Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AV0837

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
290666 HA 05-398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst. Ontbinding onvermijdelijk indien lid MT als enige geen vertrouwen meer heeft in algemeen directeur en het vastgestelde meerjarenplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 290666 HA VERZ 05-398

datum : 24 januari 2006

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de stichting STICHTING DEVENTER ZIEKENHUIS,

gevestigd te Deventer,

verzoekende partij, verder te noemen: “SDZ”,

gemachtigde mw. mr. A.C. Beijderwellen-Wittekoek, advocaat te Zwolle,

tegen

[VERWERENDE PATRIJ],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: “[verwerdende partij]”,

gemachtigde mr. J.W.M. Pothof, advocaat te Utrecht.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift d.d. 27 september 2005 met aangehechte producties,

- het verweerschrift d.d. 28 november 2005 met aangehechte producties,

- de bij (fax)brieven d.d. 1 en 5 december 2005 en 5 januari 2006 door SDZ nader ingezonden producties en

- de bij (fax)brief d.d. 5 december 2005 door [verwerdende partij] nader ingezonden producties.

Nadat de mondelinge behandeling aanvankelijk is bepaald op 14 november 2005 en daarna op 6 december 2005 is de mondelinge behandeling gehouden op 10 januari 2006. Een verzoek van Veen om aanhouding van die mondelinge behandeling om medische redenen is door de kantonrechter geweigerd. Verschenen zijn:

- namens SDZ haar algemeen directeur, vergezeld van mw. mr. Beijderwellen-Wittekoek voormeld en

- namens [verwerdende partij] mr. Pothof voormeld.

Het geschil

SDZ heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerdende partij] wegens gewichtige redenen zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

[verwerdende partij] heeft zich verzet tegen een ontbinding en de afwijzing van het verzoek bepleit.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verwerdende partij], geboren op [datum], is op [datum] bij SDZ in dienst getreden als “controller”. Met ingang van 1 januari 2002 is [verwerdende partij] benoemd tot (niet statutair) “[functie]”, in welke hoedanigheid [verwerdende partij] deel is gaan uitmaken van het managementteam (MT) van SDZ. Het laatst door [verwerdende partij] verdiende salaris bedraagt € 7.362,00 bruto per maand, te vermeerderen met een persoonlijke toeslag van € 2.174,73 bruto per maand, met 8% vakantietoeslag en met een eindejaarsuitkering van 5%.

b. Als “[functie]” werkt [verwerdende partij] onder de directe verantwoordelijkheid van de algemeen directeur van SDZ. Met ingang van 1 november 2004 vervult de heer [X] voormeld die functie, verder te noemen: “[X]”.

c. Volgens het functieprofiel behoort tot de taken van [verwerdende partij] het opstellen van een financieel jaarplan uitmondend in een begroting en opstellen van een jaarrekening.

d. In juli 2005 heeft SDZ, na daarmee in december 2004 te zijn aangevangen, een bedrijfsplan voor de jaren 2005 – 2010 (“Meetbaar Beter”) opgesteld, met welk bedrijfsplan zowel de ondernemingsraad van SDZ als het medisch stafbestuur heeft ingestemd. Dit bedrijfsplan bevat samengevat de uitgangspunten voor de verdere ontwikkeling van het ziekenhuis, zulks tegen de achtergrond van op handen zijnde veranderingen als de nieuwbouw van het ziekenhuis, een veranderd zorgconcept en uitwerking van de wettelijke marktwerking in de medische zorgverlening.

e. Bij brief van 13 juli 2005 heeft [X] aan [verwerdende partij] zijn onvrede bevestigd over diens gebrek aan bijdrage, zijn afwezigheid wegens vakantie tijdens voor zijn functie essentiële momenten en zijn gebrek aan leiding aangaande door hem en zijn afdeling te verrichten financieel-administratieve werkzaamheden. [X] heeft daarop meegedeeld dat voor hem de maat vol is en zij zijns inziens, conform zij al enige weken daarvoor daartoe hebben besproken, tot afspraken moeten komen over beëindiging van [verwerdende partij]s functie en een overdracht van zijn verantwoordelijkheden.

