Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AU9712

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
275921 CV 05-1645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; arbeidsrecht; aansprakelijkheid werkgever voor rsi; aansprakelijkheid commanditaire vennootschap en de (enige) beherend vennoot ervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2006, 110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

Zaaknr. : 275921 CV EXPL 05-1645

Datum : 12 januari 2006

Vonnis in de zaak van:

[H],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen [H],

gemachtigde mr. W.A. van Veen, advocaat te Utrecht,

tegen

1. de commanditaire vennootschap MEESTER STEGEMAN C.V.,

gevestigd te Wijhe,

verder ook te noemen Stegeman,

en

2. de besloten vennootschap SARA LEE FOODS NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

verder ook te noemen Sara Lee,

gedaagde partijen,

gemachtigde mr. C. de Wolf, advocaat te Amsterdam,

rolgemachtigde A.M.C. van den Bos, gerechtsdeurwaarder te Deventer.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partijen

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

[H] vordert, na wijziging van haar eis, kort samengevat, van gedaagden betaling van € 10.000 voorschot op materiële en immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2002, en betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat, en de veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

Gedaagden hebben tot niet-ontvankelijk verklaring van [H], althans afwijzing van haar vorde-ringen geconcludeerd en gevorderd dat [H] in de proceskosten wordt veroordeeld.

De vaststaande feiten en omstandigheden

1.1

Tussen partijen staat als erkend of niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het vol-gende, voor zover van belang, vast.

1.2

[H] is op [datum] geboren en op [datum] in loondienst van Stegeman getreden. Haar functie was productiemedewerkster op de afdeling snijden en verpakken. [H] werkte 34 uren per week (3 weken van 4 dagen en 1 week van 5 dagen).

Stegeman produceert vleeswaren.

1.3

Op 23 september 2002 heeft [H] haar werkzaamheden voor Stegeman (definitief) wegens ziekte gestaakt. Per 1 februari 2003 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen krachtens een beschikking van de kantonrechter te Meppel ontbonden. Aan [H] is deswege een vergoeding van € 35.000 toegekend.

[H] geniet een uitkering krachtens de WAO en de WW.

1.4

[H] verrichtte, kort samengevat, de volgende taken:

a. het plaatsen van hammen en worsten in een snijmachine

b. het leggen van de gesneden producten in bakjes

c. het wegen en inpakken van de producten.

Tevens vulde [H] de voorraad (te be- en verwerken) halfproducten aan.

In beginsel werden na elke pauze (4 keer 15 minuten per werkdag) de hiervoor bedoelde taken

a tot en met c gewisseld.

De repeterende werkzaamheden maakten 70% van de totale werkzaamheden uit.

1.5

Uit de brief van neuroloog E. Keuter van 22 juni 2001 blijkt onder meer dat bij [H] een “Signi-ficant carpaal tunnel syndroom beiderzijds, links erger dan rechts” is vastgesteld.

Op 6 juli 2001 is [H] in verband met dit carpaal tunnel syndroom (hierna: CTS) geopereerd.

Chirurg Sjardin heeft in zijn brief van 29 augustus 2001 onder meer geschreven dat er “tekenen van costoclaviculaire (thoracic outlet syndroom) aan de linkerzijde” bestaan.

Chirurg M. Lopes Cardozo heeft blijkens zijn brief van 12 oktober 2001 onder meer het volgen-de geconcludeerd: “een vermoedelijk secundair thoracic outlet syndroom (hierna: TOS) aan de linkerzijde, wellicht waarschijnlijk door chronische overbelasting van schouders en wervelkolom”.

Op 18 december 2001 heeft een tweede operatie in verband met het CTS plaatsgevonden.

In zijn brief van 4 december 2002 heeft neuroloog J.W. Stenvers onder meer meegedeeld, dat “de anamnese past bij de aspecifieke vorm van repetitive strain injury” (hierna: RSI).

