Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AV1077

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
301074 VV 05-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. Vervolg op LJN AU 1361.

Detachering of overgang onderneming.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 301074 VV 05-123

datum : 30 januari 2006

Vonnis in het kort geding van:

[EISER 1], wonende te [woonplaats],

[EISER 2], wonende te [woonplaats],

[EISER 3], wonende te [woonplaats],

[EISER 4], wonende te [woonplaats],

[EISER 5], wonende te [woonplaats],

[EISER 6], wonende te [woonplaats],

eisers, verder te noemen: “de werknemers”,

gemachtigde F.J. Slijkhuis, werkzaam bij de Onderwijsbond CNV te Apeldoorn,

en

de stichting STICHTING DIENSTVERLENING CHRISTELIJK ONDERWIJS,

gevestigd te Zwolle,

eiseres in het incident tot voeging, verder te noemen: “DCO”,

gemachtigde mw. mr. J.S.C. Liebrand-Bos, advocaat te Zwolle,

tegen

de stichting STICHTING VIVENTE, STICHTING VOOR CHRISTELIJK PRIMAIR ONDERWIJS, voorheen Vereniging voor Christelijk Primair Onderwijs te Zwolle e.o.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde tevens verweerster in het incident tot voeging,

tezamen met haar rechtsvoorgangers verder te noemen: “Vivente”,

gemachtigde mw. mr. S.A.M. ten Haaf, advocaat te Eindhoven.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 23 december 2005 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad met aangehechte producties;

- de bij brief d.d. 19 januari 2006 door de werknemers aangekondigde wijziging van eis;

- de bij brief d.d. 19 januari 2006 van de zijde van Vivente overgelegde productie;

- de bij brief d.d. 19 januari 2006 van de zijde van DCO aangekondigde incidentele vordering tot voeging aan de zijde van de werknemers;

- het bij brief d.d. 20 januari 2006 van de zijde van Vivente aangekondigde verweer tegen de incidentele vordering tot voeging van DCO.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2006. Verschenen zijn:

- voormelde werknemers, bijgestaan door de heer Slijkhuis voormeld;

- namens DCO mw. mr. Liebrand-Bos en

- namens Vivente haar voorzitter van het college van bestuur de heer [W], bijgestaan door mw. mr. ten Haaf.

Het geschil

in het incident

DCO heeft bij incidentele vordering verzocht zich in deze procedure aan de zijde van de werknemers te mogen voegen tegen Vivente.

Vivente heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering.

in de hoofdzaak

De vordering van de werknemers strekt er - na wijziging van eis - toe Vivente op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld tot hun wedertewerkstelling, tot doorbetaling van hun salaris inclusief toeslagen vanaf 1 december 2005 althans een voorschot van 75% daarop althans een in goede justitie te bepalen voorschot, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf de opeisbaarheid, onder veroordeling van Vivente in de buitenge-rechtelijke kosten en de proceskosten.

Vivente heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

in het incident en in de hoofdzaak

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Eiser 1 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 3.359,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

b. Eiser 2 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 1.719,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

c. Eiseres 3 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 4.776,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

d. Eiser 4 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 2.391,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

e. Eiseres 5 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 1.387,95 bruto per maand exclusief emolumenten.

f. Eiseres 6 is per [datum] bij Vivente in dienst getreden. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 840,17 bruto per maand exclusief emolumenten.

g. In het kader van de onderbrenging door Vivente bij DCO van de in de vorm van haar “bureau VCO Zwolle” uitgevoerde onderwijsondersteunende / administratieve activiteiten met daarbij behorende activa en passiva zijn per 1 januari 1993 in totaal 17 werknemers van Vivente bij DCO tewerkgesteld. Vivente heeft vervolgens met een overeenkomst van opdracht administra-tieve diensten van DCO afgenomen en daarvoor betaald via een rekening-courantverhouding waarbij het loon van de werknemers verrekend werd, die op Viventes loonlijst bleven staan.

h. In de notariële akte, opgemaakt tussen Vivente en DCO, waarbij Vivente de activa en passiva van haar “bureau VCO Zwolle” in DCO heeft ingebracht, is voorts verwoord dat Vivente haar eigen personeel in dienst houdt, zij het dat dit per 1 januari 1993 bij DCO wordt gedetacheerd.

i. Vivente heeft de overeenkomst tot opdracht opgezegd tegen 1 januari 2004, waarna DCO de overeenkomst tot detachering tegen dezelfde datum heeft opgezegd.

