Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AX2196

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
99863 / HA ZA 04-1051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Berekening verlies van arbeidsvermogen. Leeftijd waarop in de fictieve situatie zonder ongeval gestopt zou zijn werken met werken: gelet op maatschappelijke ontwikkelingen: 65 jaar. (rechtsoverweging 4.23)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 99863 / HA ZA 04-1051

Vonnis van 29 maart 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. Chr. D. de Vos te Emmen,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ UNIVÉ SCHADE B.A.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akte wijziging van eis

- de akte indiening productie

- de conclusie van dupliek

- de akte tevens inhoudende akte overlegging producties

- de antwoordakte met 1 productie

- de nadere akte overlegging producties

- de akte inhoudende akte overlegging producties

- de antwoordakte met 1 productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onbestreden gebleven bescheiden, het volgende vast.

2.2. [eiseres] (geboren op [datum] 1972) is op 5 juni 2000 als passagier van een auto betrokken geraakt bij een ongeval, waarbij de (stilstaande) auto waarin zij zat van achteren werd aangereden door een andere auto, verzekerd bij Univé.

2.3. Univé heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.4. [eiseres] werkte ten tijde van het ongeval (sedert een maand) op basis van een uitzendcontract als montage-medewerkster. Voordien was zij -op basis van een 32-urige werkweek- werkzaam in de gehandicaptenzorg. Zij heeft zich na het ongeval ziek gemeld. Sedert 5 juni 2001 ontvangt zij een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 - 100%. Deze uitkering is bij besluit van 22 juli 2005 per 22 september 2005 ingetrokken, omdat [eiseres] minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO zou zijn.

2.5. Na het ongeval heeft [eiseres] zich onder behandeling gesteld van haar huisarts. Ook heeft zij, na verwijzing door neuroloog [A], diverse therapieën gevolgd bij het Reïntegratie Centrum Zwolle (later: Operant).

2.6. In verband met de bij haar opgetreden arbeidsongeschiktheid hebben, in overleg met Univé, reïntegratieactiviteiten plaatsgevonden. In dat kader is [eiseres] begeleid door een arbeidsdeskundige van Entree Arbeidsintegratie te Emmen.

2.7. In overleg met de medische adviseurs van partijen heeft een medische expertise plaatsgevonden. De expertise is verricht door neuroloog [B]. In het kader van de expertise is een neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd door klinisch psycholoog [C]. In het expertise-rapport d.d. 16 februari 2004 beantwoordt [B] de vraag "wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven: a. waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die als gevolg van het ongeval moeten worden beschouwd" als volgt:

"De restklachten bestaan uit verminderde belastbaarheid en de aangegeven pijnklachten hoofd en nek en verminderde concentratie zoals bevestigd via neuropsychologisch onderzoek."

Aan het begin van de paragraaf "conclusie" schrijft [B]:

"Bevindingen passend bij een post-whiplash syndroom.

Zoals blijkt uit de bevindingen van het neuropsychologisch onderzoek is partiënte slechts beperkt belastbaar."

2.8. In augustus 2002 is [eiseres] bevallen van een dochter en omstreeks april 2005 van een zoon.

2.9 Univé heeft [eiseres] een bedrag van EUR 7.861,69 aan voorschotten betaald,

EUR 6.500,00 als voorschot onder algemene titel en het restant als voorschot op het smartengeld. Ook heeft Univé een factuur van Bureau Pals, de belangenbehartiger van [eiseres], voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert na wijziging van eis - samengevat - veroordeling van Univé tot betaling van EUR 177.679,08, vermeerderd met een belasting- en een WAO-garantie en rente en kosten en verminderd met het reeds betaalde voorschot.

3.2. Univé voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2. De beoordeling

algemeen

4.1. Partijen verschillen over tal van onderwerpen van mening. Zij hebben hun standpunten -(zeer) uitvoerig- in hun processtukken uiteengezet. Gelet op de stellingen van partijen en de ontwikkelingen die zich gedurende de procedure hebben voorgedaan

-[eiseres] is bevallen van een tweede kind en heeft inmiddels geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer- sluit de rechtbank niet uit dat zij slechts een eindvonnis kan wijzen nadat (aanvullend) deskundigenonderzoek is verricht en een nieuw berekeningsrapport is vervaardigd.