f. Op 19 juli 2005 heeft [verwerdende partij] zonder nader overleg het op voor die dag met [X] geplande werkoverleg afgezegd en is enkele dagen vervroegd op vakantie gegaan tot en met 19 augustus 2005. [X] heeft daarover zijn ongenoegen aan [verwerdende partij] bij brief van 19 juli 2005 kenbaar gemaakt en [verwerdende partij] verzocht om op 24 augustus 2005 aan zijn verzoek om in overleg te treden uitvoering te geven.

g. Bij brief van 22 juli 2005 heeft (de gemachtigde van) [verwerdende partij] de door [X] gemaakte verwijten bestreden en SDZ uitgenodigd om een beëindigingsvoorstel te doen.

h. In zijn vergadering van 16 augustus 2005 heeft de ondernemingsraad ingestemd met het verzoek van de directie om, vooruitlopende op een adviesprocedure volgens de WOR, alvast de belangstellingsregistratie te starten onder de huidige leidinggevenden, zulks als eerste uitwerking van het voorstel directiebesluit Herinrichting werkorganisatie van 9 augustus 2005.

i. Bij brief van 18 augustus 2005 heeft SDZ, na informatiebijeenkomsten van 20 juli en 11 augustus 2005, de huidige leidinggevenden, waaronder [verwerdende partij], benaderd met de mededeling dat conform het bedrijfsplan de huidige leidinggevende functies zullen vervallen en dat zij de belangstelling wil registreren voor de komende met naam genoemde leidinggevende functies. In die brief is voorts verwoord dat een en ander is onder voorbehoud van advies van de medische staf, de ondernemingsraad en de cliëntenraad. In de bij die brief gevoegde conceptnotitie is op pagina 10. verwoord dat over de inrichting van de financiële functie extern advies wordt ingewonnen en dat in ieder geval een “controller” nodig zal zijn die aan de algemeen directeur dient te rapporteren.

j. Bij een uitvoerige brief van 25 augustus 2005 heeft [verwerdende partij] aan de leden van de raad van toezicht van SDZ en in afschrift aan de voorzitter van het medisch stafbestuur bericht dat hij zijns inziens louter handelt in het belang van SDZ, dat [X] op oneigenlijke gronden het voornemen heeft omhem buiten de organisatie te plaatsen, dat hij zich ernstig zorgen maakt over de realisatie van de begroting voor 2005 en de voorbereiding van de begroting voor 2006, dat [X] bij herhaling uitgaven doet die niet door de begroting worden gedekt, dat [X] zonder overleg en zonder plan over wil gaan tot herinrichting van de organisatie van SDZ en aldus geen enkele zorgvuldigheid betracht en zich bedient van een dirigistische benadering met doordrukmentaliteit. [verwerdende partij] besluit deze brief met een verzoek aan de raad van toezicht om haar invloed aan te wenden om met het MT te komen tot een sluitende begroting voor 2006 en tot een oplossing voor overschrijdingen van de begroting voor 2005.

k. Bij brief van 6 september 2005 heeft [verwerdende partij] aan [X] - en met afschrift aan alle leden van de raad van toezicht, managementteam en het medisch stafbestuur - zijn bezwaren meegedeeld omtrent de tijdens zijn vakantie gestarte belangstellingsregistratieprocedure en voorts gesteld dat aan het bedrijfsplan nog een groot aantal problemen kleven die zouden moeten worden opgelost. In deze brief stelt [verwerdende partij] voorts grote moeite te hebben met de besturingsfilosofie van [X], dat diens aanpak desastreus is voor de organisatie en dat de financieel gezonde positie van SDZ in het gedrang komt.

l. Op 25 oktober 2005 heeft [verwerdende partij] in een overleg met de financiële commissie van de ondernemingsraad gesteld dat de doorrekening van het meerjaren bedrijfsplan 2005 – 2010 heeft uitgemond in een tekort van € 6 miljoen en die commissie een notitie met berekening ter hand gesteld. De ondernemingsraad heeft daarop haar advies over het voorstel directiebesluit Herinrichting werkorganisatie van 9 augustus 2005 opgeschort en gesteld nader extern advies te zullen inwinnen. Na onderzoek is gebleken dat [verwerdende partij] een overzicht van de tussenstand van de lopende begrotingsbesprekingen voor het jaar 2006 heeft gepresenteerd als uitkomst van voormelde doorrekening. De ondernemingsraad heeft daarop alsnog besloten een advies uit te brengen.

