Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AV5225

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
99864 / HA ZA 04-1052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres eist pro se en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen schadevergoeding wegens het overlijden van haar echtgenoot door een verkeersongeval waarvoor een bij gedaagde verzekerde aansprakelijk is. Het geschil splitst zich o.m. toe op:

1) uitkering sommenverzekering:

die dient meegenomen te worden omdat die nu eenmaal leidt tot verminderde behoefte. Het gaat echter om een gemengde verzekering die ook zonder ongeval op enig moment zou zijn uitgekeerd. Vanaf dat moment géén voordeel meer ten opzichte van de situatie zonder ongeval. (r.o. 4.8 t/m 4.10)

2) oppasvergoedingen voor de kinderen:

geen looptijd tot jongste kind 16 jaar wordt, maar rechtbank is, aansluitend bij fiscale en andere wettelijke vergoedingsregelingen op punt van kinderopvang , van oordeel dat het maken van oppaskosten gedurende de basisschoolperiode redelijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/73
NJF 2006, 232

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel recht

Meervoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 99864 / HA ZA 04-1052

Uitspraak: 20 juli 2005

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[minderjarige 1] en [minderjarige 2],

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. F.P. de Jong te Emmen,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij B.A. ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ UNIVÉ SCHADE BA,

kantoorhoudend te Assen en gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. V.C. van Ahee

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en Univé.

PROCESGANG

De zaak is bij op 20 juli 2004 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van antwoord van de zijde van Univé;

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiseres];

- een conclusie van dupliek van de zijde van Univé;

- een akte overlegging produktie van de zijde van [eiseres];

- een antwoordakte van de zijde van Univé.

Tenslotte is op verzoek van partijen vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiseres] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Univé zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van EUR 182.624,83, alsmede het bedrag der wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 februari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, op welk bedrag in mindering kan strekken het betaalde voorschot ad EUR 72.571,32, alsmede;

- Univé zal veroordelen om aan haar te betalen alle eventueel verschuldigde heffingen inkomstenbelasting en volksverzekeringen over voormelde bedragen, alsmede;

- Univé zal veroordelen in de kosten van dit geding.

Daartegen is door Univé verweer gevoerd met conclusie dat de rechtbank de vorderingen van [eiseres] zal afwijzen hetzij door haar daarin niet ontvankelijk te verklaren hetzij door haar deze te ontzeggen met veroordeling [eiseres] in de kosten van de procedure.

OVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

1.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, dan wel op grond van de onbetwiste inhoud van de overgelegde produkties het navolgende vast.

1.2. [eiseres] oefent het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [datum] 1996 en [minderjarige 2], geboren op [datum] 1999 (hierna: [minderjarige 1] en [minderjarige 2]); zij treedt in de onderhavige procedure met bij beschikking van 26 april 2004 gegeven toestemming van de kantonrechter te Leeuwarden in rechte voor hen op.

1.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren uit [eiseres]s huwelijk met [A]. [A] is op13 februari 2000 bij een verkeersongeval om het leven gekomen.

1.4. De veroorzaker van het ongeval was in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen verzekerd bij Univé. Univé heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval aan de zijde van haar verzekerde erkend.

Naast vergoeding van de begrafeniskosten heeft Univé terzake van gederfd levensonderhoud een bedrag van EUR 72.571,32 aan [eiseres] betaalbaar gesteld, bestaande uit EUR 43.226,82 voor [eiseres] zelf en EUR 14.672,25 voor ieder der kinderen.

1.5. [A] was voorafgaand aan het ongeval werkzaam bij de koninklijke luchtmacht en als sergeant der eerste klasse verbonden aan de Vliegbasis Leeuwarden.

[eiseres] werkte op dat moment gedurende 11,47 uren per week als bejaardenverzorgster.