De beoordeling

2.1

[H] heeft zowel Stegeman als haar beherend vennoot Sara Lee gedagvaard. De bezwaren van gedaagden richten zich tegen de dagvaarding van laatstgenoemde.

Bij conclusie van dupliek hebben gedaagden de stelling van [H] dat Stegeman een afgeschei-den vermogen heeft niet weersproken, zodat dit vaststaat. De kantonrechter volgt niet de (in-middels gedateerde) jurisprudentie van de Hoge Raad dat een commanditaire vennootschap met één beherend vennoot geen afgescheiden vermogen kent vanwege de daarop in de literatuur veelvuldig geuite kritiek, welke kritiek de kantonrechter deelt. Overigens kan de (ene) beherend vennoot naast de CV worden gedagvaard, aldus HR 1 juli 1993 NJ 1993-687.

Op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel is de beherend vennoot naast de commandi-taire vennootschap --met een afgescheiden vermogen-- hoofdelijk aansprakelijk voor de schul-den van die vennootschap.

De stelling van Stegeman dat [H] er geen belang bij heeft ook Sara Lee te dagvaarden omdat Stegeman haar verplichtingen altijd nakomt laat onverlet dat Sara Lee hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van Stegeman. De omstandigheid dat deze in het verleden haar verplichtin-gen altijd is nagekomen, hetgeen de kantonrechter wel wil aannemen, betekent niet dat dit zo zal blijven. Met andere woorden: [H] heeft recht én belang (ook) Sara Lee te dagvaarden.

In het vervolg van dit vonnis zal voor de leesbaarheid alleen de naam Stegeman worden ge-bruikt, zijnde de werkgeefster van [H].

2.2

In verband met de beoordeling van de vordering dienen, gelet op artikel 7:658 BW, de jurispru-dentie en het geschil tussen partijen, de volgende vragen te worden gesteld:

? welke werkzaamheden verrichtte [H]?

? was [H] doordat zij die werkzaamheden verrichtte aan een gevaarzettende situatie blootge-steld?

? heeft [H] schade geleden?

? is een causaal verband tussen haar werkzaamheden en de schade aanwezig?

? heeft Stegeman aan haar zorgplicht voldaan?

? was de schade ook ontstaan indien Stegeman die zorgplicht was nagekomen?

? is sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [H]?

De kantonrechter zal deze vragen hierna één voor één bespreken. Daarbij zullen ook de stand-punten van partijen worden weergegeven.

De werkzaamheden van [H]?

3.1

[H] heeft bij dagvaarding sub 2 tot en met 5 haar werkzaamheden uitvoerig beschreven.

Kort samengevat komen die werkzaamheden op het volgende neer. In de ruimtes alwaar [H] tewerk was gesteld heerste een temperatuur van ongeveer 10° Celsius. Zij werkte van 07.30 uur tot 16.00 à 17.00 uur, inclusief 4 pauzes van telkens 15 minuten. Haar werkzaamheden beston-den uit drie, door pauzes onderbroken en in beginsel afgewisselde taken. Die taken maakten onderdeel uit van een productieproces waarbij van een ‘lopende’ band gebruik werd gemaakt.

De eerste taak betrof het enkele keren per minuut plaatsen van producten (hammen en worsten) in een snijmachine, nadat zij deze producten middels een mes van vellen of darmen had ont-daan. Voorts diende zij een productcode in te voeren en de zich boven haar hoofd en op knie-hoogte bevindende folierollen, met een gewicht van ongeveer 20 kilo per stuk, enkele keren per dag te vervangen.

De tweede taak betrof het met een hoge frequentie (gemiddeld één pakje per seconde) met de rechterhand oppakken van de gesneden producten vanaf de ‘lopende’ band, daarna het met de linkerhand overpakken en omdraaien van die producten en tot slot het deponeren van die pro-ducten in bakjes.