m. Bij brief van 1 december 2005 heeft [verwerdende partij] aan de leden van de raad van toezicht van SDZ meegedeeld verontrust te zijn over de voor 2006 vastgestelde begroting en te vrezen voor negatieve gevolgen. Deze begroting is door MT opgesteld na overleg met onder meer de raad van toezicht.

Standpunten van partijen

SDZ heeft aan haar verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd dat het functioneren van [verwerdende partij] vanaf het aantreden van [X] onder de maat is geweest doordat hij nauwelijks betrokken is geweest bij de totstandkoming van het meerjarenplan, daaraan geen reële bijdrage heeft geleverd en aldus consequent zijn taken en verantwoordelijkheden die bij zijn functie horen, heeft afgeschoven. Daarbij is [verwerdende partij], ondanks zijn wetenschap omtrent de onvrede over zijn planning dienaangaande, telkens op vakantie gegaan tijdens essentiële momenten van de opstelling van de begroting en de jaarrekening en overigens anderszins marginaal aanwezig geweest. Daarenboven heeft zich vanaf augustus 2005 een onherstelbare vertrouwensbreuk geopenbaard doordat gebleken is dat [verwerdende partij] bij herhaling aantoonbaar onjuiste verwijten en beschuldigingen heeft gemaakt aan het adres van haar algemeen directeur. Voorts heeft hij bij herhaling kritiek uitgeoefend op het meerjarenplan, waaraan hij geen reële bijdrage heeft geleverd en dat door een ieder is geaccordeerd. Tot slot is gebleken dat [verwerdende partij] verschillende malen heeft getracht door het doen van aantoonbaar onjuiste mededelingen onrust te creëren binnen de organisatie, in welk kader hij de voorzitter van de ondernemingsraad in een zodanige compromitterende situatie heeft gebracht dat deze is afgetreden. Aangezien de algemeen directeur en de overige leden van het managementteam niet kunnen rekenen op [verwerdende partij]s loyaliteit aan het bepaalde beleid en de genomen en te nemen beslissingen, is er geen enkele basis meer aanwezig voor een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie. De arbeidsover-eenkomst dient dan ook te worden ontbonden, waarbij er door de handelwijze van [verwerdende partij] geen aanleiding is voor de toekenning van een vergoeding naar billijkheid. Daarvoor is ook relevant dat [verwerdende partij] zich vanaf 2003 tijdens werktijd ook in ruime mate bezig heeft gehouden met vastgoedactiviteiten in Tsjechië, zodat kennelijk die nevenactiviteiten in de weg hebben gestaan aan een deugdelijke volbrenging van zijn taken en verantwoordelijkheden, aldus SDZ.

[verwerdende partij] heeft het verzoek bestreden en daartoe het volgende - samengevat - aangevoerd. Tot aan het aantreden van de huidige algemeen directeur heeft [verwerdende partij] immer tot volle tevredenheid gefunctioneerd, waarbij geldt dat de vierdaagse werkweek en een aanspraak van ruim acht weken aan vakantieverlof tot de overeengekomen arbeidsvoorwaarden behoren, zodat een verwijt dienaangaande onjuist is. Evenmin juist is dat hij nauwelijks bij MT-vergaderingen aanwezig zou zijn geweest. [verwerdende partij] heeft moeten vaststellen dat [X] minder dan zijn voorganger toegankelijk bleek voor zijn opmerkingen, adviezen en suggesties en in overwegende mate solistisch handelde. Omdat [verwerdende partij] kritisch bleef over de financiële uitwerking van de door [X] eenzijdig genomen beslissingen, is hij vanaf de zomer van 2005 in toenemende mate buitengesloten van voor SDZ essentiële beslissingen. [verwerdende partij] moest bij terugkomst van zijn vakantie in augustus 2005 gewaarworden dat [X], onder voorbijgaan aan daartoe alle voorgeschreven procedures, zijn afdeling wilde onderbrengen bij het facilitaire bedrijf en dat zijn functie zou komen te vervallen. Die onjuiste handelwijze en de daardoor binnen de organisatie ontstane onrust heeft [verwerdende partij] aan de orde willen stellen, waartoe hij meer dan gerechtigd was, te meer nu de handelwijze van [X] zijns inziens breed draagvlak mist. Nu [verwerdende partij] als directeur “fc&i” niet heeft kunnen deelnemen aan de begrotingsbesprekingen voor 2006, blijkt te meer dat de algemeen directeur niet voor rede vatbaar is en slechts werkt aan zijn vertrek uit de organisatie. Nu dat handelen strijdig is met ieder elementair handelen van goed werkgeverschap ontbreekt iedere grond voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, aldus [verwerdende partij].

