Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AY0184

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
121934 / KG ZA 06-247
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. De omgang in de zomer dient te vallen binnen de schoolvakantie van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

zaaknummer / rolnummer: 121934 / KG ZA 06-247

Vonnis in kort geding van 30 juni 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. E.A.M. Claassen,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. M.C. Blomme-Onderwater.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1. De feiten

1.1. [eiser] en [gedaagde] zijn met elkaar gehuwd geweest.

Het minderjarig kind van [eiser] en [gedaagde] is genaamd [minderjarige], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats], hiena als [minderjarige] aangeduid.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 juli 2001 is onder meer de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde] uitgesproken.

Bij deze beschikking is als omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] vastgesteld, dat [minderjarige]:

- de ene week de zaterdag en de daaropvolgende week de zondag, steeds van 09.00 uur tot 18.00 uur bij [eiser] zal verblijven;

- gedurende zes, door [gedaagde] twee maanden tevoren, aan te geven weekeinden per jaar bij [gedaagde] zal verblijven.

Deze beschikking is op 31 juli 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats].

[eiser] en [gedaagde] hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige].

[minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats bij [gedaagde].

Bij beschikking van 6 februari 2003 heeft de rechtbank de bij beschikking van 11 juli 2001 tussen [eiser] en [minderjarige] vastgestelde omgangsregeling gewijzigd. Tevens heeft de rechtbank bij die beschikking een informatieregeling opgelegd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 27 juni 2006 is de beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2003 als volgt gewijzigd en aangepast:

Stelt een omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] vast, waarbij [minderjarige] bij [eiser] verblijft:

- een weekeinde per veertien dagen, telkens vanaf vrijdag 18.00 uur tot de daaropvolgende zondag 18.00 uur, waarbij [gedaagde] [minderjarige] op vrijdag bij [eiser] brengt en [eiser] [minderjarige] op zondag weer bij [gedaagde] terugbrengt;

- de helft van de zomerschoolvakanties van [minderjarige], waarbij [minderjarige] in 2006 de eerste drie weken bij [eiser] verblijft en de laatste drie weken bij [gedaagde] en in 2007 de eerste drie weken bij [gedaagde] en de laatste drie weken bij [eiser] verblijft enzovoorts.

- voor wat betreft de overige schoolvakanties:

- indien een omgangsweekend valt aan het begin van een éénweekse schoolvakantie eindigt het omgangsweekend op woensdag om 18.00 uur;

- indien het omgangsweekend valt aan het eind van een éénweekse schoolvakantie dan begint het omgangsweekend op woensdag in de schoolvakantie om 18.00 uur;

- in geval van een tweeweekse schoolvakantie heeft [eiser] omgang met [minderjarige], hetzij de eerste week, hetzij de tweede week om en om. Voor wat betreft de eerste tweeweekse schoolvakantie heeft [eiser] de eerste week omgang met [minderjarige].

Stelt als informatieregeling vast dat [gedaagde] [eiser] eenmaal per kwartaal schriftelijk dient te informeren over gezondheid, school en overige ontwikkelingen met betrekking tot [minderjarige].

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:

I. [gedaagde] de aanvraag om [minderjarige] twee weken eerder vrij te geven mede ondertekent binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van ? 500,-- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

II. [gedaagde] haar medewerking verleent aan de vakantie van [minderjarige] bij [eiser] in de periode van 7 juli 2006 tot en met 30 juli 2006, eventueel tot en met 12 augustus 2006, in die zin dat [minderjarige] in die periode bij [eiser] kan verblijven, op straffe van een dwangsom ? 1.000,-- per dag, voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft haar medewerking te verlenen, zulks na het in deze te wijzen vonnis;