De derde taak betrof het in hoge frequentie vullen van plastic bakken (fusten) met ingepakte producten. Na weging werden die bakken boven schouderhoogte op een pallet gestapeld. Een lege pallet werd met de hand neergelegd.

Behalve deze drie taken diende [H] zogeheten bokken met vlees, met een gewicht dat varieer-de van 100 tot 350 kilogram, door middel van een wagentje naar de afdeling te brengen ten einde aldaar te worden verwerkt.

3.2

Stegeman heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat [H] haar werkzaamheden, althans in grote lijnen, juist heeft beschreven. Op welke onderdelen die beschrijving onjuist is heeft Ste-geman niet aangegeven, ook niet bij conclusie van dupliek, hoewel dat wel op haar weg lag.

Stegeman heeft de stelling van [H] dat zij behoudens de overige kleding slechts een katoenen broek mocht dragen weliswaar betwist, maar uit het verdere procesverloop (sub 6 conclusie van repliek en sub 7 conclusie van dupliek) volgt dat dit punt hier niet van belang is.

De slotsom luidt dat de beschrijving door [H] van haar werkzaamheden (dagvaarding sub 2 tot en met 5) wegens erkenning en overigens wegens het ontbreken van voldoende gemotiveerde tegenspraak voor juist moet worden gehouden, zodat de door [H] verrichte werkzaamheden tussen partijen vaststaan.

Gevaarzettende arbeidsomstandigheden?

4.1

[H] heeft, kort samengevat, gesteld dat haar werkzaamheden een kort-cyclisch karakter had-den, dat de werkdruk hoog was en de pauzes kort, dat regelmatig overwerk moest worden ver-richt, dat de omgevingstemperatuur laag was en dat de onderscheiden taken telkens een verge-lijkbare belasting van het bewegingsapparaat vergden.

[H] heeft verder bij dagvaarding (sub 7 tot en met 9) aan de hand van het zogeheten Saltsa-rapport, welk rapport is opgenomen in de Richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Be-roepsziekten, en aan de hand van welk rapport de relatie tussen enerzijds gediagnosticeerde specifieke en aspecifieke Aandoeningen aan het Bewegingsapparaat in de Bovenste Extremiteit (hierna: ABBE) en anderzijds arbeidsgerelateerde risicofactoren kan worden vastgesteld, gemo-tiveerd betoogd dat de door haar beschreven werkzaamheden in die zin gevaarzettend waren, dat de kans op het ontstaan van arbeidsgerelateerde gezondheidsklachten (RSI) aanwezig was.

Aan de hand van bedoelde Richtlijnen heeft [H] ook betoogd dat een eenzijdige, statische hou-ding, repeterende bewegingen en verhoogde spierspanning risicofactoren zijn voor het optreden van werkgerelateerde ABBE, terwijl volgens het Arbo Convenant RSI in de vleessector, in de vleeswarenindustrie 39 procent van de medewerkers een sterk verhoogd risico en 45 procent een verhoogd risico op RSI loopt.

4.2

Stegeman heeft in dit verband bij conclusie van antwoord (sub 7) erkend dat het Saltsa-rapport en het Arbo Convenant weliswaar een relatie leggen tussen de klachten van [H] en de in het Saltsa-rapport genoemde risicofactoren, maar dat die relatie “in concreto niet leidt tot de slotsom dat in casu eiseres was blootgesteld aan een verhoogd risico op RSI, laat staan dat de gestelde klachten een gevolg zijn van bedoelde werkzaamheden”.

Bij conclusie van dupliek heeft Stegeman dit verweer min of meer herhaald evenwel zonder gemotiveerd in te gaan op de (uitvoerige) stellingen van [H]. Dit lag wel op haar weg, nu [H] enerzijds aan de hand van de beschrijving van haar werkzaamheden (ten aanzien waarvan Ste-geman bij conclusie van dupliek sub 7 zelfs heeft gesteld dat partijen het daarover eens zijn), en anderzijds aan de hand van de overgelegde stukken gemotiveerd heeft betoogd dat zij aan de door haar nauwkeurig omschreven risicofactoren (sub 7 dagvaarding) was blootgesteld.