De beoordeling

1.

De kennelijk per 9 januari 2006 ontstane arbeidsongeschiktheid van [verwerdende partij] staat niet aan een toewijzing van het verzoek van SDZ in de weg nu dat verzoek, blijkens het door partijen gevoerde debat, niet in verband staat met die ongeschiktheid. Overigens is niet gebleken dat het verzoek verband houdt met het bestaan van enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

2.

Anders dan van de zijde van [verwerdende partij] ter zitting is bepleit, acht de kantonrechter geen grond aanwezig voor een voortzetting van de mondelinge behandeling nader te bepalen tijdstip. Uit de ter zake overgelegde medische verklaring blijkt weliswaar dat [verwerdende partij] wordt aanbevolen om in verband met de bij hem bestaande spanningsklachten rust te nemen doch daaruit kan in alle redelijkheid niet de conclusie worden getrokken dat het voor [verwerdende partij] op medische gronden onmogelijk was om de zitting bij te wonen en zich met behulp van zijn gemachtigde te verweren. Daarbij komt dat SDZ ter zitting geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die niet al uit het verzoekschrift en de overgelegde producties konden blijken.

Een en ander geldt op dezelfde voet voor het namens [verwerdende partij] gedane verzoek om hem nog een mogelijkheid te bieden om schriftelijk te reageren op hetgeen ter zitting door SDZ is aangevoerd.

3.

Bij de behandeling van het verzoek is naar het oordeel van de kantonrechter toereikend komen vast te staan dat de verstandhouding tussen partijen zodanig ernstig en duurzaam verstoord is geraakt dat een zinvolle en vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer tot de reële mogelijkheden moet worden geacht.

4.

Hierbij is in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat [verwerdende partij] als “[functie]” en lid van het managementteam van SDZ een zelfstandige en verantwoordelijke functie heeft waarin de algemeen directeur van SDZ een zeker vertrouwen te stellen heeft en zij als zodanig nauw met elkaar samenwerken en dat SDZ bij monde van haar algemeen directeur ter zake met nadruk heeft verklaard dat zij het vertrouwen in een zinvolle voortzetting en dito samenwerking heeft verloren. Tevens is daarbij in aanmerking genomen dat [verwerdende partij] vanaf eind augustus 2005 op diverse momenten aan zowel de algemeen directeur als de raad van toezicht en de andere leden van het managementteam in stellige bewoordingen heeft laten weten geen vertrouwen meer te hebben in [X] als algemeen directeur en in (succesvolle dan wel (financieel) verantwoorde uitwerking van) het vastgestelde meerjarenplan. Een en ander wordt aangemerkt als een zodanige wijziging van de omstandigheden dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding. Aldus valt niet in te zien hoe zij in de toekomst nog vruchtbaar met elkaar zouden kunnen samenwerken. Een en ander leidt ertoe dat de kantonrechter het voornemen heeft om de arbeidsovereenkomst per 15 februari 2006 te ontbinden.

5.

Ter beoordeling van de vraag of er reden is om aan [verwerdende partij] ten laste van SDZ een vergoeding toe te kennen - aan de hand van de kantonrechtersformule - dient beoordeeld te worden of van het ontstaan van de situatie die tot ontbinding noopt een der partijen een verwijt moet worden gemaakt of die situatie geacht moet worden voor haar risico te komen. Daarbij wordt acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van deze zaak.

