Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AX9296

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
315616 HA 06-326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst. affectieve relatie hulpverlener met ex-cliënt. werkgeefster zet arbeidsverhouding onnodig op scherp maar werknemer wil niet praten over andere functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 315616 Ha Verz 06-326

datum : 14 juni 2006

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de stichting STICHTING LEGER DES HEILS WELZIJNS- EN GEZONDHEIDSZORG, CENTRA VOOR WONEN, ZORG EN WELZIJN VELUWE/IJSSELSTREEK,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te ‘t Harde,

verzoekende partij, hierna ook wel werkgeefster te noemen,

gemachtigde mr. S.W. Geelkerken, advocaat te Rotterdam,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, hierna ook wel werknemer te noemen,

gemachtigde mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift.

De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 31 mei 2006.

Verschenen zijn:

- werkgeefster, vertegenwoordigd door de heer [W], bijgestaan door mr. S.W. Geelkerken;

- werknemer, bijgestaan door mr. Nijk.

Het geschil

Het verzoek van werkgeefster strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst met werknemer op korte termijn wordt ontbonden vanwege gewichtige redenen, primair bestaande uit dringende redenen en subsidiair uit verandering van de omstandigheden, kosten rechtens.

Werknemer heeft zich terzake van het verzoek tot ontbinding gerefereerd aan het oordeel van de kanonrechter. Voor het geval dat verzoek wordt toegewezen, heeft hij verzocht om aan hem ten laste van werkgeefster een vergoeding van € 30.251,49 bruto toe te kennen.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken –mede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voorzover de inhoud daarvan niet is betwist- het volgende vast:

1.1

Werknemer, geboren op [datum], is per [datum] bij werkgeefster in dienst getreden als sociaal pedagogisch werker. Sinds [datum] was hij daar al werkzaam in de functie van opvanghulp. Dit betrof een zgn. “Melkert-baan”. Het salaris van werknemer bedroeg laatstelijk € 1.764,45 bruto per maand, te vermeerderden met een vaste onregelmatigheidstoeslag van 15%, 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 3,5%.

1.2

In zijn hoedanigheid van sociaal pedagogisch werker is werknemer werkzaam in het Sociaal Pension van werkgeefster. De doelgroep van dit pension bestaat uit dak- en thuislozen met psychiatrische en/of verslavingsproblemen.

1.3

Tot eind april 2005 heeft in het Sociaal Pension gedurende ongeveer een jaar een asielzoekster uit Sierra Leone verbleven (hierna: mevrouw FB). Zij was daar ondergebracht in het kader van de zgn. DATO-regeling; een regeling waaraan onder meer de gemeente Zwolle en werkgeefster deelnemen en die ertoe strekt, kort gezegd, de opvang van dakloze asielzoekers te waarborgen.

1.4

Na haar vertrek uit het Sociaal Pension is mevrouw FB op zichzelf gaan wonen in een woning in Zwolle. Ook die woning viel onder de zgn. DATO-regeling.

1.5

Na haar vertrek uit het Sociaal Pension is een affectieve relatie ontstaan tussen werknemer en mevrouw FB (die in maart 2006 naar Sierra Leone is teruggekeerd).

1.6

Eind november /begin december 2005 heeft werkgeefster aan haar werknemers een zgn. W&G Paspoort (hierna: het paspoort) uitgereikt met als datum van inwerkingtreding 1 januari 2006. Dit paspoort behelst een gedragcode voor de bij werkgeefster werkzame werknemers. In dit paspoort wordt onder meer (op pagina 24 e.v.) vermeld dat een werknemer geen (sexuele of anderszins affectieve) relatie, anders dan een hulpverleningsrelatie met een cliënt mag aangaan en dat dit verbod ook geldt in de periode waarin eventuele nazorg wordt geboden aan de cliënt of in de situatie, waarin de betreffende cliënt regelmatig met tussenpozen een beroep doet op (afdelingen van) werkgeefster. Tevens wordt daarin bepaald dat het niet is toegestaan om binnen één jaar na beëindiging van het behandelingstraject van een cliënt een (sexueel danwel anderszins affectieve) relatie met die ex-cliënt aan te gaan en dat, wanneer dit wèl is gebeurd, hiervan de leidinggevende in kennis gesteld moet worden.

1.7

In december 2005 is de leiding van werkgeefster bekend geworden met de tussen werknemer en mevrouw FB bestaande affectieve relatie. Vanwege die relatie is werknemer in februari 2006 uit zijn functie ontheven en overgeplaatst naar het bedrijfsbureau van werkgeefster.

De beoordeling

2.1

Werkgeefster heeft aan haar verzoekschrift ten grondslag gelegd, summierlijk samengevat, dat werknemer in ernstige mate de geschiktheid mist voor zijn functie van sociaal pedagogisch medewerker bij werkgeefster. Het is volgens werkgeefster immers een basisregel in de zorg dat hulpverleners geen affectieve relatie mogen aangaan met cliënten of recente ex-cliënten. Dit staat, naar werkgeefster heeft betoogd, ook expliciet vermeld in het paspoort dat volgens werkgeefster de codificatie vormt van reeds vóór de inwerkingtreding daarvan bestaande regels en beleid bij haar. Werknemer heeft bovendien nagelaten in strijd met de in het paspoort neergelegde regels van deze relatie melding te maken bij zijn leidinggevende en contact te zoeken met de landelijke of plaatselijke vertrouwenspersoon, aldus werkgeefster.