j. Vivente heeft tot 1 januari 2004 op de loonstroken van de werknemers vermeld gestaan als werkgeefster. Vivente is bij zowel het UWV als het ABP bekend als werkgeefster van de werknemers.

k. De werknemers hebben bij brieven van 17, 18 dan wel 20 december 2003 Vivente laten weten zichzelf nog als werknemer van Vivente te beschouwen, zich beschikbaar gesteld voor te verrichten werkzaamheden en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

l. Bij brieven van 24 december 2003 heeft Vivente aan de werknemers bericht dat zij niet bij haar doch bij DCO in dienst zijn en dat zij geen reden ziet om aan hen salaris te betalen.

m. De werknemers hebben na 1 januari 2004 hun werkzaamheden bij DCO voortgezet voor andere opdrachtgevers dan Vivente. Het loon van de werknemers is tot 1 mei 2004 via Vivente betaald en na 1 mei 2004 door DCO.

n. Bij brief van 29 januari 2004 is Vivente door de werknemers in gebreke gesteld. Een door hen aangespannen kort geding strekkende tot loondoorbetaling is niet doorgezet in verband met aangevangen onderhandelingen tussen partijen. Deze onderhandelingen hebben niet tot succes geleid, waarna DCO op 21 juni 2004 tot een procedure jegens Vivente is overgegaan.

o. Bij vonnis van 16 augustus 2005 heeft de kantonrechter te Zwolle in die procedure tussen DCO en Vivente voor recht verklaard dat:

1. de arbeidsovereenkomsten tussen VCPO (thans Vivente, ktr) en de zeven betrokken werknemers in stand zijn gebleven en dat VCPO de hieruit voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening dient te nemen;

2. tussen DCO en de zeven betrokken gedetacheerde werknemers voor 1 januari 2004 geen arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen en

3. de detacheringsovereenkomst tussen VCPO en DCO rechtsgeldig is beëindigd.

p. Vivente is van dat vonnis in hoger beroep gekomen en heeft inmiddels van grieven gediend.

q. Bij brief van 3 november 2005 heeft de gemachtigde van de werknemers aan Vivente verzocht en gesommeerd uitvoering te geven aan voormelde uitspraak.

r. Vivente heeft bij brief van 10 november 2005 geantwoord dat het vonnis niets inhoudt over de periode na 1 januari 2004 en dat thans de werknemers geacht moet worden op basis van een arbeidsovereenkomst voor DCO werkzaam te zijn zodat de werknemers haars inziens geen aanspraak kunnen maken op loon van haar.

s. DCO heeft de betaling van de werknemers per 1 december 2005 gestaakt.

De standpunten van partijen

in het incident en in de hoofdzaak

De werknemers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat met het vonnis van 16 augustus 2005 duidelijk is dat er voor 1 januari 2004 met DCO geen arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen en dat zulks evenmin het geval is na 1 januari 2004. Zij hebben bij herhaling vergeefs aangeboden om voor Vivente werkzaamheden te verrichten. Er is geen sprake van een regelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomsten of van een overgang van onderneming. Het is onjuist dat een dienstverband “zomaar”, door tijdsverloop en/of stilzwijgend kan overgaan op een andere partij. Hen kan niet worden tegengeworpen dat zij na 1 januari 2004 nog werkzaamheden voor DCO hebben verricht omdat Vivente iedere aanspraak van hen of verantwoordelijkheid voor hen afwees. Zij hebben dan ook een groot belang bij wedertewerkstelling bij Vivente en op doorbetaling van loon.

DCO heeft ter ondersteuning van de werknemers aangevoerd dat zij, nadat Vivente de overeenkomst tot opdracht had opgezegd, de detacheringsovereenkomst met betrekking tot het personeel van Vivente dat bij haar werkzaam was, rechtsgeldig heeft opgezegd. Nadat haar bleek dat Vivente haar werkgeversverplichtingen niet op zich wilde nemen, heeft zij bij wijze van voorschot / lening de lonen van de betrokken werknemers betaald. Onjuist is dat er tussen haar en de werknemers arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen dan wel dat de arbeids-overeenkomsten van Vivente met de werknemers op enigerlei wijze op haar zijn overgegaan. Aangezien DCO de financiële last van de voorschotten niet meer kan dragen en zij het standpunt van de werknemers voor juist houdt, ondersteunt zij hun vordering.