6.

Anders dan door [verwerdende partij] is aangevoerd, moet worden gebillijkt dat SDZ het vertrouwen in hem heeft verloren.

7.

Vast staat dat [verwerdende partij] als lid van het managementteam en van het kernteam aangaande de opstelling van het meerjarenbedrijfsplan volledig deel kon nemen aan de besluitvorming omtrent de te kiezen strategische koers en het profiel van SDZ tot 2010. Tevens staat vast dat in het kader van de totstandkoming van dat plan de raad van toezicht, de medische staf en interne organen als de ondernemingsraad en de cliëntenraad zijn geconsulteerd en dat eveneens de regionale huisartsen en verzekeraars feedback op de in het plan neergelegde uitgangspunten hebben gegeven. Een en ander heeft geleid tot de vaststelling van het bedrijfsplan in juli 2005.

Indien en voor zover [verwerdende partij] bezwaren zou hebben tegen (bepaalde onderdelen van) dat bedrijfsplan, was het dan ook aan [verwerdende partij] om zich vervolgens daarbij neer te leggen en verder (mede) uitvoering te geven aan de in dat plan neergelegde uitgangspunten. Voor zover [verwerdende partij] zich niet daarbij kon neerleggen, diende hij dan het managementteam te verlaten. Van [verwerdende partij] mocht tevens worden verwacht dat hij buiten de vergaderingen van het managementteam dat vastgestelde plan en de daarin neergelegde uitgangspunten niet zou bekritiseren. Een andere opvatting leidt immers al snel tot onrust binnen de organisatie en tot een onwerkbare wijze van bestuur van die organisatie.

Vast staat dat [verwerdende partij] met de in zijn wijd verspreide brief van 6 september 2005 vervatte kritiek op het bedrijfsplan aan die van hem te vergen verwachting niet heeft voldaan.

8.

Vast staat voorts dat in de vergadering van het managementteam van 9 augustus 2005 op basis van het meerjarenplan een voorstel “directiebesluit Herinrichting werkorganisatie” is geformuleerd, welk voorstel vervolgens bezien diende te worden door de diverse organen binnen en buiten SDZ. Eveneens staat vast dat de directie in diezelfde vergadering heeft besloten dat zij aan de ondernemingsraad om toestemming zou vragen om, vooruitlopende op een definitieve goedkeuring van haar voorstel, alvast ten aanzien van de huidige leidinggevenden een belangstellingsregistratieprocedure aan te vangen, welke toestemming op 16 augustus 2005 is verkregen. Vast staat dat die procedure onmiddellijk daarna is aangevangen en dat de huidige leidinggevenden, waaronder [verwerdende partij], bij brief van 18 augustus 2005 zijn aangeschreven.

Onomstreden is dat [verwerdende partij] door afwezigheid wegens vakantie niet aan die besluitvorming heeft deelgenomen en hij evenmin aanwezig is geweest bij de op 20 juli respectievelijk 11 augustus 2005 daarover binnen SDZ gehouden informatiebijeenkomsten. Gesteld noch gebleken is dat [verwerdende partij] zich na zijn terugkomst van vakantie per 20 augustus 2005 zich op de hoogte heeft gesteld omtrent die besluitvorming en/of heeft getracht binnen het MT die besluitvorming (alsnog) te beïnvloeden. Dit heeft [verwerdende partij] er evenwel niet van weerhouden om bij zijn brieven van 25 augustus en 6 september 2005 in forse bewoordingen kritiek te verwoorden op zowel die besluitvorming als de persoon van [X].

9.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [verwerdende partij] zich onvoldoende bewust geweest van zijn positie en zijn rol als lid van het management zoals hij die moest vervullen en niet zoals hij die mogelijk zelf zag, en van de gevolgen van zijn optreden, zijn uitlatingen over en zijn kritiek op het bedrijfsplan, het voorgestelde directiebesluit aangaande de herinrichting van de werkorganisatie en de onder de huidige leidinggevenden alvast gestarte belangstellings-registratieprocedure.