2.2

Werknemer heeft als verweer aangevoerd, kort samengevat, dat hij zich weliswaar bewust is van de algemene gedragsregels met betrekking tot de professionele distantie die een zorghulpverlener in acht dient te nemen, maar dat niet gezegd kan worden dat hij, gezien de concrete omstandigheden van het geval, die regels heeft overtreden. Volgens werknemer houdt werkgeefster te rigide vast aan de in het paspoort neergelegde regels, die ook veel verder gaan dan werknemer op grond van zijn algemene kennis omtrent een professionele beroepshouding wist of kon weten. Zo wordt het begrip cliënt uitgebreid tot cliënt van de organisatie en tot personen, die minder dan één jaar geleden cliënt van werkgeefster zijn geweest. Dergelijke regels bestonden voor januari 2006 niet bij werkgeefster naar werknemer heeft aangevoerd.

Volgens werknemer zijn de mogelijkheden voor verdere samenwerking onherstelbaar beschadigd. Hij heeft door het optreden van werkgeefster en haar tweeslachtige houding zijn vertrouwen in haar verloren. Enerzijds namelijk stelt werkgeefster hem niet meer te vertrouwen, anderzijds wordt dit, haar daar naar gevraagd, ontkend; enerzijds stelt werkgeefster tevreden te zijn over zijn huidige werkzaamheden en wordt gezinspeeld op een mogelijke functie, anderzijds wordt dit, haar daar naar gevraagd, ontkend, aldus werknemer.

2.3

Voor wat betreft de vraag of het verzoek tot ontbinding kan worden toegewezen is de kantonrechter van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat er onvoldoende basis is voor een vruchtbare samenwerking tussen partijen in de toekomst. Hierbij wordt met name in aanmerking genomen dat, terwijl werkgeefster bij die gelegenheid heeft laten blijken nog wel mogelijkheden te zien voor een continuering van de arbeidsrelatie en zich bereid heeft verklaard daarover te willen praten met werknemer, werknemer toen te kennen heeft gegeven dat hij een terugkeer bij werkgeefster in welke functie dan ook niet wenselijk en niet zinvol acht. Derhalve zal de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in een verandering in de omstandigheden –bestaande uit een niet te herstellen verstoring van de arbeidsrelatie- worden ontbonden.

2.4

Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, moet worden beoordeeld of het billijk is, gelijk werknemer heeft verzocht, om aan hem ten laste van werkgeefster een vergoeding toe te kennen. De kantonrechter overweegt in dit verband het volgende.

Dat binnen de zorghulpverlening één van de basisnormen is dat een hulpverlener geen affectieve relatie aangaat met een cliënt is tussen partijen in confesso. De achtergrond van deze norm is dat die cliënten, die in een onzekere of kwetsbare situatie verkeren, sterk afhankelijk zijn van een hulpverlener en dat zij door die afhankelijke situatie niet of moeilijk in staat zijn tot het nemen van objectieve beslissingen. Dat schending van die norm kan leiden tot aantasting van de integriteit van de hulpverlener, tot beschadiging van het vertrouwen van cliënten in de hulpverlening en dat dit de goede naam van zorginstellingen kan aantasten, laat zich raden.

De vraag is echter of werknemer zich heeft bezondigd aan schending van genoemde norm. Of dat het geval is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Niet is weersproken en staat dus vast dat de contacten van werknemer met mevrouw FB in de periode dat zij in het Sociaal Pension verbleef er slechts uit bestaan hebben dat mevrouw FB op bepaalde tijden haar medicijnen bij werknemer kwam ophalen uit de medicijnenkast en dat werknemer toezicht moest houden als zij van internet gebruik maakte op het kantoor van het Sociaal Pension. Anders dan de andere cliënten binnen het Sociaal Pension was voor mevrouw FB geen behandelplan opgesteld. Naar werknemer voorts onweersproken heeft gesteld was mevrouw FB een zelfstandige vrouw -zij at niet mee met de groep; deed haar eigen boodschappen; maakte voor zichzelf het eten klaar-, die -anders dan de doelgroep van het Sociaal Pension- geen psychiatrische en/of verslavingsproblemen had en die enkel in het Sociaal Pension verbleef, omdat haar in het kader van de DATO-regeling aldaar een kamer ter beschikking was gesteld. Voorts staat vast dat de affectieve relatie tussen mevrouw FB en werknemer eerst ontstaan is nadat mevrouw FB uit het Sociaal Pension vertrokken was –volgens werknemer zag hij haar pas weer in een supermarkt twee weken na dat vetrek- en dat van een professionele relatie tussen werknemer en mevrouw FB toen dus geen sprake meer was. Deze feiten en omstandigheden in beschouwing nemende, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volgehouden dat het aangaan van de affectieve relatie met mevrouw FB door werknemer ongepast was. Weliswaar was mevrouw FB een ex-cliënte van het Sociaal Pension en heeft werknemer vanwege haar verblijf aldaar professionele contacten met haar gehad, maar mede gelet op de aard en intensiteit van die contacten en mede gezien de persoon van mevrouw FB, hoefde naar het oordeel van de kantonrechter niet van werknemer verwacht te worden dat hij daarom van het aangaan van een affectieve relatie met haar zou hebben afgezien. Van een persoonlijke hulpverlenings- en daarmee samenhangende afhankelijkheidsrelatie als waarop de hiervoor genoemde norm ziet, is volgens de kantonrechter nooit sprake geweest.