1.6. Bij de stukken bevindt zich een schrijven namens het Hoofd Personeel en Organisatie van de vliegbasis waarin terzake van het hypothetisch carrièreperspectief van [A] onder meer wordt vermeld:

"Na overleg met de direct leidinggevende van betrokkene kan gesteld worden dat, bij ongewijzigd functioneren, het navolgende carrièreperspectief van toepassing zou zijn geweest.

Bevordering tot Sergeant-majoor na een looptijd van 4 jaar als sergeant der eerste klasse.

Bevordering tot Adjudant-onderofficier na een looptijd van 5 jaar als Sergeant-majoor.

De hierboven genoemde looptijden zijn richtlijnen en zouden kunnen worden bekort indien betrokkene gesolliciteerd zou hebben naar een functie waaraan de naasthogere rang gekoppeld is."

1.7. Voorts bevindt zich hierbij een aan [eiseres] gericht schrijven namens de Commandant Vliegbasis Leeuwarden, waarin onder meer wordt vermeld:

"3. (...)Gelet op het grote aantal sergeant-majoor functies in het functiegebied CIS waren er veel mogelijkheden voor uw echtgenoot om op enig moment te worden bevorderd tot sergeant-majoor en nadien eventueel adjudant-onderofficier."

1.8. Als gevolg van het overlijden van [A] is een aan de hypothecaire geldlening op het woonhuis van [eiseres] gekoppelde sommenverzekering tot uitkering gekomen, waardoor haar maandelijkse woonlasten zijn gedaald.

2. Standpunt [eiseres]

[eiseres] vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud op grond van artikel 6:108 BW.

2.1. Op het punt van de (gemiste) inkomsten dient er naar zij stelt van uit te worden gegaan dat [A] zonder het ongeval achtereenvolgens de rang van sergeant-majoor en adjudant-onderofficier zou hebben bereikt. Het hypothetisch inkomen dient op basis van de daarbij behorende salarisschalen te worden berekend.

2.2. De onderhoudsschade van de kinderen dient tot aan hun 21e jaar te worden berekend; het is niet redelijk te verwachten dat zij eerder in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.

Het is redelijk de oppaskosten tot het 16e levensjaar van het jongste kind door te berekenen.

2.3. De vraag of [eiseres]s eigen inkomen in de toekomst zou kunnen toenemen, is niet relevant: er bestond en bestaat voor haar als echtgenote van [A] geen verplichting om meer inkomen uit arbeid te genereren.

2.4. De vaste lasten dienen zowel voor als na het ongeval op 40% van het netto-inkomen te worden gesteld.

De uitgekeerde sommenverzekering c.q. de daling van de hypotheeklasten is niet van invloed op de waardering van de onderhoudsbehoeften. Het feit dat de vaste lasten dalen is geen behoeftigheids-verminderende omstandigheid.

Enig voordeel is door [eiseres] niet genoten; de uitkering moet geacht worden ter vergoeding van immateriële schade te zijn aangewend. Op die manier worden de gevolgen van de lacune in het wettelijk stelsel (dat in geval van overlijden niet in smartengeld voor de nabestaanden voorziet) weggenomen. In redelijkheid valt niet in te zien waarom de uitkering de aansprakelijkheidsverzekeraar ten voordeel zou moeten strekken.

2.5. Univé is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van het ongeval.

3. Standpunt Univé

Het door [eiseres] gederfde levensonderhoud is met het bedrag dat Univé betaalbaar heeft gesteld reeds ruimschoots vergoed.

3.1. Bij het bepalen van de hypothetische loopbaan dienen niet alleen de goede maar ook de kwade kansen te worden ingeschat; concrete aanwijzingen voor het door [eiseres] geschetste carrièreperspectief ontbreken.

Bovendien wordt ten onrechte geen rekening gehouden met het gegeven dat [eiseres]s eigen inkomen bij het ouder worden van de kinderen zal stijgen.

3.2. Ten aanzien van de kinderen geldt dat uitgegaan moet worden van een looptijd tot aan het bereiken van de 18-jarige leeftijd, zijnde het moment waarop zij zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Oppaskosten eindigen, gelet op hun leeftijd en de gezinsomstandigheden, in 2010, als [minderjarige 2] 11 jaar oud is.