Hoezeer [verwerdende partij] ook overtuigd is van de juistheid van zijn standpunt dienaangaande - en hij daarvoor wellicht ook grond had; hetgeen de kantonrechter aan de hand van de thans beschikbare gegevens niet kan beoordelen - hij had zijn mede-managementteamleden daarvan dienen te overtuigen. Daartoe heeft hij kennelijk geen poging gedaan althans daarin is hij kennelijk niet geslaagd. Hij had vervolgens zijn ongenoegen daarover voor zich te houden en niet naar buiten te brengen. Met de brieven van 25 augustus en 6 september 2005 staat vast dat [verwerdende partij] dat niet heeft gedaan en dat hij zijn kritiek op een en ander wijd heeft verbreid.

10.

Het handelen van [verwerdende partij] in een overlegvergadering met de financiële commissie van de ondernemingsraad d.d. 25 oktober 2005 kan evenmin de toets der kritiek doorstaan. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in die vergadering een tussenstand van de lopende begrotings-besprekingen voor 2006 met de verschillende medische vakgroepen met een daarin vervat tekort van € 6 miljoen heeft gepresenteerd als een doorrekening van het meerjarenbedrijfsplan en daarmee een lopende adviesprocedure van de ondernemingsraad heeft vertraagd. Dat [verwerdende partij] zich in die financiële stukken heeft vergist, is, gelet op zijn functie en achtergrond, nauwelijks voorstelbaar zodat het er voor gehouden moet worden dat hij welbewust heeft getracht de verdere besluitvorming binnen SDZ te bemoeilijken en de ondernemingsraad op te zetten tegen zijn (mede)directie(leden).

11.

Bedenkelijk moet voorts worden geacht de handelwijze van [verwerdende partij] omtrent het e-mailbericht van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de voorzitter van de raad van toezicht d.d. 1 december 2005. Uit de rectificatie van dat bericht d.d. 9 december 2005 blijkt in duidelijke bewoordingen dat de ondernemingsraadvoorzitter zich door [verwerdende partij] heeft laten verleiden tot dat e-mailbericht, dat [verwerdende partij] wist dat hij daarbij op persoonlijke titel sprak en niet namens de ondernemingsraad en dat hij [verwerdende partij] heeft gezegd dat e-mailbericht niet te gebruiken in deze procedure. Dat laatste heeft [verwerdende partij] wel gedaan, waarbij hij heeft voorgewend dat dat e-mailbericht van 1 december 2005 afkomstig was van de gehele ondernemingsraad, daarmee suggererende dat er sprake was van onenigheid tussen de algemeen directeur en de ondernemingsraad. Het staat buiten kijf dat een dergelijke voorspiegeling van zaken tot onrust en spanningen binnen de organisatie van SDZ kan leiden. Van een MT-lid had dan ook ander handelen verwacht mogen worden.

12.

Tot slot moet als hoogst ongelukkig worden betiteld de beslissing van [verwerdende partij] om op het laatste moment en zonder overleg met [X] zijn vakantie te vervroegen en in dat kader al per 19 juli 2005 met verlof te gaan onder afzegging van een werkoverleg met [X]. [verwerdende partij] was immers juist bij brief van 13 juli 2005 door [X] expliciet in kennis gesteld van zijn onvrede over zijn afwezigheid op voor hem en SDZ essentiële momenten. Dat [verwerdende partij] elders prioriteiten had, zoals zijn gemachtigde bij brief van 22 juli 2005 heeft meegedeeld, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien, zodat ervan uit moet worden gegaan, zoals SDZ stelt, dat [verwerdende partij] op dat moment - ten koste van SDZ - voorrang gaf aan zijn vastgoedactiviteiten. Het behoeft geen nader betoog dat [verwerdende partij] met een en ander het al onder druk staande vertrouwen omtrent (de wijze van) zijn functioneren geen goed heeft gedaan.

13.