4.2. Het komt de rechtbank echter zinvol voor om eerst een comparitie van partijen te gelasten. Ter comparitie kunnen partijen de rechtbank informeren over de gevolgen van de gewijzigde situatie voor hun standpunten en kunnen zij zich uitlaten over de eventueel te verrichten deskundigenonderzoeken. De comparitie kan tevens benut worden om een minnelijke regeling te beproeven.

4.3. Ter voorbereiding op de comparitie zal de rechtbank al wel de diverse geschilpunten bespreken.

klachten van [eiseres]

4.4. [eiseres] stelt dat zij als gevolg van het ongeval de volgende klachten heeft: hoofdpijnklachten, nekklachten, klachten op cognitief gebied (met name geheugen en concentratie), vermoeidheidsklachten, duizeligheidsklachten, verminderde belastbaarheid en stemmingswisselingen. Zij beroept zich voor haar stellingen betreffende deze klachten op het rapport van [B] en op het neuropsychologisch onderzoek.

Univé heeft veel kritiek op het rapport van [B]. Desalniettemin is Univé bereid ervan uit te gaan dat enige tijd sprake is geweest van causaal verband tussen (alleen) de door [B] uitdrukkelijk genoemde klachten (als vermeld in het in rechtsoverweging 2.7 aangehaalde onderdeel van zijn rapport) en het ongeval. Sinds het onderzoek door [B] is de situatie van [eiseres] echter verbeterd, meent Univé, die dat afleidt uit de medische stukken en uit de beslissing betreffende de WAO-uitkering. Univé wijst er in dat kader op dat [B] in zijn rapport een verbetering van de situatie niet uitsluit.

4.5. Partijen twisten allereerst over de vraag of uit het rapport van [B] volgt dat de door [eiseres] gestelde klachten als ongevalgevolg zijn te beschouwen.

Het antwoord op deze vraag dient te worden gevonden in het rapport van [B]. Aan Univé kan worden toegegeven dat slechts enkele van de door [eiseres] opgesomde klachten met zoveel woorden worden genoemd in het antwoord dat [B] in dat rapport op vraag 2 geeft. In dat antwoord worden de hoofdpijn- en nekklachten van [eiseres] en de verminderde concentratie uitdrukkelijk genoemd. Voor die klachten geldt dat uit het rapport zonder meer volgt dat ze als ongevalgevolg te beschouwen zijn. Door Univé wordt dat ook niet betwist.

4.6. Uit het rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat bij [eiseres] ten tijde van het onderzoek sprake was van een verminderde belastbaarheid. In het rapport is dat weliswaar niet bij het antwoord op vraag 2 vermeld, maar het begin van de conclusie

-aangehaald in rechtsoverweging 2.7- laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat [eiseres] volgens [B] beperkt belastbaar is. [B] verwijst in dat kader naar het rapport betreffende het neuropsychologisch onderzoek. In dat rapport wordt geconcludeerd dat bij [eiseres] sprake is van een beperkte belastbaarheid.

Verder biedt het rapport -vooral vanwege de verwijzing naar het neuropsychologisch onderzoek- voldoende steun voor de stelling van [eiseres] dat zij snel moe is en aan geheugenverlies lijdt. De resultaten van het neuropsychologisch onderzoek geven aan dat bij [eiseres] sprake is van geheugenverlies en snellere vermoeidheid. Voor de door [eiseres] gestelde duizeligheid en stemmingswisselingen is dat anders. De duizeligheid wordt in het rapport van [B] slechts één keer genoemd, bij de van [eiseres] afkomstige informatie in de autoanamnese. De stemmingswisselingen worden door [B] niet genoemd. In het rapport betreffende het neuropsychologisch onderzoek worden ze vermeld in het kader van de traumaklachtenlijst, dat is een opsomming door [eiseres] zelf van de door haar ervaren klachten. De onderzoeksresultaten bieden geen steun voor de stelling van [eiseres] dat zij aan deze klachten lijdt. Nu [B] de klachten niet vermeldt als ongevalsgevolg biedt het rapport onvoldoende steun voor de stelling van [eiseres] dat de klachten als ongevalsgevolg zijn te beschouwen.

4.7. Univé heeft het rapport van [B] bekritiseerd. Het zou onvoldoende kwaliteit hebben. De rechtbank zal de kritiek van Univé op het rapport niet bespreken, omdat onduidelijk is wat Univé met deze kritiek beoogt. In de conclusie van antwoord heeft Univé immers aangegeven dat zij ondanks haar kritiek wel kan instemmen met de door [B] als ongevalsgevolg geduide klachten.

