Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AV4128

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
99858 / HA ZA 04-1047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Bijzondere overweging over de kosten van kinderopvang; zie r.o. 3.17 over de “maatschappelijke realiteit”.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Meervoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 99858 / HA ZA 04-1047

Uitspraak: 7 december 2005

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats] (gemeente [gemeente]),

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. Chr. D. de Vos te Emmen,

en

de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE,

voorheen onderlinge waarborgmaatschappij B.A. ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ UNIVÉ SCHADE B.A.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. E. Bos-van den Berg.

PROCESGANG

De zaak is bij op 20 juli 2004 betekende dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van antwoord van de zijde van Univé;

- een conclusie van repliek tevens akte wijziging van eis van de zijde van [eiseres];

- een akte indiening producties van de zijde van [eiseres];

- een conclusie van dupliek van de zijde van Univé;

- een akte tevens inhoudende akte overlegging producties van de zijde van [eiseres];

- een antwoordakte van de zijde van Univé.

Tenslotte is op verzoek van partijen vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiseres] strekt er, na wijziging van eis, toe om uitvoerbaar bij voorraad:

I. Univé te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Boer te betalen de navolgende schadeposten:

- verlies verdienvermogen (inclusief huishoudelijke hulp) EUR 147.284,00

- smartengeld EUR 15.000,00

- reiskosten EUR 119,00

- aanschaf laminaatvloer EUR 907,56

- kosten medische expertise nihil

- kosten (rechts)bijstand en kosten ter vaststelling van de schade EUR 1.911,13

Totaal EUR 165.22,48

II. te vermeerderen met:

- de wettelijke rente over de schadeposten verlies van verdienvermogen en huishoudelijke hulp vanaf de kapitalisatiedatum (1 januari 2003) tot aan de dag der algehele voldoening;

- de wettelijke rente over het smartengeld vanaf datum ongeval (16 mei 1997) tot aan de dag der algehele voldoening;

- de wettelijke rente over de schadeposten reiskosten en aanschaf laminaatvloer vanaf de kapitalisatiedatum (1 januari 2003) tot aan de dag der algehele voldoening;

- de wettelijke rente over de schadepost kosten rechtskundige bijstand en kosten ter vaststelling van de schade vanaf de datum waarop die kosten zijn gemaakt tot aan de dag der algehele voldoening,

op welke totale schadevergoeding in mindering kan strekken de reeds door Univé betaalde voorschotten tot ten hoogste een bedrag van EUR 15.000,00;

III. Univé te veroordelen om aan [eiseres] te betalen alle eventueel verschuldigde heffingen, inkomstenbelasting en (premies) volksverzekering over het totale verlies van verdienvermogen;

IV. Deze veroordelingen uit te spreken onder een voorbehoud van het blijven voortbestaan van een volledige WAO-uitkering, alsmede het voorbehoud dat geen stelselwijziging in de WAO zal optreden;

V. Univé te veroordelen in de kosten van de procedure.

Daartegen is door Univé verweer gevoerd met conclusie de nog door Univé te betalen aanvullende schadevergoeding te stellen op EUR 3.415,00 en [eiseres] voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze af te wijzen, en [eiseres] (uitvoerbaar bij voorraad) in de proceskosten te veroordelen, met bepaling dat [eiseres] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 10 dagen volgend op de datum van het te wijzen vonnis.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) weersproken, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onweersproken gebleven bescheiden, het volgende vast.

1.2 Op 16 mei 1997 is [eiseres], die toen 21 jaar oud was, een verkeersongeval overkomen, doordat de auto die zij bestuurde van achteren werd aangereden door een verzekerde van Univé.

1.3 Univé heeft de aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) dit ongeval erkend.

1.4 [eiseres] heeft zich vanwege de klachten die zij na het ongeval ondervond onder behandeling gesteld van haar huisarts. Zij is gezien door een neuroloog en (enkele malen) door een revalidatie-arts. Daarnaast is zij periodiek behandeld door een fysiotherapeut.

1.5 Ten tijde van het ongeval was de Boer -op basis van een tijdelijk contract- werkzaam als productiemedewerkster. Na het ongeval heeft zij zich ziek gemeld. Aan haar werd toen geen WAO uitkering toegekend. Volgens GAK Nederland kon [eiseres] op grond van de gestelde belastbaarheid haar eigen werk als productiemedewerkster niet verrichten, maar was zij wel in staat om andere passende, algemeen gangbare arbeid te verrichten.

Op 5 juni 2000 heeft [eiseres], die toen als uitzendkracht in een tuinbouwbedrijf werkte, zich ziek gemeld wegens nek- en armklachten. Met ingang van 4 juni 2001 ontvangt zij een WAO uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. In het rapport van de verzekeringsgeneeskundige van 19 april 2001 schreef deze onder meer:

"De arm- en nekklachten leveren geen andere beperkingen dan reeds gescoord dd. 18-02-99. Het FIS-belastbaarheidsprofiel dd. 18-02-99 is nog steeds van kracht. Verzekerde is nu zwanger waarbij klachten optreden die in directe relatie met de zwangerschap staan. Deze klachten geven aanleiding tot tijdelijke toename van de beperkingen op energetisch en locumotoir functieveld. Verzekerde heeft veel meer rust nodig en loopduur, klimmen en klauteren alsook de sta-duur is verminderd. Verzekerde is nu derhalve niet in staat om werk te verrichten zonder dat mogelijk nadelige gevolgen voor de zwangerschap bestaan".