4.3

Nu de stelling van [H] dat zij aan die risicofactoren was blootgesteld en dat haar werkzaamhe-den daarom gevaarzettend waren onvoldoende gemotiveerd is weersproken, staat de juistheid van die stelling vast.

De schade?

5.1

[H] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij door haar werkzaamheden de beroepsziekten RSI heeft opgelopen, dat zij daardoor blijvende pijnklachten aan nek, linkerarm en schouder heeft en dat zij daardoor in haar activiteiten beperkt is.

[H] heeft haar, voor zover hier van belang zijnde, ziekte, klachten en beperkingen onderbouwd met de hiervoor onder rechtsoverweging 1.5 genoemde brieven van medisch specialisten.

5.2

Stegeman heeft de medische klachten en de ziekte van [H] erkend --zelfs “uiteraard”--voor zover [H] die klachten en ziekte met medische stukken heeft onderbouwd (sub 6 conclusie van antwoord).

De diagnose CTS en TOS volgt uit de hierboven genoemde medische stukken, zodat die ziekten c.q. afwijkingen niet door Stegeman zijn betwist en dus vaststaan.

De brief van neuroloog Stenvers d.d. 4 december 2002 (productie 3 dagvaarding) bevat onder meer een uitvoerige anamnese en een beschrijving van de klachten van [H], zoals pijn en haar op meerdere vlakken verminderde inzetbaarheid. Zo is volgens deze brief autorijden, schrijven, het verrichten van huishoudelijke taken en persoonlijke verzorging onmogelijk dan wel beperkt mogelijk.

Nu zowel de ziekten c.q. afwijkingen als de klachten middels medische stukken zijn onder-bouwd en uit het standpunt van Stegeman volgt dat zij die ziekten en klachten in dat geval er-kent, staat vast dat [H] schade heeft geleden.

Causaal verband aanwezig en voldaan aan zorgplicht?

6.1

[H] heeft het causaal verband tussen enerzijds haar werkzaamheden en anderzijds haar schade onderbouwd middels (met name) de volgende stellingen:

-het Saltsa-rapport betitelt het CTS als een specifieke ABBE;

-toetsing van de in dit rapport beschreven criteria aan de werkomstandigheden van [H] levert op dat de aandoening van [H] waarschijnlijk arbeidsgerelateerd is;

-medewerkers in de vleeswarenindustrie hebben een hoog tot sterk verhoogd risico op RSI;

-een eenzijdige, statische houding, repeterende bewegingen en verhoogde spierspanning kunnen leiden tot werkgerelateerde aandoeningen aan het ABBE;

-chirurg Lopez Cardozo stelt in zijn brief van 12 oktober 2001 dat het vermoedelijk aanwezige secundaire TOS “wellicht waarschijnlijk door chronische overbelasting van schouders en wer-velkolom” is veroorzaakt;

-neuroloog Stenvers schrijft in zijn brief van 4 december 2002 dat “de anamnese past bij de specifieke vorm van repetitive strain injury”.

6.2

Voorts heeft [H] gesteld dat Stegeman haar zorgplicht bedoeld in artikel 7:658 BW niet is na-gekomen, welke stelling [H], met name in de dagvaarding, als volgt heeft onderbouwd:

-een adequaat arbeidsomstandighedenbeleid en een risico inventarisatie en evaluatie (hierna: RI&E) en een plan van aanpak als bedoeld in artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet ontbraken;

-de aan [H] opgedragen arbeid stond op gespannen voet met artikel 3 lid 1 onder d Arbeidsom-standighedenwet (kort gezegd: het vermijden van ongevarieerde, in een kort tijdsbestek repete-rende arbeid en indien dat vermijden niet of onvoldoende kan worden gerealiseerd die arbeid regelmatig met andersoortige arbeid of pauzes afwisselen);