4.8. De slotsom is dat de rechtbank er van zal uitgaan dat bij [eiseres] hoofdpijnklachten, nekklachten, klachten op cognitief gebied (met name geheugen en concentratie), vermoeidheidsklachten en een verminderde belastbaarheid zijn ontstaan tengevolge van het ongeval.

4.9. Univé heeft aangevoerd dat uit de overgelegde medische stukken volgt dat [eiseres] al vóór het ongeval rugklachten had en dat zij na het ongeval een medische behandeling vanwege die rugklachten heeft ondergaan. De rugklachten zijn volgens Univé mogelijk van invloed op de schadeposten verlies van arbeidsvermogen en kosten huishoudelijke hulp.

[eiseres] heeft betwist dat sprake was van rugklachten. Zij heeft stukken in het geding gebracht van haar huisarts en van de specialist die de behandeling heeft verricht. Uit deze stukken volgt dat de behandeling -een pijnblokkade- geen verband hield met rugklachten, maar met nekklachten. Indien Univé haar stellingen betreffende de rugklachten al heeft willen handhaven -helemaal duidelijk is dat niet- heeft zij deze stellingen in het licht van de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken onvoldoende onderbouwd.

4.10. Univé heeft er tenslotte nog op gewezen dat de medische situatie van [eiseres] sedert 2003, toen neuroloog [B] Agustijn beoordeelde, sterk verbeterd is (geweest). Wanneer [eiseres] nog ernstige klachten heeft, dan staan die niet in causaal verband tot het ongeval. Univé heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- [eiseres] is in juni 2004 -derhalve na het onderzoek door [B]- door anesthesist [D] behandeld in verband met de pijnklachten aan haar nek;

- uit de informatie van [D] volgt dat [eiseres] gedurende haar eerste zwangerschap pijnvrij is geweest;

- uit de laatste rapportage van de verzekeringsgeneeskundige kan worden afgeleid dat nog slechts sprake is van lichte klachten;

- het bovenstaande sluit aan bij een conclusie van [B], te weten dat de situatie van [eiseres] nog kan verbeteren.

4.11. De rechtbank heeft gezien dit betoog van Univé behoefte aan meer informatie over de huidige medische situatie van [eiseres]. Ter comparitie zal die situatie dan ook aan de orde komen. De rechtbank zal in dat kader in ieder geval de volgende vragen aan de orde stellen:

- Heeft [eiseres] nog steeds de klachten die zij had ten tijde van het onderzoek door [B]? Zo niet, welke klachten heeft zij thans?

- Heeft [eiseres] baat gehad bij de behandeling door [D]?

- Is tijdens de eerste zwangerschap van [eiseres] sprake geweest van een vermindering van de klachten?

4.12. De rechtbank kan thans nog niet uitsluiten dat een aanvullend medisch onderzoek naar de huidige medische situatie van [eiseres] dient te worden verricht. Partijen kunnen zich ter comparitie uitlaten over de eventueel te benoemen deskundige (nu het een actualisering betreft, ligt een onderzoek door neuroloog [B] het meest voor de hand) en de aan de deskundige te stellen vragen.

arbeidsvermogensschade

4.13. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [eiseres] arbeidsvermogensschade geleden heeft en nog zal lijden. [eiseres] beantwoordt die vraag bevestigend. Volgens Univé is van dergelijke schade geen sprake. De rechtbank zal hierna de diverse stellingen van partijen bespreken.

4.14. Univé heeft allereerst aangevoerd dat [eiseres], gelet op de voor haar geldende klachten en beperkingen, niet in relevante mate beperkt is in haar mogelijkheden inkomen te verwerven. Univé heeft in dat kader verwezen naar de recente WAO-beslissing, waarbij de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] op minder dan 15% is vastgesteld. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.15. Uit het feit dat [eiseres] niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van de sociale verzekeringswetten kan niet, en zeker niet zonder meer, worden afgeleid dat bij [eiseres] geen sprake meer is van verlies van arbeidsvermogen. Univé lijkt eraan voorbij te gaan dat de regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO (of WIA) niet overeenkomen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies arbeidsvermogen dient te worden getoetst. Waar in het kader van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van geobjectiveerde gegevens (het begrip "maatman" is in dat kader veelzeggend) en wordt geabstraheerd van de concrete situatie van de betrokkene (zo wordt geen rekening gehouden met de vraag of de betrokkene ook daadwerkelijk in aanmerking komt voor de geduide functies), staat bij de bepaling van de schade vanwege verlies van arbeidsvermogen de concrete persoon (met zijn mogelijkheden en onmogelijkheden) centraal. Bij de bepaling van het inkomen na een ongeval is niet doorslaggevend of de betrokkene met zijn beperkingen in theorie het bij de geduide functies behorende inkomen zou kunnen verwerven, maar welk inkomen hij, er van uitgaande dat hij zich inspant om zijn verdiencapaciteiten te gelde te maken, in werkelijkheid verwerft of naar redelijke verwachting zal kunnen verwerven.