Vivente heeft, nadat zij tegen de door DCO gevorderde voeging gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt, tegen de vordering aangevoerd dat het vonnis van de kantonrechter van 16 augustus 2005 niets inhoudt over de situatie na 1 januari 2004 en dat de betrokken werknemers na 1 januari 2004 voor DCO arbeid zijn blijven verrichten. Sindsdien is het DCO en niet Vivente geweest die de werknemers instructies heeft gegeven, waarbij DCO zich kennelijk bevoegd heeft geacht om in te stemmen met de opzegging van de arbeidsovereenkomst door één van de zeven betrokken werknemers. DCO moet ook als de werkgever van de werknemers worden aangemerkt, waarmee de werknemers hebben ingestemd en waardoor Vivente als formele werkgever is vervangen. Het rechtsvermoeden uit artikel 7:610A BW wijst ook in de richting van DCO als werkgever. DCO heeft in 1998 ook voor de werknemers nieuwe akten van benoeming verstrekt. De werknemers dienen zich voor hun wedertewerkstelling en hun loonaanspraken dan ook te wenden tot DCO als hun werkgever.

De beoordeling

in het incident

Voor toewijzing van een vordering tot voeging in kort geding is reeds voldoende dat de incidenteel eiser een rechtstreeks en in rechte erkenbaar belang heeft om met een eigen argumentatie als partij in het geding op te komen aan de zijde van één der partijen teneinde benadeling te voorkomen van dat eigen belang, dat door de aangespannen procedure dreigt te worden geraakt.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is van zo’n eigen belang van DCO sprake. Zij betoogt immers dat haar opzegging van de detacheringsovereenkomst per 1 januari 2004 niets afdoet aan Vivente’s gehoudenheid tot onder meer (door)betaling van het salaris van de werknemers omdat niet DCO doch Vivente van hen de werkgever is (gebleven). Of dat betoog houdbaar is, zoals Vivente bestrijdt, dient niet in het incident doch in de hoofdzaak te worden beoordeeld.

Anders dan Vivente stelt, kan evenmin worden aangenomen dat een voeging leidt tot een vertraging van deze procedure dan wel dat daardoor de goede procesorde wordt geschaad. Wat betreft het laatste geldt in het bijzonder dat Vivente volledig van het geschil en de daaromtrent over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden op de hoogte moet worden geacht, gezien de al tussen haar en DCO gevoerde bodemprocedure, de daarop nog aanhangige appelprocedure en het thans gevoerde verweer.

DCO zal derhalve tot voeging aan de zijde van de werknemers worden toegelaten, onder veroordeling van Vivente in de proceskosten van dit incident als nader in het dictum te melden.

in de hoofdzaak

1.

De spoedeisendheid van de zaak is in voldoende mate komen vast te staan.

2.

Kern van het geschil is de vraag of Vivente per 1 december 2005 nog kan worden beschouwd als de werkgever van de werknemers en of zij dientengevolge de werknemers tot arbeid moet toelaten en aan hen hun loon moet doorbetalen.

3.

Voorop moet worden gesteld dat Vivente in deze procedure geen nadere feiten of omstandigheden heeft gesteld waarop de redelijke verwachting kan worden gebaseerd dat het oordeel van de kantonrechter van 16 augustus 2005, zoals hiervoor weergegeven in sub o., in hoger beroep geen stand zal houden.

Vivente heeft immers niet bestreden dat in de voor de onderbrenging bij DCO van haar “bureau VCO Zwolle” opgemaakte notariële akte omtrent het personeel, werkzaam bij dat bureau, is verwoord dat dit bij haar in dienst bleef en per 1 januari 1993 zou worden gedetacheerd bij DCO. Onweersproken is gebleven dat Vivente daarop - tot 1 mei 2004 - het loon van dit personeel is blijven betalen, terwijl zij voorts geregistreerd is gebleven bij zowel het UWV als het ABP als de werkgeefster van dit personeel.

Vivente heeft omtrent voormeld oordeel slechts aangevoerd dat het onjuist is omdat DCO ook 1 januari 2004 voor de onderhavige werknemers nieuwe aktes van benoeming heeft opgesteld en ondertekend en daartoe overgelegd een verklaring van mw. Siebenga-Moggré, DCO’s beleidsmedewerker / chef salaris- en personeelsadministratie tot en met december 2000. Dit betoog is evenwel, blijkens voormeld vonnis, al beoordeeld en te licht bevonden.

De kantonrechter houdt dan ook voorlopig vast aan het in het vonnis van 16 augustus 2005 neergelegde oordeel dat tussen DCO en de werknemers voor 1 januari 2004 geen arbeidsover-eenkomsten tot stand zijn gekomen, dat de arbeidsovereenkomsten tussen Vivente en de werknemers in stand zijn gebleven en dat Vivente de hieruit voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening dient te nemen.