In het licht van het voorgaande en gelet op het tussen partijen onomstreden feit dat de functie van “directeur fc&i” / managementteamlid een belangrijke zelfstandige verantwoordelijkheid meebrengt, waarbij een dergelijke manager een belangrijke rol heeft in het functioneren van SDZ als geheel, is het aanvaardbaar dat SDZ, zoals zij uiteen heeft gezet, na de bovenbedoelde acties van [verwerdende partij] het vertrouwen in hem als managementteamlid heeft verloren.

14.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft SDZ evenwel niet juist gehandeld met haar (in juli 2005 blijkende) beschuldiging dat [verwerdende partij] ten onrechte een vierdaagse werkweek zou aanhouden en teveel vakantieverlof zou opnemen, nu zowel het een als het ander expliciet is overeengekomen respectievelijk is toegekend.

Van SDZ had voorts mogen worden verwacht dat zij eerder dan bij brief van 13 juli 2005 expliciet haar onvrede over het functioneren van [verwerdende partij] kenbaar had gemaakt. Het moge zo zijn dat mede-directieleden niet snel elkaar schriftelijk aanspreken op het functioneren doch het resultaat daarvan is wel dat thans niet kan worden vastgesteld dat [verwerdende partij] al eerder expliciet is gewaarschuwd en een redelijke mogelijkheid is geboden het functioneren in de gewenste zin te verbeteren. Bij voormelde brief heeft SDZ immers al gesteld dat de maat vol was en dat er een einde aan het dienstverband diende te komen.

Het kan dan ook geen verwondering wekken dat [verwerdende partij] zich getroffen voelde - niet alleen door de (terechte) kritiek op zijn functioneren als hierboven verwoord doch ook door de hierbedoelde kritiek en stellingname van SDZ - en dat na juli 2005 gaandeweg een conflict is ontstaan zodanig dat [verwerdende partij] kennelijk thans niet verder onder de huidige algemeen directeur wil werken.

15.

Uit het bovenstaande volgt dat de thans ontstane situatie in overwegende mate door toedoen van [verwerdende partij] zelf is ontstaan doch dat SDZ daarvoor zelf ook een zekere verantwoordelijkheid heeft. Anders dan SDZ betoogt, is er dan ook naar het oordeel van de kantonrechter wel grond voor een vergoeding voor [verwerdende partij].

Gelet op het aan SDZ te maken verwijt, de duur van het dienstverband, [verwerdende partij]’s leeftijd en zijn kennelijk tot eind 2004 smetteloze staat van dienst, zal de kantonrechter, ondanks het bovenstaande, waarmee ook uitdrukkelijk rekening wordt gehouden, aan [verwerdende partij] ten laste van SDZ een vergoeding conform de kantonrechtersformule toekennen, waarbij die vergoeding dient te worden bepaald met factor C op 0,5.

Voor factor B wordt uitgegaan van [verwerdende partij]’s brutomaandsalaris, te verhogen met zijn persoonlijke toeslag, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, ofwel € 11.081,60 bruto. Factor A wordt op 13 gesteld. Een en ander betekent in dit geval een vergoeding van naar boven afgerond € 72.000,00 bruto.

Deze vergoeding dient als suppletie op een aan [verwerdende partij] toekomende uitkering krachtens loondervingsregelingen en/of als suppletie op een eventueel elders te verdienen lager salaris.

16.

Bovenstaande beslissing brengt mee dat SDZ overeenkomstig het negende lid van artikel 7:685 BW de gelegenheid krijgt het verzoek in te trekken.

17.

Indien SDZ haar verzoek handhaaft, is er voldoende aanleiding om tussen partijende proceskosten te compenseren. Indien SDZ haar verzoek intrekt, zal zij met de proceskosten worden belast.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 februari 2006 onder toekenning aan [verwerdende partij] ten laste van SDZ van een vergoeding van € 72.000,00 bruto;

- stelt SDZ in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 10 februari 2006 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval SDZ het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 15 februari 2006 onder toekenning aan [verwerdende partij] ten laste van SDZ van een vergoeding van € 72.000,00 bruto en veroordeelt SDZ tot betaling van dat bedrag aan [verwerdende partij] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval SDZ het verzoek intrekt:

- veroordeelt SDZ in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verwerdende partij] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.