4.16. Uit het bovenstaande volgt dat de afschatting van [eiseres] er niet -en zeker niet zonder meer- toe leidt dat ervan kan worden uitgegaan dat zij vanaf de afschatting geen verlies van arbeidsvermogen meer heeft. In dit kader is van belang dat gesteld noch gebleken is dat de geduide functies realiter beschikbaar zijn voor [eiseres].

4.17. De WAO-beslissing heeft wel tot gevolg dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat het inkomen van [eiseres] na ongeval gelijk is aan de laatstelijk door haar ontvangen WAO-uitkering. Partijen zijn daar tot op heden (voor wat Univé betreft subsidiair) wel van uitgegaan. Bij gelegenheid van de comparitie dienen partijen aan te geven van welk inkomen na ongeval, gelet op deze nieuwe situatie, dient te worden uitgegaan. Wanneer partijen daarover van mening blijken te verschillen, ligt de benoeming van een arbeidsdeskundige voor de hand. In dat geval dient immers onderzocht te worden welke mogelijkheden [eiseres], gezien haar opleiding, beperkingen en ervaringen, op de arbeidsmarkt heeft en welk inkomen zij kan verwerven.

4.18. De schade vanwege verlies van arbeidsvermogen is het resultaat van de vergelijking tussen de inkomenssituatie na ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Bij die vergelijking komt het aan op de redelijke verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen. Daarbij geldt dat met betrekking tot het te leveren bewijs van schade vanwege het derven van arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie zonder ongeval aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen geen strenge eisen gesteld mogen worden. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

Voor de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen dient zoveel mogelijk te worden aangesloten bij de concrete situatie van het slachtoffer, diens opleiding, persoonlijke situatie en carrière tot het moment van het ongeval.

4.19. Partijen zijn het er over eens dat [eiseres] in de situatie zonder ongeval als bloemist zou zijn gaan werken. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] ten tijde van het ongeval van plan was om, na geruime tijd in de zorgsector te hebben gewerkt, een opleiding tot bloemist te gaan volgen en als bloemist te gaan werken. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat [eiseres] zonder ongeval als bloemist aan het werk zou zijn gegaan. Over het inkomen dat [eiseres] in dat geval zou hebben verworven zijn partijen het eens. Univé heeft het door [eiseres] in haar schadeberekening gehanteerde inkomen, dat gebaseerd is op de CAO voor de gevestigde bloemendetailhandel, ook niet betwist.

4.20. Dat [eiseres] in de hypothetische situatie aanvankelijk fulltime gewerkt zou hebben, staat niet ter discussie tussen partijen. Partijen twisten wel over de vraag welke gevolgen de geboorten van de kinderen van [eiseres] voor de omvang van het dienstverband van [eiseres] zouden hebben gehad. Volgens [eiseres] zou zij gedurende de eerste zes jaren na de geboorte van het oudste kind 60% hebben gewerkt en vanaf het zevende levensjaar van haar (jongste) kind 80%, met als eindleeftijd 65 jaar. Univé gaat uit van 40% gedurende de eerste zes jaren, 60% tot het twaalfde jaar en 80% vanaf dat moment, met 60 jaar als eindleeftijd. Univé heeft er bovendien op gewezen dat rekening dient te worden gehouden met bespaarde kosten van kinderopvang. Beide partijen beroepen zich ter adstructie van hun stellingen op vonnissen van deze rechtbank.

4.21. [eiseres] en Univé hebben voor hun stellingen betreffende de omvang van het parttime werk tot de 12 jarige leeftijd van het jongste kind argumenten aangevoerd. Beide stellingen zijn op zichzelf goed verdedigbaar. Voor de stelling van [eiseres] pleit dat:

- [eiseres], blijkens een door haar moeder opgestelde schriftelijke verklaring, voor de opvang van de kinderen een beroep zou hebben kunnen doen op haar moeder gedurende twee dagen in de week;

- [eiseres] ook zaterdags diende te werken en op die dag de zorg voor de kinderen aan haar echtgenoot zou hebben kunnen overlaten.