3.3. Een percentage van 40 voor vaste lasten is onredelijk hoog, zeker als het wegvallen van hypothecaire lasten in aanmerking wordt genomen.

De uitgekeerde verzekerde som dient wel degelijk in de berekening van gederfd levensonderhoud te worden betrokken; de behoefte van het achterblijvende gezin wordt hierdoor immers verminderd. Voor vergoeding van immateriële schade is in gevallen als het onderhavige geen plaats, ook niet via de omweg van vergoeding middels aanwending van het uitgekeerde geldbedrag.

3.4. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente merkt Univé op dat deze niet zonder meer per ongevalsdatum dient te worden berekend.

Veroordeling tot betaling van belastingheffing is naar zij stelt in het algemeen niet toewijsbaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Hoewel de dagvaarding op dit punt niet ondubbelzinnig is, zal de rechtbank er in navolging van partijen vanuit gaan dat [eiseres] bedoeld heeft zowel pro se als voor haar kinderen op te treden c.q. te vorderen.

Uitgangspunten

4.2. Het geschil betreft de omvang van het als gevolg van het ongeval verloren levensonderhoud. Daarbij doet zich de moeilijkheid voor, dat een vergelijking dient plaats te vinden van de situatie, zoals die zich thans voordoet en een, die nimmer heeft plaatsgehad (te weten de situatie zonder het noodlottige ongeval), met de complicerende factor dat in de toekomst moet worden gekeken. Het is de redelijke verwachting die hier houvast moet bieden, waarbij aan [eiseres] met betrekking tot het bewijs van de gestelde schade naar vaste jurisprudentie geen al te strenge eisen mogen worden gesteld; het is immers aan de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval te wijten dat de nabestaanden niet in staat zijn zekerheid te verschaffen omtrent hoe het hen in de situatie zonder ongeval zou zijn vergaan.

4.3. De omvang van de uit te keren schadevergoeding is afhankelijk van de draagkracht van de overledene, zoals deze zich zonder het ongeval zou hebben ontwikkeld, en van de behoefte van de nabestaanden, dier gehele financiële positie in aanmerking genomen.

Inkomensverlies c.q. loopbaanverwachting

4.4. Voor de vraag welk inkomensverlies door zijn nabestaanden wordt geleden, moet worden bezien welke carrière [A] zonder het ongeval zou hebben doorlopen.

De rechtbank zal er van uitgaan dat het door [eiseres] geschetste toekomstperspectief met de hierboven bedoelde redelijke verwachting correspondeert. Haar stellingen op dit punt zijn beredeneerd en met stukken onderbouwd. Uit de hierboven onder 1.6. en 1.7. aangehaalde brieven blijkt dat de door [eiseres] gepresenteerde carrièrestappen niet afwijken van wat binnen de desbetreffende werkkring gangbaar is en voorts dat de promotieplaatsen ook daadwerkelijk voorhanden zouden zijn geweest. In het licht daarvan doet de betwisting van Univé kaal aan, deze acht de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd. De stelling van Univé, dat [eiseres] alleen de meest optimale situatie beziet en deze tot maatstaf verheft, wordt gelogenstraft door de hierboven aangehaalde - door Univé niet weersproken - mededeling zijdens de werkgever, dat [A] zijn loopbaan door actief solliciteren nog positief zou kunnen hebben beïnvloed.

Nu de hoogte van de bij het loopbaantraject behorende salarisschalen door Univé niet, althans onvoldoende specifiek, wordt betwist zal de rechtbank uitgaan van een inkomensontwikkeling aan de zijde van [A] zoals door [eiseres] gesteld.