III. [gedaagde] veroordeelt wordt in de kosten van dit geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] voert aan dat hij, zijn partner en de beide zonen van zijn partner van 15 en 12 jaar oud al maanden uitzien naar de drie vakantieweken die zij samen met [minderjarige] als gezin in Oostenrijk willen doorbrengen. Ook [minderjarige], die goed met de beide zonen van zijn nieuwe partner kan opschieten, kijkt naar deze vakantie uit. [eiser] en zijn gezin wonen in een ander vakantieregio dan [minderjarige], zodat afstemming van de vakantie van het gezin met de eerste drie schoolvakantieweken van [minderjarige] niet goed mogelijk is gebleken. [eiser] erkent dat hij eind vorig jaar met de omgangsregeling tijdens de schoolvakantie van [minderjarige], zoals door [gedaagde] toen voorgesteld, heeft ingestemd. Hij stelt tijdig wijziging van de omgangsregeling in de zomer bij [gedaagde] ter sprake te hebben gebracht. Als [gedaagde] als mede gezaghebbende ouder daarmee instemt kan, aldus [eiser], [minderjarige] twee weken eerder van school vrij krijgen. Een en ander is in overeenstemming met het binnen de school op dit punt geldende reglement. Als [minderjarige] twee weken eerder van school vrij krijgt kan het gezin van [eiser] drie weken samen op vakantie en is [eiser] niet genoodzaakt om na twee weken in twee dagen op en neer te moeten rijden van het vakantieadres in Oostenrijk naar [plaats] om [minderjarige] op te halen. Bovendien verblijven de beide zonen van de partner van [eiser] de twee laatste weken van de omgang tijdens de schoolvakantie van [minderjarige] bij [eiser] elders. Ook moeten [eiser] en zijn partner in die periode al weer werken, zodat het verblijf van [minderjarige] bij [eiser] in die periode veel minder plezierig voor [minderjarige] is.

4.2. [gedaagde] maakt bezwaar tegen wijziging van de omgangsregeling tijdens de zomervakantie van [minderjarige]. Zij wil dan ook niet meewerken aan het eerder vrij vragen van [minderjarige] van school voorafgaande aan de reguliere zomerschoolvakantie. Als [minderjarige] eerder van school vrij krijgt gaat ze een uitzonderingspositie in de klas innemen. [gedaagde] vindt dat niet goed voor [minderjarige]. Bovendien is de laatste donderdag van de voorafgaande aan de vakantie een feestavond op school welke avond [gedaagde] [minderjarige] niet wil onthouden. [gedaagde] voert aan dat [eiser] al geruime tijd op de hoogte was van de vakantieperiode van [minderjarige]. Als het hem niet lukt de vakanties van de zonen van zijn partner met op de vakantie van [minderjarige] af te stemmen, dan mag dat niet op [minderjarige] worden afgewenteld. Tot slot betwijfelt [gedaagde] of de school aan een en ander wel zal meewerken.

4.3. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat [minderjarige] leerplichtig is en dat zij naar school dient te gaan. De voorzieningenrechter onderkent dat de aanvankelijk afgesproken omgangsperiode van [minderjarige] met [eiser] achteraf gezien niet praktisch blijkt te zijn. Die praktische omstandigheden zijn echter niet van dien aard dat als gevolg daarvan de omgang van [minderjarige] met [eiser] gedurende de eerste drie weken van de schoolvakantie van [minderjarige] onmogelijk worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door [eiser] aangevoerde praktische problemen zijn daarnaast niet van een zodanig gewicht dat die een bevel aan [gedaagde], om mee te werken aan het vrij krijgen van school buiten de reguliere vakantieperiode van school om van [minderjarige], rechtvaardigen. Nog los van de vraag of de school al dan niet zou meewerken met het afwezig zijn van [minderjarige] van school heeft [gedaagde] terecht kunnen besluiten niet mee te werken aan het vroegtijdig laten ingaan van de schoolvakantie van [minderjarige]. Daarbij komt dat het belang van [minderjarige] bestaat uit het volgen van onderwijs waartoe de wet verplicht. Dit alles leidt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

4.1. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Miltenburg en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2006.