Tegen de stelling van [eiseres] pleit dat:

- de echtgenoot van [eiseres], die kraanmachinist is, vanwege zijn werk lange dagen (van 5.00 uur tot 18.00 uur) afwezig is en dus niet gemakkelijk kan bijspringen;

- de echtgenoot van [eiseres], blijkens de diverse schriftelijke verklaringen, in de situatie voorafgaand aan het ongeval zeer weinig deed in de huishouding, zodat het minder voor de hand ligt dat hij in die hypothetische situatie zonder ongeval wèl in belangrijke mate huishoudelijke activiteiten van [eiseres] zou hebben overgenomen, hetgeen wel nodig zou zijn geweest om [eiseres] in staat te stellen respectievelijk 60 en 80% parttime te werken;

- uit de verklaring van de moeder van [eiseres] volgt dat zij een druk eigen programma heeft, zodat het zeer de vraag is of zij in de situatie zonder ongeval gedurende een groot aantal jaren structureel 2 dagen in de week de kinderen van [eiseres] zou hebben kunnen opvangen.

Verder is van belang dat [eiseres] haar stelling dat zij vanwege haar financiële situatie wel respectievelijk 60 en 80% part time diende te werken onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiseres] heeft slechts een hypotheekoverzicht overgelegd waaruit volgt wat de bruto hypothecaire lasten van haar en haar echtgenoot zijn. Zij heeft geen inzicht gegeven in het inkomen van haar partner, zodat niet duidelijk is geworden of de hypothecaire lasten en andere woonlasten inderdaad slechts met een substantieel inkomen van [eiseres] kunnen worden opgebracht.

4.22. Alles afwegend benaderen de door Univé gekozen uitgangspunten naar het oordeel van de rechtbank de situatie die zich naar redelijke verwachting, zou hebben voorgedaan in de hypothetische situatie zonder ongeval gedurende de periode vanaf de geboorte van het eerste kind tot aan het bereiken van de 12 jarige leeftijd van het tweede kind. Bij de vaststelling van de schade vanwege verlies van arbeidsvermogen dient dan ook van deze uitgangspunten te worden uitgegaan.

4.23. Partijen verschillen ook van mening over de leeftijd waarop [eiseres] in de fictieve situatie zonder ongeval zou zijn gestopt met werken, 60 jaar, zoals Univé betoogt, of 65 jaar, zoals [eiseres] stelt. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In zijn algemeenheid geldt dat bij de bepaling van een eindleeftijd bij de bepaling van schade vanwege verlies van arbeidsvermogen kan worden uitgegaan van 65 jaar. Zoals [eiseres] -met een verwijzing naar een SER-advies, CBS-informatie, het regeerakkoord en andere informatie- gemotiveerd heeft gesteld, is sprake van een maatschappelijke ontwikkeling, die er op neerkomt dat werknemers langer doorwerken. Daar komt nog bij, zo blijkt uit diezelfde informatie, dat juist bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar sprake is van een sterk toenemende arbeidsparticipatie. Bij het antwoord op de vraag wat naar redelijke verwachting de eindleeftijd is, kan in beginsel worden aangesloten bij deze maatschappelijke ontwikkelingen.

In beginsel, omdat in de concrete omstandigheden betreffende de gelaedeerde immers aanknopingspunten te vinden kunnen zijn voor een naar redelijke verwachting lagere eindleeftijd. Het ligt op de weg van de verzekeraar om die aanknopingspunten, in het kader van haar stelplicht, naar voren te brengen.

4.24. De rechtbank zal nagaan of Univé aan haar, hiervoor beschreven, stelplicht heeft voldaan. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Univé heeft vooral de door [eiseres] verstrekte algemene informatie over de arbeidsparticipatie van oudere vrouwen gerelativeerd door er op te wijzen dat er nog steeds veel meer oudere mannen dan oudere vrouwen werken. Univé miskent daarmee dat voor het antwoord op de vraag of [eiseres] naar verwachting tot haar 65ste zou zijn blijven werken niet de situatie nu, maar die over 25 jaar doorslaggevend is. De, door Univé niet weersproken, tendens die volgt uit de door [eiseres] verstrekte informatie is dan ook veel belangrijker dan hetgeen die informatie vermeldt over de huidige situatie.

