Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AX9252

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
299801 HA 05-491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst. In ontbindingsprocedure geen ruimte voor complexe vragen over art. 7:658 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 299801 HA VERZ 05-491

datum : 27 april 2006

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

verder ook te noemen [werknemer],

gemachtigde mr. F.A.P. Laporte, advocaat te Utrecht,

tegen

[WERKGEEFSTER],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

verder ook te noemen [werkgeefster],

gemachtigde mr. H.J. de Groot, advocaat te Deventer.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de brief namens [werknemer] van 18 april 2006

- de producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 20 april 2006.

Verschenen zijn:

- [werknemer]

- namens [werkgeefster] de heer W.H. Hof, hoofd P&O

- beide gemachtigden.

Het geschil

[werknemer] heeft wegens gewijzigde omstandigheden de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met [werkgeefster] alsmede de toekenning van een vergoeding van € 98.755,60 verzocht.

[werkgeefster] heeft zich niet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzet maar wel tegen de gevraagde vergoeding.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat het volgende vast.

[werknemer], geboren [datum], is op [datum] in loondienst van [werkgeefster] getreden. Zijn functie is papiersnijder tevens heftruckchauffeur. Het bruto salaris bedroeg inclusief overwerkvergoeding en exclusief 8% vakantietoeslag laatstelijk € 2.460,89 per maand.

[werknemer] is sedert 24 juni 2002 volledig arbeidsongeschikt. Daarvóór, te weten vanaf 26 november 2000 was [werknemer] gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

2.

[werknemer] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende --kort samengevat-- aange-voerd.

Zijn ziekte hangt geheel met de verrichte arbeid samen. Hij lijdt aan de (beroeps-)ziekte artrose welke ziekte is ontstaan door de langdurige en zware belasting van met name zijn handen en armen. Dit blijkt uit de overgelegde medische gegevens en uit de uitkomsten van het door het Bureau Beroepsziekten FNV ingestelde onderzoek. Er bestaan blijvende beper-kingen aan beide handen. [werkgeefster] is op grond van artikel 7:658 BW volledig aansprakelijk voor de schade die [werknemer] heeft geleden en nog steeds lijdt. [werkgeefster] heeft onvol-doende reïntegratie-inspanningen verricht nu zij [werknemer] uitsluitend alternatieve werkzaamhe-den heeft aangeboden waarbij de handen moesten worden belast.

3.

[werkgeefster] heeft tot haar verweer --eveneens kort samengevat-- het volgende aangevoerd.

De procedure ex artikel 7:685 BW leent zich niet voor de vaststelling van de vraag of [werknemer] ten gevolge van de door hem verrichte arbeid schade heeft geleden. Daarvoor is de procedure ex artikel 7:658 BW bedoeld.

[werkgeefster] betwist verder dat er een verband aanwezig is tussen de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] en de arbeidsomstandigheden. De beschrijving die [werknemer] van zijn werkzaamhe-den heeft gegeven klopt niet met de werkelijkheid. Volgens [werkgeefster] heeft [werknemer] het hem aangeboden administratief werk geweigerd omdat hij niet gemotiveerd was.

4.

Geoordeeld wordt als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden zodat de ontbinding zal worden uitgesproken. [werknemer] is al vanaf juni 2002 volledig arbeidsongeschikt en bij gebreke van enig reëel vooruitzicht op hervatting van zijn werkzaamheden bij [werkgeefster] heeft de arbeidsovereenkomst haar bestaansrecht verloren.

5.

De kantonrechter is met [werkgeefster] van oordeel dat de onderhavige procedure, welke is gericht op een spoedige beslissing omtrent de vraag of de arbeidsovereenkomst moet eindi-gen en waarin in beginsel geen ruimte is voor bewijslevering, niet geschikt is om de niet eenvoudige vragen te beantwoorden of de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] is veroorzaakt door de gestelde langdurige en zware lichamelijke belasting, en of [werkgeefster] al dan niet voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht of dat het juist [werknemer] is die het op dit punt heeft laten afweten. Voor de beoordeling van zowel de vraag naar de aansprakelijkheid van [werkgeefster] als de omvang van de schade is de procedure van artikel 7:658 BW (en zonodig 7:611 BW) geëigend. In die procedure is ruimte voor een uitvoerig debat en voor bewijslevering. Bij de huidige stand van zaken --[werkgeefster] betwist gemotiveerd het door [werknemer] gestelde causale verband tussen de verrichte arbeid en de ziekte-- kan het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre de ziekte van [werknemer] door de arbeidsomstandigheden is veroorzaakt zonder nadere bewijslevering niet zorgvuldig worden beantwoord.

6.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen resteert thans de vaststelling dat Mo-ser vanaf juni 2002 volledig --en naar het zich laat aanzien blijvend-- arbeidsongeschikt is. Die ongeschiktheid ligt in zijn risicosfeer terwijl de vraag naar de verwijtbaarheid aan de zijde van [werkgeefster] in de andere, door [werknemer] (eventueel) aanhangig te maken procedure aan de orde dient te worden gesteld. In die procedure kan aan [werknemer], indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, een schadevergoeding worden toegekend.

Het enkele feit dat [werknemer] gedurende de periode 1989-2002 kennelijk tot tevredenheid van [werkgeefster] zijn werkzaamheden heeft verricht en dat de arbeidsovereenkomst nu formeel eindigt rechtvaardigt --anders dan [werknemer] heeft betoogd-- geen vergoeding, omdat [werknemer] in die periode heeft gedaan waartoe de arbeidsovereenkomst hem verplichtte. [werkgeefster] heeft hem in verband met de door hem verrichte arbeid salaris betaald.

Voor de volledigheid merkt de kantonrechter op dat gesteld noch gebleken is dat [werknemer] in redelijkheid enig verwijt van de beëindiging kan worden gemaakt.

7.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met een opzegverbod.

8.

De arbeidsovereenkomst zal met ingang van 4 mei 2006 worden ontbonden, tenzij [werknemer] het verzoek uiterlijk 3 mei 2006 intrekt.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Indien [werknemer] het verzoek mocht intrekken dan dient [werknemer] de proceskosten van [werkgeefster] tot het in het dictum genoemde bedrag te vergoeden.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt met ingang van 4 mei 2006 de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, tenzij [werknemer] middels een brief aan de griffier van de sector kanton en de wederpartij, door hen uiterlijk 3 mei 2006 te ontvangen, het verzoek tot ontbinding intrekt;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt tenzij [werknemer] het verzoek tot ontbinding intrekt. In dat geval dient [werknemer] de proceskos-ten aan de zijde van [werkgeefster], tot op heden begroot op € 400,00 voor salaris ge-machtigde, te vergoeden;

- wijst af wat meer of anders is verzocht.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Haan kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzit-ting van 27 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.