De door werkgeefster gestelde omstandigheid dat mevrouw FB ook na haar vertrek nog steeds cliënte was van werkgeefster geeft geen aanleiding om anders te oordelen. Een hulpverleningsrelatie tussen werknemer en mevrouw FB bestond toen in elk geval niet. Weliswaar was mevrouw FB na haar vertrek uit het Sociaal Pension nog afhankelijk van werkgeefster in die zin dat zij zakgeld ophaalde bij de Crisisdienst van werkgeefster, dat de huur van haar woning werd gefinancierd via de DATO-regeling, en dat zij contact onderhield met een door werkgeefster voor haar geregeld “contactmaatje”, maar die omstandigheden hoefden naar het oordeel van de kantonrechter werknemer, toen hij daarvan op de hoogte raakte, nog niet van het aangaan van een affectieve relatie met mevrouw FB te weerhouden.

De door werkgeefster getrokken conclusie dat werknemer ongeschikt is voor zijn functie, mede omdat hij niet heeft willen inzien dat hij foutief heeft gehandeld, gaat, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van de kantonrechter dan ook te ver. Daaraan kan het beroep van werkgeefster op de in het paspoort neergelegde gedragscode niets afdoen. Immers is die gedragscode pas per 1 januari 2006 –derhalve nadat de onderhavige kwestie is gaan spelen- in werking getreden. Werkgeefster heeft dan wel gesteld dat die code niet meer behelst dan een codificatie van vóór die inwerkingtreding bij haar bestaande regels en beleid, maar dit is betwist en is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Werkgeefster heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onnodig de arbeidsverhoudingen op scherp gezet door het op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te laten aankomen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat werkgeefster debet is aan het ontstaan van de verstoring van de arbeidsrelatie. Dit rechtvaardigt het toekennen van een vergoeding naar billijkheid aan werknemer ten laste van werkgeefster.

Voor wat betreft de omvang van die vergoeding dient echter mee te wegen dat werknemer naar het oordeel van de kantonrechter wel erg snel de handdoek in de ring heeft gegooid. Hoewel werkgeefster bij gelegenheid van de mondelinge behandeling immers heeft laten blijken alsnog met werknemer te willen praten over een mogelijke terugkeer van hem op de werkvloer bij werkgeefster heeft werknemer om voor de kantonrechter niet begrijpelijke redenen daar niet op in willen gaan. Zijn betoog dat door het optreden van werkgeefster en haar tweeslachtige houding zijn vertrouwen in werkgeefster zodanig is geslonken, dat hij geen mogelijkheden meer ziet voor een verdere vruchtbare samenwerking, is in elk geval niet overtuigend, in het bijzonder niet nu is gesteld noch gebleken dat gedurende de periode van ruim negen jaren dat hij voor werkgeefster werkzaam is geweest zich nog andere, voor risico van werkgeefster komende omstandigheden hebben voorgedaan, die de arbeidsrelatie negatief hebben beïnvloed.

Nu enerzijds geconcludeerd moet worden dat werkgeefster debet is aan het ontstaan van de verstoring van de arbeidsrelatie, maar anderzijds dat werknemer een handreiking van werkgeefster om te komen tot een herstel daarvan om niet overtuigende redenen heeft afgeslagen, ziet de kantonrechter aanleiding tot toekenning van een vergoeding aan werknemer op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor van c=1. Bij de berekening van het aantal dienstjaren zullen ook de “Melkertbaan”-jaren worden meegeteld. Immers heeft werknemer ook in die jaren feitelijk steeds voor werkgeefster gewerkt. Voorts rekening houdende met de salariëring van werknemer zal de vergoeding dan ook worden vastgesteld op een bedrag van (afgerond) € 20.168,00 bruto.

2.5

Omdat aan werknemer een vergoeding wordt toegekend, moet aan werkgeefster de gelegenheid worden geboden haar verzoek in te trekken.

2.6

Zo werkgeefster haar verzoek niet intrekt, bestaat er aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 29 juni 2006 onder toekenning aan werknemer ten laste van werkgeefster van een vergoeding van € 20.168,00 bruto;

- stelt werkgeefster in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 28 juni 2006 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval werkgeefster het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 29 juni 2006 onder toekenning aan werknemer ten laste van werkgeefster van een vergoeding van € 20.168,00 bruto en veroordeelt werkgeefster tot betaling van dat bedrag aan werknemer tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval werkgeefster het verzoek intrekt:

- veroordeelt werkgeefster in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van werknemer vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 14 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.