-volgens de Interne Instructie Arbeidsinspectie levert de werksituatie van [H] “een misstand” op, omdat [H] meer dan vier uren (bedoeld zal zijn: twee uren) per dag nagenoeg dezelfde repeterende handelingen met een cyclusduur van minder dan 10 seconden moest verrichten, en [H] haar statische, staande werkhouding meer dan 2 uur moest volhouden, terwijl de gezond-heidskundige norm is vastgesteld op maximaal vier uren per dag en/of 1 uur onafgebroken;

-een doeltreffende voorlichting over de aan de werkzaamheden verbonden risico's en over de maatregelen om die risico's te voorkomen of te beperken als bedoeld in artikel 8 Arbeidsom-standighedenwet ontbrak;

-[H] is na uitval wegens ziekte telkens in haar eigen werkzaamheden gereïntegreerd, hoewel de oorzaak van die uitval in die werkzaamheden was gelegen.

6.3

Stegeman heeft betwist dat de klachten van [H] een gevolg zijn van de door haar verrichte werkzaamheden. Volgens Stegeman volgt het causaal verband ook niet uit de overgelegde me-dische stukken en de door [H] genoemde literatuur.

Stegeman stelt dat zij haar zorgplicht behoorlijk is nagekomen en dat zij eventuele gevaren vol-doende heeft beperkt. De werkzaamheden van [H] waren volgens Stegeman voldoende afwis-selend; ook waren er voldoende pauzes. [H] behoefde niet voortdurend in een statische, staan-de lichaamshouding te werken. [H] had ook een eigen verantwoordelijkheid; zij wilde na haar ziekteperiode echter in haar eigen werk reïntegreren. De ter beschikking gestelde materialen waren deugdelijk en de arbeidsomstandigheden veilig. Uit de brief van de Arbo Unie van 22 juni 2000 blijkt dat Stegeman met [H] overleg heeft gevoerd over haar, niet door het werk veroorzaakte, klachten en middels dat overleg heeft willen voorkomen dat die klachten zouden verergeren. Enkel het ontbreken van een RI&E kan niet tot aansprakelijkheid van Stegeman leiden.

6.4

De kantonrechter behandelt de vraag naar het causaal verband tegelijk met die naar de zorg-plicht van Stegeman, omdat uit de jurisprudentie blijkt dat die met elkaar verband (kunnen) houden. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 november 2000 NJ 2001-596 (Unile-ver/Dikmans) immers overwogen, “dat wanneer een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk ver-band aangenomen moet worden indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, en dat derhalve ook in zoverre op Unilever reeds thans de plicht rust nader aan te geven of en zo ja welke maatregelen zij in dit opzicht heeft getroffen”.

6.5

Uit de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat vaststaat dat [H] bij de uitoefening van haar werkzaamheden was blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke werkomstandighe-den.

Het causaal verband tussen die blootstelling en de schade leidt de kantonrechter uit het volgen-de af.

In de eerste plaats volgt uit een tweetal medische brieven dat een verband tussen enerzijds de klachten en het ziektebeeld van [H] en anderzijds de door [H] verrichte arbeid waarschijnlijk wordt geacht. Chirurg Lopez Cardozo is immers van oordeel dat de door hem vermoedelijk geconstateerde TOS waarschijnlijk door chronische overbelasting is veroorzaakt, terwijl neuro-loog Stenvers concludeert dat de anamnese past bij de aspecifieke vorm van RSI.