Verder heeft Univé vooral verwezen naar rechtspraak van deze rechtbank en het Hof Arnhem, waarin werd uitgegaan van een eindleeftijd van 60 jaar. Univé ziet eraan voorbij dat in die uitspraken werd uitgegaan van de toepasselijkheid van een VUT-regeling. De vraag was niet wanneer de betrokkene zonder meer zou stoppen met werken (en geen inkomen meer zou hebben), maar wanneer zij van de VUT-regeling gebruik zou maken (en een lager inkomen zou verwerven). Dat [eiseres], op grond van de thans bekende informatie, te zijner tijd gebruik zal kunnen maken van een VUT (of vergelijkbare) regeling -hetgeen een argument zou kunnen zijn voor haar stelling dat moet worden uitgegaan van 60 jaar als eindleeftijd- heeft Univé echter niet gesteld.

4.25. De slotsom is dat Univé haar betwisting van de stellingen van [eiseres] over de eindleeftijd onvoldoende heeft gemotiveerd. Bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen kan dan ook worden uitgegaan van 65 jaar als eindleeftijd.

4.26. Univé heeft nog betoogd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [eiseres] in de fictieve situatie zonder ongeval kosten wegens kinderopvang had moeten maken, welke kosten zij zich nu bespaart. De rechtbank verwerpt dit betoog. Bij de vaststelling van de omvang van het dienstverband in de fictieve situatie heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met de mogelijkheden van de moeder en de partner van [eiseres] om de kinderen op te vangen. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat de kinderen niet door anderen zouden worden opgevangen. Dat uitgangspunt heeft er mede toe geleid dat de rechtbank de stellingen van [eiseres] omtrent de omvang van haar dienstverband in de fictieve situatie niet heeft overgenomen. Het ligt alleen al om die reden niet voor de hand om daarnaast nog rekening te houden met bespaarde kosten van kinderopvang. De kinderopvang zou in de fictieve situatie immers door naaste familieleden verzorgd kunnen worden.

huishoudelijke hulp

4.27. Partijen twisten over de kosten van huishoudelijke hulp. [eiseres] gaat uit van een behoefte aan huishoudelijke hulp van 5 uren per week. Ofschoon zij dat niet uitdrukkelijk heeft gesteld, volgt uit de aan haar vordering ten grondslag liggende schadeberekening dat zij daarbij een eindleeftijd van 75 jaar hanteert. Univé gaat uit van 3 uren per week vanaf de geboorte van het eerste kind tot aan het bereiken van de leeftijd van 70 jaar.

4.28. [eiseres] baseert haar vordering op een RIO-indicatie van 17 januari 2001, ruim een half jaar na het ongeval. Met deze RIO-indicatie heeft [eiseres] haar vordering onvoldoende onderbouwd. De indicatie is niet alleen gedateerd, maar onduidelijk is ook met welke klachten en beperkingen in de indicatie precies rekening is gehouden. Dat kunnen in ieder geval niet de door neuroloog [B] vastgestelde klachten zijn geweest. Het rapport van [B] dateert immers van (ruim) na de indicatie.

Bovendien wordt er in het RIO-rapport vanuit gegaan dat de partner van [eiseres] slechts zeer beperkt in staat is huishoudelijke werkzaamheden over te nemen. Uit een door de partner van [eiseres] opgestelde verklaring die door [eiseres] in het geding is gebracht, volgt echter dat haar partner thans, in verband met de beperkingen van [eiseres], toch wel enige huishoudelijke werkzaamheden doet, zodat de RIO-indicatie wat dat betreft achterhaald is. In dit kader overweegt de rechtbank, zoals zij in een door Univé aangehaald vonnis ook al heeft overwogen, dat bij de bepaling van de behoefte aan huishoudelijke hulp in het kader van de begroting van de schade geen rekening dient te worden gehouden met die huishoudelijke taken die door de partner kunnen worden overgenomen voorzover die over te nemen taken het normale en gangbare, rekening houdend met de concrete gezinssituatie, niet overstijgen.

4.29. Univé heeft aangegeven dat zij bereid is uit te gaan van drie uren per week. De rechtbank zal Univé in deze urenomvang volgen. In dit kader is van belang dat het de rechtbank ambtshalve -uit andere letselschadezaken waar vergelijkbare klachten spelen- bekend is dat geregeld wordt uitgegaan van een behoefte aan huishoudelijke hulp van drie uren per week. Die omvang zou vooral de behoefte aan hulp voor de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden dekken.

