Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY3942

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/1819
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder terecht een bedrag niet geaccordeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Registratienummer: AWB 05/1819

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland,

eiser,

gemachtigde mr. R.H. Wiegeraad

en

De Waarderingskamer, gevestigd te ’s Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. E.C. Pietermaat.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 22 september 2003 heeft eiser de Commissie beoordeling omvang kosten van de Waarderingskamer (hierna: de commissie) om een oordeel gevraagd over zijn berekening van de kosten van de waardering voor de jaren 1999 tot en met 2002. Eiser heeft in totaal € 1.355.040,62 gedeclareerd.

Op 7 januari 2005 is het voorgenomen besluit van de commissie aan eiser toegezonden. Eiser heeft bij brief van 10 maart 2005 op het voorgenomen besluit gereageerd. De Belastingdienst en het Waterschap Reest en Wieden hebben bij brieven van respectievelijk 21 januari 2005 en 29 maart 2005 gereageerd.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft de commissie een bedrag van € 1.263.629,89 geaccordeerd. Bij brief van 15 juli 2005 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Op 1 september 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 12 september 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar is bij brief van 18 oktober 2005 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 15 december 2005 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 20 april 2006 gereageerd op het verweerschrift.

De Belastingdienst, het Waterschap Reest en Wieden en het Waterschap Groot Salland zijn in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij aan het geding deel te nemen, doch hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

Het beroep is op 7 juni 2006 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.H. Wiegeraad. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat, bijgestaan door mr. E.M. Monster, jurist bij de Waarderingskamer.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

In de op 1 januari 1995 in werking getreden Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ) zijn ten behoeve van de heffing van belastingen regels gesteld met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet WOZ zijn de colleges van burgemeester en wethouders (hierna: de colleges) belast met de uitvoering van deze wet. Dit houdt onder meer in dat zij gegevens dienen te verzamelen waarmee de waarde kan worden bepaald en vastgesteld van de zich binnen de gemeentegrenzen bevindende onroerende zaken.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet WOZ houdt de Waarderingskamer toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling van onroerende zaken en op de overige in de wet geregelde onderwerpen. De colleges verschaffen de Waarderingskamer desgevraagd tijdig de voor de uitoefening van haar taak noodzakelijke gegevens.

In artikel 3 Wet WOZ is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende de verrekening van kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet.

In artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken (hierna: het Uitvoeringsbesluit) is geregeld wat onder de kosten van waardering dient te worden verstaan: het opstellen van het bij de Waarderingskamer in te dienen plan van aanpak voor de waardering, het verzamelen van gegevens ten behoeve van de waardebepaling alsmede aan het bijhouden daarvan, het uitvoeren van de waardebepaling, het opstellen en verzenden van beschikkingen en het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die beschikkingen.

Tot 1 januari 1999 dienden de colleges bij het waterschap en de Belastingdienst jaarlijks een declaratie in waarin werd uitgegaan van integrale kostenverrekening. Vanuit de wens tot vereenvoudiging heeft de Waarderingskamer met ingang van 1 januari 1999 de systematiek van kostenberekening en -verrekening aangepast.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit worden de kosten die een gemeente heeft gemaakt voor de waardering van onroerende zaken in de periode 1999 tot en met 2002 vergoed op basis van een vast bedrag per kalenderjaar per object waarover gegevens aan de afnemers zijn geleverd. Voor 1999 was het bedrag vastgesteld op € 11,34 (f 25,--). Het vaste bedrag is daarna jaarlijks geïndexeerd, hetgeen voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 heeft geresulteerd in een bedrag van respectievelijk € 11,80, € 12,25 en € 13,--. Het totaal bedrag per object over de periode 1999 tot en met 2002 bedroeg derhalve € 48,39.

Omdat werd voorzien dat het vastgestelde normbedrag niet volledig de in redelijkheid gemaakte kosten van de gemeenten zou dekken, is de Vangnetregeling in het leven geroepen. Deze regeling is neergelegd in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. In artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien gedurende een tijdvak van vier achtereenvolgende kalenderjaren (waarderingskostentijdvak) het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering meer dan 2,5 percent hoger is dan het totaal van de over het desbetreffende waarderingskostentijdvak in rekening gebrachte bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, het verschil tussen het totaal van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten en het totaal van de in rekening gebrachte bedragen ten laste van de afnemers komt, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering wordt berekend volgens het rekenmodel dat Onze Minister na overleg met de Waarderingskamer bij ministeriële regeling vaststelt en

b. deze berekening is geaccordeerd door de Waarderingskamer die beoordeelt of het college van burgemeester en wethouders de kosten van de waardering redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het op 8 juni 2000 door de Waarderingskamer vastgestelde ‘Reglement beoordeling omvang kosten’ (hierna: het Reglement) worden de kostendeclaraties die in het kader van de Vangnetregeling aan de Waarderingskamer voorgelegd worden, beoordeeld door de door de Waarderingskamer ingestelde ‘Commissie beoordeling omvang kosten’. De commissie behandelt de verzoeken en besluit daaromtrent krachtens mandaat van de Waarderingskamer.

Bij brief van 19 december 2002 heeft verweerder de gemeenten geïnformeerd over de mogelijkheid van de Vangnetregeling gebruik te maken met behulp van de bij die brief gevoegde ‘Handreiking van de Commissie beoordeling omvang kosten ten behoeve van het op te stellen verzoek om een definitief oordeel over kosten gemaakt in het waarderingskostentijdvak 1999 tot en met 2002’ (hierna: de Handreiking).