In dit verband merkt de kantonrechter op dat de door Stegeman op dit punt kennelijk gewenste "absolute zekerheid" (sub 10 conclusie van dupliek) niet noodzakelijk is om het causaal verband te kunnen aannemen. Voor het aannemen van het causaal verband is voldoende dat de klachten en het ziektebeeld met een voldoende mate van waarschijnlijkheid door de verrichte arbeid zijn veroorzaakt. Aan die mate van waarschijnlijkheid draagt bij dat uit de door [H] vermelde lite-ratuur (Saltsa-rapport, en eerder genoemde Richtlijnen en Convenant) in het algemeen het cau-saal verband blijkt, terwijl noch gesteld noch gebleken is dat andere, niet arbeidsgerelateerde factoren (al dan niet mede) als oorzaak van de klachten kunnen worden aangewezen.

6.6

In de tweede plaats heeft Stegeman onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7: 658 BW jegens [H] is nagekomen, hoewel Stegeman dat blijkens voor-noemd arrest aanstonds had behoren te doen. Stegeman heeft noch bij conclusie van antwoord noch bij conclusie van dupliek inzichtelijk gemaakt welke concrete maatregelen zij heeft geno-men om de gezondheidsrisico's voor [H] te beperken. Op grond van artikel 3 lid 1 onder d Arbeidsomstandighedenwet was Stegeman, ervan uitgaande dat de door [H] verrichte arbeid niet kon worden vermeden, gehouden die arbeid door andersoortige arbeid of pauzes regelmatig af te wisselen. Stegeman heeft niet middels concrete feiten en omstandigheden duidelijk ge-maakt of, en zo ja op welke wijze zij deze verplichting in acht heeft genomen. Dit geldt ook ten aanzien van de in de artikelen 5.2 en 5.3 Arbeidsomstandighedenbesluit neergelegde verplich-tingen. In dit verband is van belang dat de in artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet voorgeschre-ven RI&E (en kennelijk ook het Plan van Aanpak) ontbreekt, hetgeen Stegeman bij conclusie van dupliek sub 20 heeft erkend. De stelling van Stegeman dat zij desondanks “een gestructu-reerd beleid” op het punt van de arbeidsomstandigheden heeft gevoerd is bezien in het licht van de ontbrekende RI&E en het Plan van Aanpak weinig aannemelijk, terwijl een concrete be-schrijving van dat beleid geheel ontbreekt. Stegeman heeft niet veel meer gesteld dan hiervoor onder rechtsoverweging 6.3 samengevat is weergegeven hetgeen, gegeven de van meet af aan bestaande stelplicht van Stegeman en de onderbouwde kritiek van [H] op de arbeidsomstan-digheden, onvoldoende is. Hoe en wanneer Stegeman aan [H] de mogelijkheid heeft geboden tot afwisseling van haar arbeid, tot het nemen van voldoende pauzes en tot het variëren van haar lichaamshouding en aan haar ter zake instructies heeft gegeven, is geheel in het midden gelaten. De stelling van Stegeman dat zij deugdelijke materialen aan [H] heeft verstrekt is weliswaar onweersproken gebleven, maar [H] heeft Stegeman op dit punt geen verwijt gemaakt.

6.7

De kantonrechter ziet niet in dat uit de brief van de Arbo Unie van 22 juni 2000 blijkt dat Ste-geman haar in artikel 7: 658 BW bedoelde zorgplicht is nagekomen, nu deze brief handelt over de inzetbaarheid van [H] bij Stegeman vanwege een drietal in die brief genoemde medische problemen, welke problemen in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn gesteld.

6.8

[H] heeft erkend dat zij in haar eigen functie wilde reïntegreren en gesteld dat zulks “wellicht tegen beter weten in was”, maar dit laat onverlet dat op Stegeman, mede met het oog op hetgeen omtrent RSI in de loop der tijd bekend was geworden, de verplichting rustte de arbeidsomstan-digheden met inachtneming van de bestaande voorschriften te organiseren. Stegeman heeft on-voldoende gesteld om aan te nemen --of aan haar het bewijs op te dragen-- dat de medische klachten van [H] (mede) het gevolg zijn van haar opzet of bewuste roekeloosheid. Zo heeft Stegeman niet gesteld dat [H] bijvoorbeeld tegen een nadrukkelijk advies van een arts is inge-gaan. Het lag voor de hand dat [H] in haar eigen werkzaamheden reïntegreerde, nu zij die werkzaamheden vanaf augustus 1991 had verricht.