Blijkens een brief van het UWV d.d. 1 maart 2004 wordt de WAO uitkering ongewijzigd voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.

Blijkens een brief van het UWV van 26 april 2005 is de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] per 26 juni 2005 afgenomen tot minder dan 15%. Om die reden wordt haar WAO-uitkering met ingang van 26 juni 2005 ingetrokken. [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.

1.6 In augustus 2001 is [eiseres] bevallen van een kind, in juli 2003 van een tweede kind.

1.7 [eiseres] is op 26 april 2002 onderzocht door neuroloog Padt. Padt heeft, op verzoek van de belangenbehartiger van [eiseres], een expertiserapport d.d. 23 mei 2002 uitgebracht. In een brief van 25 maart 2003 aan de belangenbehartiger van [eiseres] liet Univé weten:

"Bij nader inzien conformeren wij ons aan de rapportage van neuroloog Padt".

1.8 Univé heeft aan de Boer in totaal EUR 24.704,68 aan voorschotten betaald, waarvan

EUR 9.704,68 betrekking had op buitengerechtelijke kosten en (medische) expertisekosten.

2 Standpunten van partijen

2.1 [eiseres] stelt dat zij vanwege de door het ongeval veroorzaakte beperkingen niet meer in staat is om loonvormende arbeid te verrichten. Daardoor lijdt zij schade. Bovendien is zij niet in staat om diverse huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Zij maakt om die reden aanspraak op kosten van huishoudelijke hulp. Daarnaast vordert zij vergoeding van andere door haar gemaakte kosten en maakt zij aanspraak op smartengeld.

2.2 Univé betwist de omvang van de door [eiseres] gevorderde schade. Zij heeft kritiek op de diverse opgevoerde schadeposten. Volgens haar is [eiseres] nog wel in staat tot het verrichten van loonvormende arbeid. Ook betwist zij de door [eiseres] geclaimde omvang van de noodzakelijke huishoudelijke hulp. De schadeberekening waarop [eiseres] haar vordering baseert, is volgens Univé op onjuiste uitgangspunten gebaseerd en onbruikbaar. Er wordt uitgegaan van een te hoog inkomen zonder ongeval, terwijl ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de bespaarde kosten van kinderopvang. Univé wijst er ook op dat van [eiseres] een redelijke inspanning verwacht mag worden om haar schade te beperken.

3 Beoordeling van het geschil

klachten en beperkingen

3.1 [eiseres] stelt dat zij als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen, dat bestaat uit nek- en hoofdpijnklachten, klachten van de linkerarm, cognitieve klachten en vermoeidheidsverschijnselen. Zij beroept zich daartoe op het rapport van de expertiserend neuroloog Padt.

Univé heeft gesteld slechts de door Padt als zodanig vastgestelde klachten als ongevalsgevolg te erkennen. Om die reden erkent zij de hoofdpijnklachten niet als ongevalsgevolg. Ook plaatst zij kritische kanttekening bij de vaststelling van Padt dat de klachten in de linkerarm als een ongevalsgevolg zijn te beschouwen.

3.2 De rechtbank stelt vast dat beide partijen veel betekenis toekennen aan het in de buitengerechtelijke fase opgestelde rapport van Padt. Univé heeft zich, blijkens de in rechtsoverweging 1.7 aangehaalde brief, aan dit rapport geconformeerd. [eiseres] heeft het rapport, zonder het te bekritiseren, in het geding gebracht ter onderbouwing van haar stellingen omtrent haar klachten.

De rechtbank zal het rapport van Padt, dat uitvoerig, goed onderbouwd en consistent is, dan ook tot uitgangspunt nemen bij het antwoord op de partijen verdeeld houdende vraag naar de ongevalsgevolgen. Zij overweegt in dit kader dat de rechter weliswaar vrij is in de (bewijs)waardering van een rapport van een partijdeskundige -aan een dergelijk rapport komt in het algemeen minder betekenis toe dan aan het rapport van een door de rechtbank benoemde deskundige- maar dat wanneer, zoals hier, beide partijen in de procedure het rapport tot uitgangspunt nemen, het rapport deugdelijk en goed onderbouwd is en de partij die het rapport niet heeft doen opmaken zich in de buitengerechtelijke fase aan het rapport heeft geconformeerd, de rechter het rapport niet gemakkelijk zal passeren. Van de partij die zich niet met de conclusies van een dergelijk rapport kan verenigen, mag verwacht worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, in beginsel door een ander rapport in het geding te brengen waarin de conclusies van de partijdeskundige deugdelijk worden weerlegd.

3.3 De discussie tussen partijen over de ongevalsgevolgen spitst zich toe op twee klachten, de hoofdpijnklachten en de klachten aan de linkerarm. Betreffende de hoofdpijnklachten heeft neuroloog Padt opgemerkt dat deze klachten niet als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt. [eiseres] heeft deze bevinding van Padt niet uitdrukkelijk ter discussie gesteld. Desalniettemin heeft zij gesteld dat de hoofdpijnklachten als ongevalsgevolg moeten worden geduid. De rechtbank zal deze stelling verwerpen, nu ze

-gezien het rapport van Padt- onvoldoende onderbouwd is.

3.4 Univé heeft in de conclusie van antwoord opgemerkt dat zij de door Padt als zodanig vastgestelde klachten als ongevalsgevolg kan erkennen. Deze opmerking ligt in de lijn van de in rechtsoverweging 1.7 aangehaalde brief. Desalniettemin heeft Univé vervolgens zowel in de conclusie van antwoord als in de conclusie van dupliek de vaststelling van Padt dat ook de armklachten als ongevalsgevolg moeten worden aangemerkt, bekritiseerd. Onduidelijk is of de in dat kader door Univé gemaakte opmerkingen slechts als kritische kanttekeningen (waaraan zij verder geen gevolgen wenst te verbinden) moeten worden beschouwd, dan wel als een betwisting van de stelling van [eiseres] dat ook de klachten aan de linkerarm als ongevalsgevolg zijn te beschouwen. Wat daar ook van zij, nu Univé haar opmerkingen over deze klachten niet heeft onderbouwd met een rapport van een deskundige, heeft zij haar stellingen in dezen onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kent daarbij ook betekenis toe aan het feit dat Univé zich buiten rechte zonder voorbehoud aan het rapport heeft geconformeerd.

3.5 De slotsom is dat de volgende klachten en beperkingen als ongevalsgevolg zijn te beschouwen:

- nekpijn, als omschreven op pagina 6 van het rapport van Padt;

- pijn in de linkerarm, als omschreven op pagina 6 van het rapport van Padt;

- cognitieve klachten, met name concentratie- en geheugenproblemen, als

omschreven op pagina 7 van het rapport van Padt;

- snelle vermoeidheid, als omschreven op pagina 7 van het rapport van Padt.

verlies verdienvermogen - algemeen

3.6 Bij de bepaling van de schade vanwege verlies verdienvermogen is [eiseres] uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

- een inkomen na ongeval tot en met 2002 gelijk aan het daadwerkelijk door haar genoten inkomen uit loon en (ZW en WAO) uitkeringen in de desbetreffende jaren;

- een inkomen na ongeval vanaf 1 januari 2003 van EUR 11.509,00 bruto per jaar uit een WAO uitkering op basis van 80-100 % arbeidsongeschiktheid;

- een inkomen zonder ongeval tot en met 2002 op basis van een full-time dienstverband bij Fresenius (voorheen NPBI);

- een inkomen na ongeval van 2003 tot en met 2007 op basis van een deeltijdfunctie van 50%, van 2008 tot en met 2029 van 80% en van 2030 tot en met 2040 van 50%, in alle gevallen bij Fresenius;

- geen aftrek in de situatie zonder ongeval wegens kosten van kinderopvang.

3.7 Univé heeft deze uitgangspunten gemotiveerd betwist. De rechtbank zal deze uitgangspunten, en de kritiek van Univé, hierna bespreken. Zij stelt daarbij voorop dat de vraag of een gelaedeerde als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van (toekomstige) inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo'n vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Bij die verwachting omtrent de toekomst zijn het heden en het verleden van groot belang, terwijl tevens ervaringsregels een rol van betekenis spelen. Verder geldt dat aan een benadeelde die blijvend letselschade heeft opgelopen geen hoge eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot het bewijs van de arbeidsinkomsten die hij in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben genoten; het is immers de veroorzaker van het ongeval die aan de gelaedeerde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn geschied.

verlies verdienvermogen - inkomen na ongeval

3.8 Univé heeft betwist dat [eiseres] niet meer in staat is om te werken. Volgens Univé moet part-time werk in ieder geval mogelijk zijn. Deze stelling van Univé vindt steun in de volgende gegevens:

- [eiseres] heeft aanvankelijk na het ongeval nog doorgewerkt, tot zij zich in juni 1998 ziek meldde;

- naar aanleiding van deze ziekmelding werd haar geen WAO-uitkering toegekend, omdat zij geschikt werd geacht voor ander werk dan haar eigen werk als productiemedewerkster;

- vanaf 1 juni 1999 tot 5 juni 2000 heeft [eiseres] via een uitzendbureau voor haar vroegere werkgever (NPBI / Fresenius) gewerkt. Op laatstgenoemde datum is zij wegens ziekte uitgevallen;

- aan [eiseres] is met ingang van 4 juni 2001 een volledige WAO-uitkering toegekend. Blijkens het in rechtsoverweging 1.5 aangehaalde rapport van de verzekeringsgeneeskundige dat aan de toekenningsbeslissing ten grondslag ligt, hield deze beslissing duidelijk verband met het feit dat [eiseres] zwanger was;

- sedert 26 juni 2005 heeft de Boer geen aanspraak meer op een WAO-uitkering, omdat zij geacht wordt voor minder dan 15% arbeidsongeschikt te zijn.

Univé heeft de betwisting van de stelling van [eiseres], dat zij volledig arbeidsongeschikt is, met de hiervoor aangehaalde gegevens voldoende onderbouwd. In dit kader is van belang dat neuroloog Padt weliswaar aangeeft dat [eiseres] beperkt is met betrekking tot het uitvoeren van zwaar werk, zeker wanneer dat niet strikt gedoseerd is en gepaard gaat met drukte en stress, en dat rekening gehouden moet worden met de nekklachten en met de beperkingen in de arm- en handfunctie, maar dat hij niet concludeert dat [eiseres] niet tot werken in staat is. De rechtbank kan er dan ook niet zonder meer vanuit gaan dat [eiseres], zoals zij stelt, volledig arbeidsongeschikt is.

3.9 Om te kunnen bepalen of [eiseres] (volledig) arbeidsongeschikt is, dient een onderzoek door een arbeidsdeskundige te worden verricht. De deskundige dient allereerst na te gaan of [eiseres], gelet op de door Padt vastgestelde beperkingen en rekening houdend met haar opleiding, belangstelling en werkervaring, passend werk zou kunnen verrichten. Indien dat het geval is dient hij na te gaan wat de kans is op het (op termijn) vinden van dat werk en welk inkomen zij daarmee zou kunnen verwerven. Ook dient hij na te gaan of [eiseres] haar kansen op de arbeidsmarkt kan vergroten door het volgen van een opleiding of cursus, en zo ja welke. Indien de arbeidsdeskundige mogelijkheden ziet, dient wellicht een reïntegratietraject te worden ingezet.

3.10 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de persoon van de arbeidsdeskundige en de aan de arbeidsdeskundige te stellen vragen.

3.11 [eiseres] heeft tot op heden ook na het ongeval steeds inkomen verworven, of uit werk of uit uitkering. Naar verwachting zal zij ook na juni 2005 nog inkomsten uit uitkering genieten. Wanneer haar bezwaar tegen de WAO beslissing ongegrond wordt verklaard, heeft zij vooralsnog aanspraak op een WW uitkering.

Voor de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen zal de rechtbank in ieder geval tot juni 2005 uitgaan van de daadwerkelijk door [eiseres] genoten inkomsten. Indien Univé met de door haar gemaakte opmerkingen over het doorlopen reïntegratietraject al heeft willen betogen, dat [eiseres] haar schadebeperkingsplicht zou hebben geschonden, heeft zij dit betoog onvoldoende onderbouwd, alleen al doordat zij niet heeft gesteld welk inkomen [eiseres] wel zou hebben gehad wanneer zij aan haar schadebeperkingsplicht zou hebben voldaan. Een en ander laat uiteraard onverlet dat op de Boer een schadebeperkingsplicht rust, die met zich brengt dat zij in het redelijke verplicht is om de schade te beperken op straffe van verlies van (een deel van) haar aanspraken en dat zij in dat kader in beginsel ook dient mee te werken aan reïntegratiepogingen, al dan niet in het kader van de sociale verzekeringswetgeving. Dat [eiseres] tot op heden op dit punt tekort zou zijn geschoten, is echter onvoldoende gebleken.

Verlies verdienvermogen - inkomen zonder ongeval

3.12 Partijen verschillen van mening over de vraag in welke mate [eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval gedurende enige tijd part-time zou zijn gaan werken vanwege de geboorte van haar twee kinderen. [eiseres] is er in haar schadeberekening vanuit gegaan dat zij van 2003 tot 2008 50% zou zijn gaan werken en vervolgens weer 80% tot 2030, het jaar waarin zij 55 wordt. Volgens Univé dient te worden uitgegaan van een dienstverband van 40% van 2002 tot medio 2009, wanneer het jongste kind 6 jaar wordt. Totdat het jongste kind 12 jaar is, derhalve tot medio 2015, kan worden uitgegaan van een dienstverband van 60% en vervolgens van 80%.

3.13 Uit het bovenstaande volgt dat partijen het erover eens zijn dat het redelijk is om in de situatie zonder ongeval uit te gaan van deeltijdwerk. Partijen verschillen alleen over de mate waarin dat dient te gebeuren. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] weliswaar omstandig heeft betoogd dat Univé haar uitgangspunten niet heeft bewezen, maar dat zij haar eigen uitgangspunten over het deeltijdwerk niet heeft onderbouwd. [eiseres] miskent dat de stelplicht en de (overigens niet al te zware) bewijslast betreffende de hypothetische situatie zonder ongeval niet op Univé, maar op haar rusten.

Wanneer in aanmerking wordt genomen dat [eiseres] gezien haar arbeidsverleden (ondanks het behalen van een MEAO diploma) gericht was op productiewerk, dat dit werk lichamelijk belastend is en dat het bij dit soort werk minder dan elders gebruikelijk is dat vrouwen na de geboorte van hun kind weer betrekkelijk snel (nagenoeg) fulltime aan de slag gaan, is het redelijk om uit te gaan van de verwachting dat [eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval vanaf de geboorte van haar eerste kind tot 4 jaar na de geboorte van haar jongste kind 2 dagen in de week (derhalve 40%) gewerkt zou hebben en nadien tot aan het bereiken van de 12 jarige leeftijd door het jongste kind 3 dagen (derhalve 60%) in de week. Bij de begroting van de schade zal de rechtbank dit uitgangspunt toepassen.

3.14 Partijen verschillen ook van mening over de vraag van welk inkomen in de hypothetische situatie zonder ongeval dient te worden uitgegaan. Volgens [eiseres] dient te worden aangesloten bij het inkomen dat zij zou hebben genoten wanneer zij bij NPBI / Fresenius in dienst zou zijn gebleven. Univé betwist dat.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar stelling dat zij zonder ongeval bij (toen nog) NPBI in dienst zou zijn gebleven. Gebleken is dat [eiseres] met ingang van 3 juni 1996 bij NPBI in dienst is gekomen op basis van een contract voor bepaalde tijd tot 31 december 1996. Uit een brief van 17 december 1996 van NPBI aan [eiseres] volgt dat het contract voor bepaalde tijd is verlengd tot en met 31 mei 1997. Op het moment van het ongeval -16 mei 1997- was de overeengekomen tijd bijna verstreken. [eiseres] heeft niets gesteld waaruit volgt dat aannemelijk is dat het contract zonder het ongeval opnieuw zou zijn verlengd of zou zijn gevolgd door een contract voor onbepaalde tijd. Dat NPBI haar dienaangaande een toezegging zou hebben gedaan, of zelfs maar dat zij daarover (2 weken voor het einde van de bepaalde tijd) met NPBI in gesprek was, heeft zij niet gesteld.

In dit kader is van belang dat het verband dat [eiseres] legt tussen het niet verlengen van het contract en het ongeval (en de daaruit voortvloeiende klachten) niet onderbouwd wordt door [eiseres]. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij zich meteen na het ongeval ziek heeft gemeld. Uit de door haar bij dagvaarding overgelegde loonstrook over mei 1997 volgt dat zij zich die maand niet ziek heeft gemeld. Dat NPBI het contract vanwege het ongeval niet heeft verlengd, ligt dan ook niet voor de hand.

3.15 De slotsom is dat bij het inkomen zonder ongeval niet kan worden uitgegaan van het inkomen dat [eiseres] bij NPBI zou hebben kunnen verdienen. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook niet zonder meer, gelet op de betwisting door [eiseres], worden uitgegaan van het door Univé in haar schadeberekening in aanmerking genomen salaris. Univé heeft aansluiting gezocht bij de "loonwijzer". De gegevens kunnen een indicatie bieden, maar ook niet meer dan dat. Het komt de rechtbank zinvol voor dat de deskundige zich ook uitlaat over de inkomsten die [eiseres] op basis van haar leeftijd, opleiding, belangstelling, werkervaring en gelet op de arbeidsmarktsituatie zonder ongeval gehad zou hebben.

3.16 De vraag die resteert is van welke eindleeftijd dient te worden uitgegaan, 65 jaar zoals [eiseres] stelt, of 60 jaar zoals Univé meent. De rechtbank zal deze vraag nog niet beslissen, omdat ze nog niet beschikt over alle relevante informatie. Een deel van die informatie kan in het onderzoek van de arbeidsdeskundige naar voren komen. Het betreft informatie over de gebruikelijke eindleeftijd van vrouwen in het werk dat [eiseres] (naar het oordeel van de deskundige) in de hypothetische situatie na ongeval zou hebben verricht en de (financiële) mogelijkheden van vervroegd uittreden in dat werk. Verder is mogelijk van belang of in de branche waarin de partner van [eiseres] werkzaam is vervroegd uittreden vaak voorkomt.

Overigens kan de rechtbank niet geheel voorbij aan de, door [eiseres] onderstreepte en uitvoerig onderbouwde, maatschappelijke tendens die er op neerkomt dat werknemers langer (moeten) doorwerken. Bij haar eindoordeel zal de rechtbank die tendens dan ook mede in aanmerking nemen.

3.17 Univé heeft er op gewezen dat in de hypothetische situatie zonder ongeval rekening dient te worden gehouden met de kosten van kinderopvang. De rechtbank stelt voorop dat het in een situatie als deze, waarin het inkomen zonder ongeval van een moeder met een partner die full-time werkt dient te worden begroot, in zijn algemeenheid niet onredelijk is om op dat inkomen de kosten van kinderopvang in mindering te brengen. Dat is anders wanneer aannemelijk is dat in de hypothetische situatie zonder ongeval dergelijke kosten niet gemaakt zouden zijn. Het is aan het slachtoffer (op wie ook op dit punt stelplicht en bewijslast rusten) om aan te geven waarom in haar geval van deze regel zou dienen te worden afgeweken.

[eiseres] heeft, onbetwist, gesteld dat zowel haar moeder als schoonmoeder in haar woonplaats wonen en dat beiden bereid en in staat zouden zijn om op de kinderen te passen wanneer zij zou werken. Deze stelling komt de rechtbank aannemelijk voor, mede gezien de maatschappelijke realiteit dat het geregeld voorkomt dat in de buurt wonende grootouders, met meer of minder genoegen, de opvang van kleinkinderen verzorgen zonder daarvoor een andere dan immateriële vergoeding (in de vorm van de nabijheid van hun kleinkinderen) te bedingen. Daarbij komt dat in de situatie zonder ongeval niet wordt uitgegaan van full-time, maar van part-time werk, en dat de "last" van de opvang van de kinderen niet door één oma behoeft te worden gedragen.

3.18 Het feit dat [eiseres] voor de in de situatie na ongeval door haar moeder verrichte huishoudelijke hulp aanspraak maakt op een vergoeding, leidt, anders dan Univé betoogt, niet tot een ander oordeel. Allereerst is de schade betreffende de huishoudelijke hulp abstract berekend. [eiseres] heeft immers niet gesteld dat zij haar moeder daadwerkelijk betaalt voor de hulp. Bovendien miskent Univé het verschil (ook in genoegdoening) tussen oppaswerkzaamheden betreffende eigen kleinkinderen en schoonmaakwerkzaamheden.

3.19 De rechtbank wijst er, wellicht ten overvloede, op dat wanneer zou worden vastgesteld dat [eiseres] nog steeds in staat is tot het verrichten van loonvormende activiteiten bij de bepaling van het inkomen na ongeval ook geen rekening zal worden gehouden met oppaskosten.

huishoudelijke hulp

3.20 [eiseres] maakt aanspraak op kosten van huishoudelijke hulp van EUR 1.500,00 per jaar vanaf 1 januari 2003 tot en met medio 2040. Zij gaat daarbij uit van 4 uur huishoudelijke hulp per week gedurende 50 weken per jaar à EUR 7,50 per uur. Univé heeft de omvang van deze schadepost gemotiveerd bestreden. Volgens haar dient te worden uitgegaan van een behoefte van 3 uur per 2 weken gedurende 48 weken per jaar tot medio 2035. Met een uurtarief van EUR 7,50 kan Univé instemmen.

3.21 De rechtbank stelt voorop dat, anders dan [eiseres] betoogt, de stelplicht en bewijslast betreffende de noodzaak, de omvang en de kosten van huishoudelijke hulp op haar rusten. De uitvoerige bespiegelingen van [eiseres] over het causale verband en de ruime toerekening bij letselschade doen daar niet aan af. Dat bij letselschade sprake is van een ruime toerekening betekent niet dat een slachtoffer de omvang van zijn of haar schadeclaim niet deugdelijk dient te onderbouwen. De rechtbank zal nagaan of [eiseres] aan de in dat kader op haar rustende stelplicht heeft voldaan.

3.22 [eiseres] heeft, ondanks het gemotiveerde verweer van Univé, geen toelichting gegeven op de door haar gestelde urenomvang. Zij heeft niet aangegeven welke activiteiten zij niet meer kan verrichten en hoeveel tijd daarmee is gemoeid. Een RIO-indicatie, waarin de huishoudelijke hulp behoefte (tot op zekere hoogte) is geobjectiveerd, heeft zij niet overgelegd. Zij heeft volstaan met een verwijzing naar het rapport van neuroloog Padt. Uit dat rapport volgt inderdaad dat [eiseres] beperkt is voor het zwaardere huishoudelijke werk. Wat de daaruit voortvloeiende hulpbehoefte van [eiseres] is, blijkt echter niet uit het rapport.

[eiseres] heeft ook de stelling van Univé dat rekening dient te worden gehouden met door haar partner over te nemen huishoudelijke werkzaamheden niet gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft slechts aangegeven dat haar partner al zorgtaken heeft overgenomen. Welke taken het betreft en welke werkzaamheden, die [eiseres] zelf niet kan verrichten, dan nog resteren, heeft zij niet gesteld.

Evenmin heeft [eiseres] de stelling van Univé dat ook in de situatie zonder ongeval huishoudelijke hulp door derden zou zijn verricht gemotiveerd weersproken, terwijl zij voorts niet duidelijk heeft kunnen maken waarom uitgegaan dient te worden van 50 weken per jaar en niet, zoals gebruikelijk is, van 48 weken.

3.23 De conclusie is dan ook dat [eiseres] haar vordering betreffende de huishoudelijke hulp onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering is slechts toewijsbaar tot het door Univé erkende bedrag. Dat is alleen anders voor de eindleeftijd. Univé hanteert een eindleeftijd van 60 jaar voor de huishoudelijke hulp. Zij heeft deze leeftijd gekoppeld aan de eindleeftijd voor het verlies verdienvermogen. De rechtbank volgt Univé daarin niet. De factoren die van belang zijn voor de bepaling van de eindleeftijd voor het verlies verdienvermogen zijn niet dezelfde als de factoren die relevant zijn voor de eindleeftijd bij huishoudelijke hulp. In het eerste geval zijn de in rechtsoverweging 3.16 genoemde factoren van belang. In het tweede geval is doorslaggevend tot welke leeftijd de betrokkene op grond van haar beperkingen nog steeds aangewezen is op huishoudelijke hulp en vanaf welke leeftijd de behoefte aan huishoudelijke hulp ook zou zijn ontstaan, vanwege de aan (het klimmen van) de leeftijd inherente beperkingen.

3.24 [eiseres] gaat uit van een eindleeftijd van 65 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is deze eindleeftijd niet te hoog. Het is aannemelijk dat [eiseres] zonder ongeval (minstens) tot aan het bereiken van de 65 jarige leeftijd geen huishoudelijke hulp nodig zou hebben gehad.

De slotsom is dat kan worden uitgegaan van een schade aan huishoudelijke hulp van

EUR 7,50 x 3 = EUR 22,50 x 24 (48 : 2) = EUR 540,00 per jaar vanaf 1 januari 2003 tot aan het bereiken van de 65 jarige leeftijd door [eiseres].

smartengeld

3.25 [eiseres] vordert een bedrag van EUR 15.000,00 aan smartengeld. Univé meent dat een bedrag van EUR 7.500,00 volstaat.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] forse gezondheidsklachten als gevolg van het ongeval heeft opgelopen. Zij heeft geregeld pijn, is beperkt voor zwaar werk en heeft diverse cognitieve stoornissen. Dat deze klachten nadelige gevolgen hebben voor het dagelijkse functioneren van [eiseres], zoals zij stelt, is alleszins aannemelijk. In dit kader is van belang dat [eiseres], gedeeltelijk, aangewezen is op de hulp van anderen. Bovendien heeft zij (in ieder geval gedurende geruime tijd) geen betaald werk kunnen verrichten. Tenslotte acht de rechtbank aannemelijk dat [eiseres], zoals zij stelt, als gevolg van de (cognitieve) klachten beperkt is in haar sociale leven.

Rekening houdend met de genoemde klachten en de gevolgen daarvan, de leeftijd van [eiseres] en smartengeldbedragen die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend, acht de rechtbank een smartengeld van EUR 10.000,00 op zijn plaats. Over het smartengeld is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van het ongeval.

reiskosten

3.26 Partijen zijn het eens over deze schadepost. Het gevorderde bedrag van EUR 119,79 is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt.

laminaatvloer

3.27 [eiseres] heeft gesteld dat zij een laminaatvloer heeft moeten laten aanleggen omdat deze vloer gemakkelijker is in het onderhoud. De beperkingen die [eiseres] ondervond met het schoonhouden (stofzuigen) van de vloerbedekking worden er door ondervangen.

Univé heeft niet betwist dat een laminaatvloer gemakkelijker is in het onderhoud dan vloerbedekking. Dat [eiseres] de vloer om die reden heeft aangeschaft, acht de rechtbank dan ook aannemelijk, zodat -anders dan Univé betwist- het causale verband tussen de noodzaak van het aanschaffen van de vloer en het ongeval voldoende vaststaat.

3.28 Univé heeft voorts gesteld dat ook vloerbedekking periodiek vervangen dient te worden. Zij lijkt daarmee een aftrek vanwege nieuw voor oud te bepleiten. De rechtbank volgt die stelling van Univé. [eiseres] zal in de loop van de procedure nog dienen aan te geven hoe oud de vervangen vloerbedekking was en wat (op termijn) de kosten zouden zijn geweest van de vervanging van de vloerbedekking door andere vloerbedekking. Bovendien zal zij bewijsstukken betreffende de aanschaf van de laminaatvloer in het geding dienen te brengen, nu door Univé wordt betwist dat de vloer voor het gevorderde bedrag is gelegd.

3.29 De stelling van Univé dat [eiseres] door het leggen van de vloer zich de kosten van extra huishoudelijke hulp uitspaart, leidt er niet toe dat de vordering betreffende de vloer niet toewijsbaar is. Univé lijkt te miskennen dat deze uitgespaarde kosten van huishoudelijke hulp anders voor haar rekening zouden zijn gekomen.

kosten medische expertise

3.30 [eiseres] heeft haar vordering betreffende deze kosten ingetrokken, omdat Univé de desbetreffende kosten al had vergoed.

buitengerechtelijke kosten

3.31 [eiseres] vordert terzake van buitengerechtelijke kosten nog een bedrag van EUR 1.911,13. Volgens [eiseres] betreft het door Bureau Pals gemaakte kosten voordat de zaak werd overgedragen aan de advocaat die de procedure voor haar voert. Het betreft dan ook geen kosten ter instructie van de zaak. Univé heeft dat betwist. Volgens Univé zijn ook de feitengaring en juridische analyse van de zaak te beschouwen als werkzaamheden ter instructie van de zaak. Bovendien wijst Univé er (bij dupliek) op dat diverse personen tijd hebben besteed aan het dossier.