4.

Vivente heeft niet gesteld noch is dit anderszins gebleken dat zij op of na 1 januari 2004 ten aanzien de werknemers een ontslagbesluit heeft genomen en aan hen heeft verstrekt. Dit komt gewicht toe nu vast staat dat in de onderwijswereld gebruik is dat bij aanstelling, bij wijziging van functie of werkgever en bij ontslag een daartoe strekkende akte van de werkgever volgt.

Voor zover in de stellingen van Vivente besloten ligt de opvatting dat haar opzegging van de overeenkomst tot opdracht aan DCO tevens inhield een ontslagbesluit voor de werknemers kan zij daarin niet worden gevolgd aangezien die opzegging alleen gericht is geweest tot DCO, nog daargelaten of daarmee was voldaan aan de aan een rechtsgeldig ontslagbesluit te stellen eisen. Daartegen pleit voorts het vaststaande gegeven dat Vivente tot 1 mei 2004 het loon van de werknemers heeft gedragen.

5.

Anders dan Vivente veronderstelt, brengt een na 1 januari 2004 ontstaan tussen de werknemers en DCO van een arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:610 BW, zoals zij stelt en de werknemers en DCO bestrijden, niet al mee dat de (eerdere, in ieder geval tot 1 januari 2004 bestaande) arbeidsrechtelijke relatie tussen haar en de werknemers heeft opgehouden te bestaan.

In beginsel verzet zich immers niets ertegen dat een werknemer met meer dan één werkgever een arbeidsovereenkomst sluit. Dit geldt te minder in een geval waarin een werkgever de werknemer te kennen geeft dat er geen arbeidsovereenkomst tussen hen zou bestaan, dat er geen gebruik wordt gemaakt van de door de werknemer aangeboden arbeid en dat iedere aanspraak op doorbetaling van loon wordt afgewezen, zoals Vivente zich vanaf het einde van 2003 jegens de werknemers heeft opgesteld.

6.

Het betoog van Vivente dat na 1 januari 2004 op enig moment, waarover zij overigens niet duidelijk is, haar hoedanigheid van (formele) werkgever (stilzwijgend) is overgegaan op DCO, kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter evenmin standhouden.

6.1

Als uitgangspunt moet worden genomen dat Vivente slechts door DCO als werkgever kan worden vervangen ingeval er sprake is van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:663 e.v. BW, van contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW dan wel door totstandkoming van een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen ((voormalige) inlener) DCO en de (voorheen door Vivente uitgeleende) werknemers, onder gelijktijdige beëindiging van het dienstverband tussen ((voormalige) uitlener) Vivente en de (door haar uitgeleende) werknemers.

6.2

Gesteld noch gebleken is dat de opzegging van de overeenkomst tot opdracht door Vivente en de daarmee samenhangende opzegging van de overeenkomst tot detachering door DCO, al dan niet in samenhang bezien, als een overgang van onderneming kan worden aangemerkt.

6.3

Wat betreft de contractsoverneming geldt dat vast staat dat tussen DCO en Vivente omtrent de werknemers juist geen overeenstemming bestaat, zodat niet kan worden aangenomen dat DCO via een schriftelijke overeenkomst de arbeidsovereenkomsten met de werknemers van Vivente heeft overgenomen, nog daargelaten dat de werknemers er bij herhaling blijk van hebben gegeven zichzelf nog als werknemer van Vivente te beschouwen, zodat hun instemming ter zake evenmin voldoende aannemelijk is geworden.

6.4

Wat betreft de laatste mogelijkheid tot vervanging van de werkgever geldt dat, zoals overwogen, voorlopig niet kan worden aangenomen dat Vivente na 1 januari 2004 het dienstverband met de werknemers heeft beëindigd, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat de werknemers hun verband met Vivente hebben beëindigd.

Voldoende aannemelijk is dat DCO zich het lot van de werknemers heeft aangetrokken nadat Vivente enerzijds de overeenkomst tot opdracht met DCO per 1 januari 2004 heeft opgezegd en anderzijds weigerde te accepteren dat de destijds - in het kader van de uitvoering van de aan die opdracht verbonden werkzaamheden - door Vivente bij DCO geplaatste werknemers nog langer bij haar in dienst waren. Dat DCO deze werknemers bij haar aan het werk heeft gehouden en vooralsnog de betaling van het door hen van Vivente ontvangen salaris na 1 mei 2004 op zich heeft opgenomen, brengt dan niet mee dat de werknemers hun arbeidsrechtelijke band met Vivente verliezen.