4.5. Ook wat het eigen inkomen van [eiseres] betreft verschillen partijen van mening omtrent de ontwikkeling die zich daarin zonder het ongeval zou hebben voorgedaan. Univé heeft gesteld dat er vanuit moet worden gegaan dat zij na verloop van tijd in toenemende mate in haar eigen levensonderhoud zal voorzien. Univé onderbouwt dit evenwel onvoldoende. Het enkele gegeven dat veel (en steeds meer) vrouwen hun werkzaamheden bij het ouder worden van hun kinderen uitbreiden, brengt nog niet mee dat dit ook voor [eiseres] geldt; in het bijzonder is niet duidelijk of de algemene statistische gegevens in dit opzicht een juiste afspiegeling zijn van de groep waartoe [eiseres] behoort c.q. van de situatie waarin zij zich bevindt.

Overigens laat Univé op dit punt na inzichtelijk te maken hoe de situatie mèt het ongeval zich tot die zonder het ongeval verhoudt.

De rechtbank zal [eiseres] dan ook volgen in haar stelling dat zij haar werkzaamheden zonder het ongeval niet zou hebben uitgebreid en dat zulks ook thans niet in de rede ligt.

Kinderen

4.6. Partijen strijden over de vraag tot welke leeftijd de kinderen levensonderhoud derven.

Ingevolge artikel 6:108 eerste lid sub a en c BW dient te worden beoordeeld hoe lang [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in staat zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en voorts hoe lang [A], indien hij niet zou zijn overleden, daarin zou hebben bijgedragen. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van de periode waarin ouders krachtens familierechtelijke bepalingen normaliter tot betaling van alimentaire bijdragen kunnen worden gehouden, te weten tot het 21e levensjaar. Door partijen zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die tot afwijken daarvan nopen.

[eiseres] zal op dit punt dan ook in het gelijk worden gesteld.

4.7. Ten aanzien van de vraag tot welke leeftijd oppasvergoedingen voor de kinderen moeten worden berekend wordt het standpunt van [eiseres] evenwel niet gevolgd. [eiseres] gaat uit van een looptijd tot het jongste kind [minderjarige 2] zestien jaar wordt, Univé meent dat met vergoeding tot zijn 11-jarige leeftijd kan worden volstaan.

De rechtbank is, aansluiting zoekend bij fiscale en andere wettelijke vergoedingsregelingen die op het punt van kinderopvang gelden, van oordeel dat het maken van oppaskosten gedurende de basisschool-periode redelijk kan worden geacht. Aangezien de overstap naar het voortgezet onderwijs doorgaans in het 12e levensjaar plaatsvindt en er geen aanwijzingen zijn dat dit voor [minderjarige 2] anders zal zijn, is het in casu redelijk om uit te gaan van opvangkosten tot september 2011. Het enkele feit dat de kinderen in casu hun vader hebben verloren is, hoe verdrietig dit voor hen ook zal zijn, onvoldoende om tot een langere looptijd te komen.

Vaste lasten; meenemen uitkering sommenverzekering

4.8. Hoewel het, bezien door de ogen van [eiseres], niet bevredigt dat een veroorzaker van een dodelijk ongeval c.q. diens verzekeraar in zekere zin garen spint bij het tot uitkering komen van een levensverzekering, kan - anderzijds - niet worden miskend dat een uitkering als de onderhavige tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden leidt. Het zou onwerkelijk zijn dit te negeren, temeer nu verzekeringen als de onderhavige niet zozeer plegen te worden aangegaan om het immateriële leed van het verlies van een dierbare te stelpen, maar veeleer om nabestaanden zoveel mogelijk in staat te stellen hun leven op dezelfde materiële voet voort te zetten. Dat zulks in het onderhavige geval anders ligt, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in de rechtspraak van de Hoge Raad neergelegde lijn (vide HR 4 februari 2000, NJ 2000,600), die er op neerkomt dat dergelijke uitkeringen bij het bepalen van de behoefte in aanmerking moeten worden genomen.

4.9. [eiseres] berekent haar vaste lasten op 40% van het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Bij de stukken bevindt zich een uitvoerige vaste lasten-specificatie van haar hand. Deze bedragen, ook indien rekening wordt gehouden met de daarop door Univé geuite kritiek, ruim 40% van het netto besteedbaar gezinsinkomen. De rechtbank acht het door [eiseres] gehanteerde percentage van 40 dan ook niet onredelijk, zij het dat op het aldus berekende bedrag, zoals uit het hierboven overwogene volgt, de besparing vanwege het wegvallen van de hypotheeklasten in mindering dient te worden gebracht.

4.10. Uit de stellingen van [eiseres] kan worden afgeleid dat de sommenverzekering in kwestie een zogenaamde gemengde verzekering is, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. Een juiste wijze van berekenen brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.

4.11. Looptijd berekening

Op het punt van de looptijd van de berekening zal worden aangesloten bij de zijdens [eiseres] gehanteerde methode (waarbij zowel de kans dat [eiseres] 100 jaar oud wordt als de kans dat zij vroegtijdig zal overlijden wordt meegewogen en die resulteert in een looptijd tot 2063), nu Univé haar kritiek op deze begrotingsmethode na repliek van [eiseres] niet (genoegzaam) heeft uitgewerkt.

Rente

4.12. Partijen strijden over de ingangsdatum van de door Univé te vergoeden wettelijke rente. Rente over reeds geleden schade uit hoofde van onrechtmatig handelen is verschuldigd vanaf het moment dat deze schade is ontstaan, over gekapitaliseerde toekomstschade is rente verschuldigd vanaf de kapitalisatiedatum. De rechtbank ziet aanleiding de kapitalisatiedatum vast te stellen op 1 juli 2005.

4.13. De door Univé verstrekte voorschotten dienen allereerst in mindering te strekken op de opeisbare rente over de in het verleden (tot aan de kapitalisatiedatum) geleden en opeisbaar geworden schade en vervolgens op het gekapitaliseerde bedrag.

Buitengerechtelijke kosten

4.14. De gevorderde buitengerechtelijke kosten, bestaande uit de declaratie van het door [eiseres] ingeschakelde letselschadebureau ad EUR 12.108,75, dienen als kosten ter verkrijging en vaststelling van schadevergoeding te worden aangemerkt en zullen, nu Univé zich voor wat betreft de hoogte van het in rekening gebrachte bedrag niet heeft verweerd, worden toegewezen.

Belastinggarantie

4.15. De gevorderde betaling van "eventueel verschuldigde" heffingen inkomstenbelastingen volksverzekeringen zal worden afgewezen, aangezien [eiseres] haar stelplicht heeft verzaakt door dit punt in het petitum van haar dagvaarding op te nemen maar niet te onderbouwen in het lichaam van haar dagvaarding. Overigens ligt heffing van de bedoelde belasting en premies bij vergoedingen als waar hier sprake van is niet voor de hand.

Vervolg van de procedure

4.16. Het vorenoverwogene ziet op de bij de berekening van gederfd levensonderhoud te hanteren uitgangspunten.

De rechtbank zal [eiseres], overeenkomstig haar aanbod daartoe, in de gelegenheid stellen om met inachtneming van hetgeen hierboven omtrent die uitgangspunten werd overwogen een aanvullende actuariële berekening in het geding te brengen, waarop Univé vervolgens zal kunnen reageren.

Partijen wordt verzocht de reeds betaalde voorschotten (op de hierboven onder 4.13. aangegeven wijze) in hun berekeningen te verwerken.

4.17. Voor het overige houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

4.18. Ten overvloede wordt overwogen dat het partijen vanzelfsprekend vrij staat om opnieuw met elkaar in onderhandeling te treden en tot een minnelijke regeling te komen, waarbij het vorenstaande als richtsnoer zou kunnen dienen.

BESLISSING

De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van woensdag 31 augustus 2005, voor uitlating aan de zijde van [eiseres] als bedoeld in rechtsoverweging 4.16.

Verder houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S. Lebens-de Mug, A.M. Koene en H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op woensdag 20 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.