6.9

De kantonrechter ziet bij deze stand van zaken geen grond Stegeman tot het bewijs van haar stelling dat zij haar zorgplicht is nagekomen, toe te laten.

Uit het vorenstaande volgt dat het causaal verband tussen de werkomstandigheden en de ziekte van [H] voldoende aannemelijk is geworden.

De schade

7.1

Vaststaat dat [H] gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt en dat [H] ten gevolge van haar klachten beperkingen ondervindt.

Eveneens staat vast dat sprake is van inkomensschade, nu [H] onweersproken heeft gesteld dat haar huidig inkomen, bestaande uit een WAO- en een WW-uitkering beduidend minder (onge-veer € 250 per maand) bedraagt dan het voorheen verdiende salaris.

Gegeven de klachten van [H] en haar beperkingen is voldoende aannemelijk dat zij ook recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW zijn de kosten van het aan deze procedure voorafgegane onderzoek door het Bureau Beroepsziekten FNV, de door dit bureau ingeschakel-de deskundige op het gebied van RSI en de medisch adviseur in beginsel toewijsbaar. In hoever-re het bedrag van die kosten, welke blijkens productie 10 bij conclusie van repliek op een be-drag van € 6.426,15 zijn begroot, volledig toewijsbaar is, dient zonodig in een schadestaatpro-cedure aan de orde te komen. Met het oog op het gevorderde voorschot is thans voldoende dat kosten zijn gemaakt en dat die kosten in beginsel toewijsbaar zijn.

De wettelijke rente over het voorschotbedrag zal met ingang van 1 februari 2006 worden toe-gewezen omdat eerst aan de hand van de afzonderlijke, werkelijke schadeposten kan worden vastgesteld wanneer een bepaalde schadepost opeisbaar is geworden en het verzuim is ingetre-den.

De kantonrechter stelt vast dat aan de ontbindingsvergoeding van € 35.000 in het kader van het onderhavige geschil geen betekenis toekomt. Dit volgt onder meer uit de stelling van Stegeman bij conclusie van dupliek sub 27 dat die vergoeding “niet rechtstreeks verrekend kan worden”, wat Stegeman daarmee dan ook mag bedoelen.

7.2

Stegeman heeft (ook subsidiair) niet gesteld dat de schade ook zou zijn ontstaan indien zij haar zorgplicht was nagekomen, zodat dit geen verdere besprekingen behoeft.

Onder rechtsoverweging 6.8 is reeds aandacht besteed aan de vraag of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [H].

Tot slot

8.

Het gevorderde voorschot is toewijsbaar en overigens ook redelijk. De toewijsbaarheid geldt ook met betrekking tot de vordering tot betaling van de verdere schadevergoeding en in verband daarmee de verwijzing naar de schadestaatprocedure. De wettelijke rente over die schadever-goeding zal worden toegewezen met ingang van de dag van het verzuim.

9.

Stegeman dient als verliezende partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Stegeman tegen bewijs van kwijting aan [H] te betalen:

a. een bedrag van € 10.000,00 als voorschot op de materiële en immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2006 tot de dag van algehele voldoening;

b. het bedrag van de resterende materiële en immateriële (vermogens)schade, waaronder de arbeidsvermogensschade, nader op te maken bij staat middels een schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de (nader te bepalen) dag van het verzuim;

- veroordeelt Stegeman in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [H] begroot op:

? € 500,00 voor salaris gemachtigde

? € 85,59 voor explootkosten

? € 192,00 voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 12 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.