Een en ander geldt te minder nu de werknemers zich immer expliciet op het standpunt hebben gesteld dat Vivente hun werkgever was en dat deze haar werkgeversverplichtingen jegens hen diende na te komen. Daaraan kan worden toegevoegd dat DCO, blijkens het vonnis van 16 augustus 2005, mede de belangen van de werknemers heeft willen dienen door te bewerkstelligen dat voor recht werd verklaard dat Vivente de uit de arbeidsovereenkomsten met de werknemers voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening dient te nemen. Daarmee was voor Vivente evident dat zowel DCO als de werknemers haar stelling omtrent DCO’s vermeende werkgeverschap van begin af aan hebben bestreden. Er kan dan ook vooralsnog niet tot de conclusie worden gekomen dat Vivente in redelijkheid kon menen dat DCO en/of de werknemers konden instemmen met de na 1 januari 2004 ontstane situatie tussen partijen.

Het beroep van Vivente op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW is tegen de achtergrond van de omstandigheden derhalve voorshands eveneens vergeefs.

Hetzelfde geldt voor Vivente’s beroep op de omstandigheid dat op enig moment na 1 januari 2004 de zevende betrokken werknemer, die destijds door Vivente bij DCO tewerk is gesteld, haar werkzaamheden bij DCO heeft beëindigd en feitelijk ontslag heeft genomen zonder Vivente daarvan op de hoogte te stellen. Niet valt in te zien dat aan deze werknemers en/of DCO kan worden tegengeworpen dat deze zevende werknemer in het licht van Vivente’s opstelling kennelijk geen nut zag van een kennisgeving ter zake.

Er is dan ook thans onvoldoende grond gebleken voor de aanname dat er tussen DCO en de werknemers een dienstverband is ontstaan, waarmee en waardoor het dienstverband tussen Vivente en de werknemers teloor is kunnen gaan.

7.

De slotsom uit het voorgaande is dat de in r.o. 2. verwoorde vraag vooralsnog bevestigend beantwoord moet worden.

Er bestaat dan ook voldoende reden voor toewijzing van het gevorderde salaris als nader in het

dictum te melden. Dit geldt niet voor de daaraan verbonden dwangsom nu het bepaalde in de tweede zin van artikel 611a lid 1 Rv daaraan in de weg staat.

De op straffe van een dwangsom gevorderde wedertewerkstelling is thans niet toewijsbaar aangezien voldoende is gebleken dat de door de werknemers tot 1 januari 2004 voor Vivente verrichte werkzaamheden niet binnen de organisatie van Vivente zelf worden verricht doch door Vivente bij een andere organisatie zijn ondergebracht. Van haar zou kunnen worden gevergd de werknemers bij deze laatste organisatie te werk te stellen doch dat is in dit deel van de vordering niet te lezen, zodat de kantonrechter nu niet tot een daartoe strekkende veroordeling kan komen.

De door de werknemers gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging is als niet afzonderlijk weersproken eveneens voor toewijzing vatbaar, zij het dat de wettelijke verhoging vooralsnog tot 10% zal worden beperkt over het reeds opeisbaarheid geworden salaris.

De door de werknemers gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is als weersproken en onvoldoende onderbouwd gebleven thans niet toewijsbaar.

8.

Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat hetgeen wordt toegewezen tot voorschot strekt op hetgeen Vivente in een eventuele hoofdzaak verschuldigd zal blijken.

9.

Vivente zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden verwezen, zowel in de kosten aan de zijde van de werknemers als die aan de zijde van DCO.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

in het incident tot voeging:

- laat DCO toe als gevoegde partij aan de zijde van de werknemers;

- veroordeelt Vivente in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van DCO begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

in de hoofdzaak:

- veroordeelt Vivente tegen bewijs van kwijting aan de werknemers te betalen hun salaris als weergegeven in de vaststaande feiten sub a. tot en met f. vanaf 1 december 2005, vermeerderd met de aan hen toekomende emolumenten, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd, met de wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10% over het reeds opeisbaar geworden salaris en emolumenten, en, in geval van vertraagde betaling van het salaris en de emolumenten over januari 2006 en daarna volgende maanden, met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid van het salaris en de emolumenten tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Vivente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de werknemers begroot op:

? € 400,00 voor salaris gemachtigde

? € 85,60 voor explootkosten

? € 103,00 voor vastrecht;

- veroordeelt Vivente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de DCO begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 30 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.