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat het paard eigendom is van [A] en terecht onder [A] blijft. Dit vonnis is in hoger beroep vernietigd.

2.7 Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 28 september 2005 conservatoir beslag gelegd op het paard en is het paard in gerechtelijke bewaring gegeven aan P. Dekker. De kosten van de bewaring van het paard bedragen volgens [A] EUR 10,-- per dag.

3. De vorderingen in conventie

3.1 Naast een verklaring voor recht dat het paard eigendom is van [A] vordert [A] een veroordeling van [B] tot afgifte aan [A] van het fokkersbewijs, het eigendomsbewijs en het paardenpaspoort van het paard, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan [B] een dwangsom verbeurt van EUR 200,-- per (gedeelte van een) dag, met een maximum van EUR 10.000,--, met veroordeling van [B] in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en de kosten in verband met de gerechtelijke bewaring van het paard.

3.2 [A] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van het paard. Hij stelt dat hij het paard op 24 juli 2004 van [B] heeft gekocht en bij [B] heeft opgehaald en het paard vervolgens op 10 augustus 2004 aan [B] heeft verkocht voor een bedrag van EUR 1.500,--. Op de avond van 10 augustus 2004 heeft [A], naar hij stelt, in het bijzijn van mevrouw [C] het paard naar [B] gebracht en tevens het stamboekpapier en het paardenpaspoort aan [B] overhandigd. Omdat [B] toen niet de afgesproken koopsom betaalde, maar slechts EUR 400,-- , is tussen partijen, naar [A] stelt, een eigendomsvoorbehoud gemaakt en afgesproken dat [B] de resterende EUR 1.100,-- op 11 augustus 2004

's ochtends aan en bij [A] zou voldoen, bij gebreke waarvan [A] zijn paard zou ophalen. Op 11 augustus 2004 kwam [B] 's ochtends niet opdagen, aldus [A]. [A] heeft toen telefonisch aan [B] meegedeeld dat hij zijn paard zou komen ophalen en wat mensen mee zou nemen. [B] antwoordde daarop, volgens [A], dat het paard inmiddels was gestorven en naar een destructiebedrijf was gebracht. Vervolgens is [A] nog diezelfde dag met mevrouw [C] alsmede zijn zoon en een vriend van zijn zoon naar de woning van [B] gereden. [B] was volgens [A] niet thuis of hield zich volgens [A] in zijn woning schuil. [A] c.s. zijn toen de loods van [B] binnengetreden (door middel van braak), hebben het paard ingeladen en meegenomen ingevolge de afspraak, volgens [A], dat als er op 11 augustus 2004 's ochtends niet betaald zou worden, [A] het paard zou ophalen.

3.3 [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1 Naast een veroordeling van [A] tot het opheffen van het conservatoir beslag dat [A] op 28 september 2005 heeft doen leggen op het paard, op verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per (gedeelte van een) dag, met een maximum van EUR 10.000,--, vordert [B] dat de rechtbank P. Dekker zal bevelen om terstond na de opheffing van het beslag het paard aan [B] af te geven en voorts zal bepalen dat de kosten van de gerechtelijke bewaring van het paard geheel voor rekening van [A] komen.

4.2 [B] stelt dat het paard zijn eigendom is. Hij voert aan dat alle papieren van het paard (het stamboekpapier en het paardenpaspoort) in zijn bezit zijn en op zijn naam staan. Hij stelt dat [A] het paard op 11 augustus 2004 heeft gestolen en benadrukt dat hij het paard nimmer te koop heeft aangeboden en dat het voor 11 augustus 2004 nooit van zijn erf is geweest. Uit het vonnis van de politierechter volgt, volgens [B], dat [A] geen eigenaar is van het paard.

4.3 [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil

in conventie

5.1 Partijen verschillen van mening over de vraag of [A], dan wel [B] eigenaar is van het paard.

5.2 Met betrekking tot het vonnis van de politierechter overweegt de rechtbank als volgt. Een op tegenspraak gewezen vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert in een civiele procedure, ingevolge artikel 161 Rv dwingend bewijs op van dat feit. Gelet op de voorwaarde die het vonnis van de politierechter bevat, sluit de politierechter kennelijk niet uit dat [A] op 11 augustus 2004 rechtmatige gronden had om te veronderstellen dat hij zijn eigen paard uit de loods van [B] wegnam.

5.3 Nu [A] stelt dat hij het paard op 24 juli 2004 heeft gekocht van [B] en dat het paard vanaf die datum tot 10 augustus 2004 op zijn erf heeft gestaan, welke koopovereenkomst door [B] gemotiveerd is betwist, zal [A] mede gelet op het vorenoverwogene tot het bewijs van zijn stelling worden toegelaten.

Gelet op het verweer van [B] dat het paard nooit van zijn erf is geweest totdat het op 11 augustus 2004 door [A] werd meegenomen, acht de rechtbank dat bewijs geleverd indien [A] slaagt te bewijzen dat het paard vóór 11 augustus 2004 op zijn erf heeft gestaan.

5.4 Voor zover [A] het bewijs door getuigen wil leveren wijst de rechtbank erop dat er bij het oproepen van de getuigen rekening mee moet worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt en dat daarom niet meer dan drie getuigen in één dagdeel kunnen worden gehoord. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5.5 Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. De rechtbank zal alle verdere beslissingen aanhouden.

5.6 De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan.

in reconventie

5.7 De beslissing in reconventie wordt aangehouden totdat in conventie is beslist.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1. draagt [A] op te bewijzen dat het paard Wahorn (ingeschreven KWPN-stamboek onder levensnummer [levensnummer]) vóór 11 augustus 2004 op zijn erf heeft gestaan.

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 mei 2006 voor uitlating door [A] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat [A], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat [A], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2006 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. H.C.A. Walda in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

6.8 bepaalt dat tegen dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld,

in reconventie

6.9 houdt de beslissing aan totdat in conventie wordt beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.