De rechtbank ziet niet in waarom de behoefte aan huishoudelijke hulp eerst met ingang van de geboorte van het eerste kind zou zijn ontstaan. Er mag niet van worden uitgegaan dat [eiseres] voor haar eerste kind geboren werd de zwaardere huishoudelijke klussen liet liggen. Dat heeft Univé trouwens ook niet gesteld.

4.30. De rechtbank volgt Univé wel in haar bezwaren tegen de door [eiseres] gehanteerde eindleeftijd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van haar bestendige gedragslijn in dit soort zaken om bij huishoudelijke hulp een eindleeftijd van 70 jaar te hanteren.

4.31. De slotsom is dat uitgegaan kan worden van drie uur huishoudelijke hulp gedurende 48 weken per jaar tegen EUR 7,00 per uur (over die laatste aspecten zijn partijen het eens), derhalve van een jaarschade van EUR 1.008,00 vanaf de datum van het ongeval tot aan het bereiken van de 70 jarige leeftijd.

verlies zelfwerkzaamheid

4.32. [eiseres] vordert en schadebedrag van EUR 350,00 per jaar vanwege verlies zelfwerkzaamheid. Zij voert daartoe aan dat zij ten gevolge van het ongeval geen klussen in, aan en rond het huis kan verrichten. Voor het ongeval deed zij dat wel. Het betrof werkzaamheden in verband met de verbouwing van het huis en schilderwerk.

Univé heeft deze schadepost bestreden. Volgens haar heeft [eiseres] de post onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het gevorderde bedrag zou ook - Univé betoogt dat subsidiair- te hoog zijn.

4.33. Anders dan Univé is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voor het ongeval de nodige werkzaamheden aan het huis verrichtte. [eiseres] heeft, onbetwist door Univé, gesteld dat zij en haar partner een oud huis bewoonden, dat opgeknapt moest worden. Uit de verklaring van haar partner en uit de RIO-indicatie volgt ook dat aan het huis diverse verbouwingswerkzaamheden verricht moesten worden. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan deze werkzaamheden haar aandeel heeft geleverd. Dat zij daarnaast het schilderwerk voor haar rekening nam, is gelet op hetgeen in deze procedure is gebleken omtrent haar interesses en vaardigheden is gebleken, alleszins aannemelijk. Dat [eiseres] in de fictieve situatie zonder ongeval de nodige zelfwerkzaamheid betracht zou hebben, en dat zij en haar partner zich aldus kosten zouden hebben bespaard, is aldus voldoende aannemelijk.

4.34. De vraag resteert welk bedrag met het verlies aan zelfwerkzaamheid gemoeid is. Aan Univé kan worden toegegeven dat [eiseres] het door haar gevorderde bedrag nauwelijks heeft onderbouwd. Univé heeft echter geen ander bedrag genoemd. De rechtbank zal de schade vanwege het verlies aan zelfwerkzaamheid dan ook begroten door deze te schatten. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een jaarschade van EUR 250,00 vanaf de datum van het ongeval tot aan het bereiken van de 70 jarige leeftijd.

smartengeld

4.35. Partijen zijn het eens over een smartengeld van EUR 10.000,00. De rechtbank zal de immateriële schade dan ook op dit bedrag, dat overigens overeenkomt met het bedrag dat de rechtbank in vergelijkbare gevallen toewijsbaar acht, vaststellen.

buitengerechtelijke kosten

4.36. Partijen verschillen van mening over de nog niet door Univé vergoede declaratie van Bureau Pals van 30 juni 2004. In deze declaratie is een bedrag van EUR 2.296,47 aan honorarium begrepen. Univé heeft gesteld dat de daarmee in rekening gebrachte werkzaamheden zijn verricht ter voorbereiding op deze procedure. De rechtbank volgt Univé slechts gedeeltelijk in deze stelling. Uit de specificatie bij de declaratie volgt dat de belangenbehartiger van Bureau Pals in juni 2004 contact heeft gehad met Advocatenkantoor Houkes, het kantoor van de advocaat van [eiseres]. De daarmee gemoeide tijd -90 minuten- is te beschouwen als tijd die is besteed ter voorbereiding op deze procedure. De daaruit voortvloeiende kosten vallen onder het bereik van een eventuele proceskostenvergoeding en komen niet apart voor vergoeding in aanmerking.