Uit de op 3 juni 2004 door de commissie opgestelde “Verantwoording van de Commissie beoordeling omvang kosten” (hierna: de Verantwoording), die als bijlage bij het voorgenomen primaire besluit is gevoegd, blijkt dat de commissie de door de colleges ingediende kostenopstellingen voor het tijdvak 1999 tot en met 2002 heeft getoetst op rechtmatigheid en redelijkheid.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid hanteerde de commissie de vijf navolgende criteria:

1. de rekening moest zijn gebaseerd op het kasstelsel, hetgeen inhoudt dat in de kostendeclaratie alleen betalingen kunnen worden opgenomen die in de jaren van het kostentijdvak zijn gedaan;

2. de facturen zijn in overeenstemming met de opgevoerde bedragen in het rekenmodel en met de onderliggende contracten;

3. de kostendeclaratie klopt rekenkundig;

4. er zijn geen activiteiten/posten afzonderlijk opgevoerd die geacht worden in de opslag voor indirecte kosten te zijn verwerkt;

5. er zijn geen overige onregelmatigheden geconstateerd.

Voor de beoordeling van de redelijkheid hanteerde de commissie de drie navolgende criteria:

1. kosten die ook ten behoeve van andere gemeentelijke taken waren gemaakt konden niet volledig worden toegerekend aan de waardering;

2. het door de colleges gehanteerde uurtarief - de som van het uurtarief voor salariskosten plus de opslag voor indirecte kosten en huisvestingskosten - mocht in beginsel het bedrag van € 54,15 niet overschrijden;

3. bij vergelijking van de ingediende kostenopstellingen met kostenopstellingen van acht met elkaar vergelijkbare gemeenten, mocht de kostenopstelling niet méér bedragen dan 125% van het voor die - vergelijkbare - gemeenten voor 2003 vastgestelde, gemiddelde totaalbedrag.

Het beroep van eiser is blijkens de stukken gericht tegen het niet accorderen van een bedrag van € 54.451,18. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- kosten van het opstellen van de kostenverrekening ad € 2.826,25;

- kosten ten behoeve van de interne organisatie (module BRS/Vastgoed) ad € 339,63;

- € 51.285,30 in verband met het door de commissie naar beneden bijstellen van het door eiser gehanteerde uurtarief.

Eiser keert zich tegen de schrapping van de kostenposten vanwege onredelijke toerekening aan de uitvoering van de Wet WOZ. In de tweede plaats keert eiser zich tegen het naar beneden bijstellen van het gehanteerde uurtarief. Tot slot keert eiser zich tegen de correctie als gevolg van de berekening van maximaal redelijke kosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 4a, onder b, van het Uitvoeringsbesluit, zoals dat van kracht was gedurende het waarderingskostentijdvak, diende de Waarderingskamer te beoordelen of de colleges de voor dat tijdvak opgevoerde kosten van waardering redelijkerwijs hebben moeten maken.

Nu verder niet in enige wettelijke regeling is vastgelegd wat onder ‘redelijkerwijs’ in deze zin verstaan dient te worden, heeft de wetgever de Waarderingskamer een grote mate van beoordelingsvrijheid gelaten. De rechtbank komt dientengevolge slechts een marginale toetsing toe.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de door eiser opgevoerde kosten van de moduele BRS/Vastgoed ad € 339,63 bij nader inzien als in redelijkheid gemaakte kosten hadden moeten worden aangemerkt. Verweerder zal deze kosten bij wijzigingsbesluit alsnog accorderen. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat dit punt niet langer in geschil is.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat de door verweerder uitgevoerde vergelijking van eisers gemeente met andere gemeenten in onderhavige zaak niet in geschil is, nu deze vergelijking er niet toe heeft geleid dat eiser minder kosten bij de overige afnemers in rekening kan brengen.

Ten aanzien van de kosten gemaakt voor het opstellen van de kostenverrekening wordt overwogen dat deze kosten weliswaar niet los te zien zijn van de waardering, maar dat deze naar hun aard eerder zijn aan te merken als verrekeningskosten dan als de in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit bedoelde waarderingskosten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet redelijk zou zijn wanneer eiser de verrekeningskosten - ook nog na afschaffing van de verplichte accountantscontrole - wel in rekening bij de afnemers zou mogen brengen, terwijl de afnemers de kosten die zij maken voor die verrekening niet aan eiser in rekening kunnen brengen.

Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht tegen het door de commissie vastgesteld maximale uurtarief slaagt evenmin. Anders dan eiser meent, kan uit artikel 4a, onder b, van het Uitvoeringsbesluit niet worden afgeleid dat sprake zou zijn van integrale kostenverrekening. Vermeld staat immers dat de Waarderingskamer beoordeelt of het college de opgevoerde kosten van waardering redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit houdt een zekere normering in.

Het vastgestelde maximale uurtarief is bepaald aan de hand van het gemiddelde van het door 140 gemeenten gehanteerde uurtarief, te weten € 45,43 (ƒ 100,12). Op basis hiervan heeft de commissie € 54,45 (ƒ 120,00) als maximum uurtarief gehanteerd. Dit tarief komt de rechtbank in het licht van de wijze waarop de hoogte ervan is vastgesteld, niet onredelijk voor.

Eisers stelling dat gemeenten de vrijheid hebben om de inrichting van de begroting en de jaarrekening zelf te bepalen, kan niet worden aangemerkt als voldoende onderbouwing van de redelijkheid en de noodzaak van het door eiser gehanteerde uurtarief.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het bedrag € 54.111,55 niet geaccordeerd.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard dient te worden.

3. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. E.W. Akkerman, rechters, en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van mr. E.N.M van de Beld, als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden op: