Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AV4155

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
95406 / HA ZA 04-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Onwaarachtige getuigeverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

sector civiel recht

enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 95406 / HA ZA 04-410

Uitspraak : 1 juni 2005

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CAFÉ-RESTAURANT "HET BONTE PAARD" B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Holten,

eiseres,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. A.E.B. de Hollander te Rijssen,

en

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagden,

procureur mr. R.H.H. Schepers.

PROCESGANG

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat op 13 oktober 2004 is uitgesproken.

Ter uitvoering van dit tussenvonnis heeft getuigenverhoor plaatsgevonden.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

MOTIVERING

1 In het tussenvonnis van 13 oktober 2004 is aan gedaagden opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat zij hun volledige schuld van EUR 5.352,81 aan eiseres hebben afbetaald.

2 Gedaagden hebben als getuigen doen horen gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1], [A], [B] en [C]. Paalman en Brink zijn respectievelijk directeur/eigenaar en bedrijfsleider van café Het Bonte Paard.

3 De rechtbank acht gedaagden niet geslaagd in de bewijslevering. Twee van de getuigen, de directeur en de bedrijfsleider van Het Bonte Paard, hebben verklaard nooit geld van gedaagden te hebben ontvangen (overigens is in het proces-verbaal van het verhoor van de getuige Paalman van 2 februari 2005 ten onrechte vermeld dat deze moet worden aangemerkt als partijgetuige -rechtbank).

Eén getuige, Ooms, heeft geen overhandiging van contanten door Scholten aan een personeelslid van Het Bonte Paard (naar Ooms aannam "de baas") waargenomen en zegt alleen uit uitlatingen van zijn neef Scholten te weten dat deze het hele verschuldigde bedrag ter plaatse had voldaan. Tevens zitten er zoveel tegenstrijdigheden in de verklaring van deze getuige als afgelegd ter zitting en diens eerder in het geding gebrachte schriftelijke verklaring dat de rechtbank op die grond vraagtekens zet bij de geloofwaardigheid van deze getuige, althans wat betreft de inhoud van diens schriftelijke verklaring van 13 mei 2004. Voedsel aan die twijfels van de rechtbank is haar gegeven door het feit dat getuige Ooms het op een bevel tot medebrenging door de openbare macht heeft laten aankomen om aan zijn wettelijke verschijningsplicht te voldoen.

De (partij)getuige [gedaagde sub 1] heeft niet kunnen bijdragen aan de bewijslevering, behalve dat zijzelf EUR 250,00 in contanten heeft betaald aan eiseres, iets wat door eiseres is erkend (verklaring getuige Paalman). Ook over de betaling van haar toenmalige echtgenoot Scholten verklaart zij eveneens de auditu. Voor het overige is ook haar verklaring ongeloofwaardig. Zo acht de rechtbank het weinig aannemelijk dat zij geen boodschap op haar voicemail van de raadsman van Het Bonte Paard heeft gehoord terwijl het daarnaast bevreemding wekt dat deze getuige zich niets herinnert van een aanmaningsbrief van de raadsman van eiseres van 13 januari 2004.

Wat voor de rechtbank het beeld van onwaarachtigheid aan de zijde van gedaagden completeert is het gegeven dat de gedaagde Scholten, die toch als "kroongetuige" zou mogen worden beschouwd, zich noch ter comparitie, noch bij gelegenheid van de getuigenverhoren heeft laten zien en zich evenmin als getuige heeft laten horen.

4 De vordering is toewijsbaar op een bedrag van EUR 250,00 na waarvan uit de dagvaarding niet blijkt dat eiseres het in mindering heeft gebracht op haar vordering hoewel zij heeft toegegeven het te hebben ontvangen.

Eiseres heeft gesteld incassokosten te hebben moeten maken à EUR 955,48 die volgens BW art.6:96 lid 2 onder b en c voor rekening van gedaagden komen. Gedaagden hebben daarvan terecht gesteld dat die kosten onvoldoende zijn aangetoond en dat zij geacht moeten worden te vallen onder de proceskosten.

Nu de enige gedaagde die werkelijk opheldering zou kunnen verschaffen over de gang van zaken zich wel door een procureur heeft laten vertegenwoordigen doch kennelijk zelf buiten schot heeft willen blijven door niet ter comparitie te verschijnen en evenmin te getuigen zal de rechtbank de proceskosten waarin gedaagden behoren te worden veroordeeld majoreren door eiseres één tariefpunt per bijgewoonde enquête toe te kennen in plaats van een half punt.

BESLISSING

De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan eiseres van een bedrag van EUR 6.058,29 te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 5.102,81 vanaf 13 januari 2004 tot de dag der algehele voldoening.

Gedaagden worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van eiseres gevallen, bepaald op EUR 2.662,40.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. A. Ariëns, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 1 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.