3.32 [eiseres] heeft een urenspecificatie overgelegd betreffende het door haar gevorderde bedrag. Uit deze urenspecificatie volgt dat tot 25 februari 2004 de zaak uitsluitend behandeld is door Bureau Pals. Vanaf 25 februari 2004 is sprake van (telefonisch en schriftelijk) contact tussen Bureau Pals en het advocatenkantoor dat de procedure heeft voorbereid. Gesteld noch gebleken is dat de advocaat van [eiseres] andere activiteiten heeft ontplooid dan activiteiten die verband houden met het voeren van een procedure tegen Univé. De contacten tussen Bureau Pals en deze advocaat vallen dan ook onder de werkzaamheden ter instructie van de zaak. Met deze werkzaamheden is blijkens de specificatie een bedrag van EUR 539,15 gemoeid.

Voor de werkzaamheden die door Bureau Pals voorafgaand aan 25 februari 2004 zijn verricht, ligt dat anders. Uit de urenspecificatie volgt dat in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 25 februari 2004 geregeld telefonisch en schriftelijk contact heeft plaatsgevonden tussen Bureau Pals en de schaderegelaar van Univé. Op 8 december 2003 en 25 februari 2004 hebben er nog gesprekken met de schaderegelaar plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat deze contacten met Univé gericht waren op en dienden ter voorbereiding van het aanhangig maken van een procedure. De daarmee gemoeide kosten zijn dan ook niet te beschouwen als kosten vanwege werkzaamheden ter instructie van de zaak.

In de urenspecificatie wordt twee keer tijd in rekening gebracht vanwege de bestudering van het dossier. Het is opmerkelijk dat die tijd besteed is op dagen dat een gesprek met de schaderegelaar van Univé plaatsvond. Het is dan ook aannemelijk dat de belangenbehartiger van [eiseres] het dossier bestudeerd heeft ter voorbereiding op het gesprek met de schaderegelaar. De daarmee gemoeide kosten zijn in redelijkheid gemaakt. Alle betrokkenen bij een schadegelingstraject hebben er belang bij dat gesprekken die plaatsvinden adequaat worden voorbereid.

3.33 De slotsom is dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 1.911,13 - EUR 539,15 =

EUR 1.371,98.

belastinggarantie

3.34 Univé heeft bij dupliek een door haar gebruikte belastinggarantie in het geding gebracht. [eiseres] kan zich met de tekst van deze garantie verenigen. In het dictum kan te zijner tijd dan ook bij deze garantie worden aangesloten.

WAO-garantie

3.35 Partijen verschillen van mening over de vraag of Univé een WAO-garantie dient af te geven. Een WAO-garantie is alleen aan de orde wanneer in de situatie na ongeval wordt uitgegaan van toekomstig inkomen uit een WAO-uitkering. [eiseres] heeft momenteel geen WAO-uitkering, zodat Univé terecht de vraag opwerpt of een WAO-garantie onder die omstandigheden niet zinloos is. [eiseres] dient zich alsnog over deze vraag uit te laten.

3.36 Univé heeft, afgezien van de vraag of een WAO-garantie zinvol is, bezwaren tegen het afgeven van een dergelijke garantie, althans op de door [eiseres] gevorderde wijze. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot afgifte van een WAO-garantie in beginsel toewijsbaar is. Zij sluit zich op dit punt aan bij de (inmiddels) vaste rechtspraak van het Gerechtshof te Arnhem (vergelijk Hof Arnhem 21 december 2004, LJN: AU4722, TVP 2005, blz. 104 e.v.).

De door [eiseres] gevorderde garantie is echter te ruim, doordat geen onderscheid wordt gemaakt tussen het verlies van (een deel van) de WAO-uitkering vanwege een stelselherziening en verlies van (een deel van) de WAO-uitkering vanwege een toegenomen belastbaarheid. Univé is alleen gehouden een garantie te verstrekken voor de eerste situatie.

verdere procedure

3.37 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de benoeming van een arbeidsdeskundige en de aan deze te stellen vragen. [eiseres] kan tevens van de gelegenheid gebruik maken om zich uit te laten over en stukken in het geding te brengen betreffende de laminaatvloer en om in te gaan op de WAO-garantie. In de conclusie na deskundigenbericht kan Univé dan tevens op deze onderwerpen ingaan.

BESLISSING

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 december 2005 voor akte aan de zijde van beide partijen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S. Lebens, H. de Hek en D.T. Boks en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.