4.37. Univé heeft er verder op gewezen dat Pals werkt met een minimale tijdseenheid van 15 minuten. De door Pals verrichte werkzaamheden zouden voor een niet onbelangrijk deel hebben bestaan uit kortdurende telefoongesprekken en korte (standaard)brieven, waarmee minder dan 15 minuten is gemoeid. Pals heeft daarop gereageerd met de stelling dat de door haar gehanteerde tijdseenheid van 15 minuten redelijk is. Zij heeft daartoe verwezen naar twee vonnissen van de rechtbank Utrecht, waarin deze rechtbank het tijdschrijfsysteem van Pals heeft aanvaard. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.38. Het hanteren van een minimale tijdseenheid van 15 minuten zou redelijk kunnen zijn wanneer in aannemelijk is dat de door Pals verrichte werkzaamheden doorgaans minimaal 15 minuten in beslag nemen. Dat zulks het geval is, heeft Pals niet gesteld. Zij heeft evenmin weersproken dat de door Univé genoemde werkzaamheden -korte telefoongesprekken en korte (standaard)brieven- minder dan 15 minuten in beslag nemen. Dat dergelijke activiteiten 15 minuten zouden kosten ligt ook geenszins voor de hand. Onder die omstandigheden kon [eiseres] niet volstaan met een verwijzing naar de Utrechtse vonnissen, waaraan deze rechtbank overigens niet gebonden is. De rechtbank zal bij de brieven en telefoongesprekken dan ook uitgaan van de door Univé voorgestane -en, naar de rechtbank bekend is, ook bij andere belangenbehartigers dan Pals gebruikelijke- tijdseenheid van 6 minuten. Dat betekent dat -afgerond- 150 minuten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.39. De slotsom is dat op de vordering van [eiseres] op dit onderdeel een bedrag dat gemoeid is met een tijdsbesteding van 4 uren, derhalve EUR 680,00 te vermeerderen met kantoorkosten en BTW, niet voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering betreffende de declaratie van Pals is voor het overige toewijsbaar.

wettelijke rente

4.40. Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de wettelijke rente. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Over het smartengeld is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van het ongeval. Over de verschenen schade is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Bij jaarschades kan

-gemakshalve- de datum van 1 juli worden aangehouden. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten gaat in op het moment dat [eiseres] ingevolge de met Pals gemaakte afspraken gehouden is de declaratie van Pals dient te betalen (en derhalve vanaf het moment dat [eiseres] in haar verhouding tot Pals wettelijke rente verschuldigd zou zijn). Vooralsnog gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] de declaratie nog niet betaald heeft en ook nog niet behoeft te betalen, zodat eerst wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het vonnis. Over de toekomstschade is wettelijke rente verschuldigd vanaf de kapitalisatiedatum. In beginsel dient een kapitalisatiedatum te worden gehanteerd die zo dicht mogelijk bij het eindvonnis ligt. Bij een te vervaardigen nieuwe berekening kan daarmee rekening gehouden worden.

WAO-garantie

4.41. [eiseres] heeft geen WAO-uitkering meer, zodat de vraag rijst of zij nog belang heeft bij deze garantie. Bij gelegenheid van de comparitie kan zij zich over dit onderwerp uitlaten.

verdere procedure

4.42. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten. De zaak zal daartoe verwezen worden naar de rol voor opgave verhinderdata.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zich ter comparitie zullen kunnen uitlaten over de persoon van de medische deskundige en van de (eventueel te benoemen) arbeidsdeskundige en over de aan deze(n) te stellen vragen. Het verdient aanbeveling dat partijen voorafgaand aan de comparitie overleggen over een gezamenlijke voordracht en dat zij hun (al dan niet gezamenlijke) voorstel vóór de zitting aan de rechter-commissaris doen toekomen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. gelast een comparitie van partijen voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

5.2. bepaalt dat deze comparitie op nader vast te stellen dag en tijdstip zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Zwolle, Luttenbergstraat 5;

5.3. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 april 2006 voor opgave van de verhinderdata op dinsdagen en vrijdagen in de maanden april tot en met juni 2006 door beide partijen;

5.4. benoemt tot rechter-commissaris voor deze comparitie van partijen mr. H. de Hek;

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. G. van Rijssen en mr. H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2006.