Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AU9028

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
07.400649-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid. Eendaadse samenloop

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2006/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer te Zwolle

Parketnummer: 07.400649-05

Uitspraak: 3 januari 2006

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2005. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. I. Verkerk, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaar.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging).

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 september 2005 te Dalfsen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Hessenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend op die weg te rijden, immers heeft verdachte toen en daar, nadat hij kort tevoren een hoeveelheid alcoholische drank had genuttigd, niet tijdig geremd en is verdachte met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) tegen een persoon

([slachtoffer]), welke zich gehurkt en/of op de knieen in de berm en/of gedeeltelijk op de rijbaan van die weg bevond, gebotst, waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 17 september 2005 in de gemeente Dalfsen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Van het 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank heeft geconstateerd dat het onder 2 bewezen verklaarde feit onderdeel is van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en zal derhalve één strafbepaling toepassen.

Het bewezene levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat verdachte een gewaarschuwd man was, omdat hij zowel in 2003 en als in 2004 een transactie heeft moeten betalen voor het rijden onder invloed van alcohol en hij, naar eigen zeggen, door het volgen van de cursus Educatie Maatregelen Alcohol en verkeer volledig op de hoogte was van de gevaren van het rijden onder invloed van alcohol. Ook de nacht van het onderhavige ongeval is nog tegen verdachte gezegd dat hij teveel alcohol had genuttigd om in een auto te gaan rijden.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 20 september 2005 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 15 december 2005 uitgebracht door de heer R. Zandbergen, reclasseringswerker bij de Stichting CAD.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot zes maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de reclassering van de Stichting CAD, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van vier jaar.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. W.P.M. Elderman, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2006.

Mr. Buijsman voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.