Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AV3918

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
108989 / HA ZA 05-648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst; (wederzijdse) dwaling; toerekenbare tekortkoming; ontbinding.

De door eiser van gedaagde, een klokkenrestaurateur, gekochte klok (staand horloge) blijkt veel minder oud dan door verkoper getaxeerd was. Beroep op dwaling. Bewijsopdracht over kenbaarheid voor gedaagde van feit dat eiser een klok uit de eerste periode wilde kopen.

Indien bewijsopdracht niet slaagt, dan zal subsidiaire vordering tot ontbinding dienen te worden behandeld: die ontbindingsvordering vindt haar grondslag in de stelling dat verkoper koper niet had mogen adviseren deze klok te kopen. Daarvoor is vraag of ouderdom van klok de waarde bepaalt, van belang, eventueel deskundigenbericht.

Voorvraag of door partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 108989 / HA ZA 05-648

Uitspraak: 7 december 2005

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser],

wonende te [plaats] (Frankrijk),

eiser,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn,

en

[gedaagde], h.o.d.n. [gedaagde] Uurwerkspecialisten,

wonende en kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. D.D. Senders.

PROCESGANG

In deze zaak heeft de rechtbank op 27 juli 2005 een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft op 19 oktober 2005 plaatsgevonden. Vervolgens hebben partijen nog de volgende stukken gewisseld:

- een conclusie na comparitie van partijen, tevens vermeerdering/wijziging van eis van de zijde van [eiser],

- een conclusie na comparitie van de zijde van [gedaagde].

Tenslotte is op verzoek van partijen vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiser] strekt er (na wijziging van eis) toe, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: te vernietigen de tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper tot stand gekomen koopovereenkomst ten titel van dwaling;

subsidiair: te ontbinden de tussen [eiser] als opdrachtgever/koper en [gedaagde] als opdrachtnemer/verkoper tot stand gekomen overeenkomst van opdracht/koop, ten titel van tekortkoming in de nakoming van de ingevolge deze overeenkomst op [gedaagde] rustende verplichtingen;

primair en subsidiair:

a. te vernietigen de tussen [eiser] als opdrachtgever en [gedaagde] als opdrachtnemer tot stand gekomen taxatieopdracht ten titel van tekortkoming in de nakoming van de ingevolge deze overeenkomst op [gedaagde] rustende verplichtingen;

b. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen:

1. een bedrag van fl. 62.500,00 (EUR 28.361,26), ten titel van (primair) onverschuldigde betaling, dan wel (subsidiair) de ingevolge de ontbinding in het leven te roepen ongedaanmakingsverbintenissen, althans ten titel van schadevergoeding anders dan in geld;

2. Een bedrag van fl. 240,00 (EUR 108,91) ten titel van ontbinding van de overeenkomst van opdracht strekkende tot taxatie en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis;

3. Een bedrag van EUR 780,00 terzake buitengerechtelijke kosten conform het rapport Voor-werk II;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Daartegen is door [gedaagde] verweer gevoerd, met conclusie [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem die te ontzeggen, met veroordeling van [eiser], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onbestreden gebleven bescheiden, het volgende vast.

1.2 [gedaagde] is, net als zijn vader, klokkenrestaurateur. Hij houdt zich bezig met de restauratie en reparatie van oude en nieuwe klokken.

1.3 In 1998 heeft [eiser] [gedaagde] en diens vader verzocht voor hem uit te zien naar een klok (door partijen ook aangeduid als "staand horloge") met speelwerk. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens geattendeerd op een klok bij de firma [A], een antiekhandelaar te [plaats].

1.4 [eiser] en [gedaagde] zijn, samen met enkele anderen, bij [A] naar de klok gaan kijken. [eiser] besloot de klok, die door [gedaagde] gerestaureerd zou worden, van [gedaagde] te kopen. [gedaagde] kocht de klok van [A]. [eiser] heeft [gedaagde] een bedrag van fl. 45.000,00 in contanten betaald. Daarnaast heeft hij een aantal roerende zaken aan [A] geleverd.

1.5 Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde] in maart 1999 een taxatierapport betreffende de klok opgesteld. Het taxatierapport, dat vermeldt dat het is opgesteld door "[gedaagde] Gedipl. meester uurwerkmaker", omschrijft de klok als : "Hollands staand horloge, maker: Klaas v Rossum, Op de Koog (1740)". Het rapport concludeert na een uitvoerige beschrijving van de klok: "Dit buitengewoon fraaie staande horloge met zijn schitterende kast en sublieme uurwerk heeft een reële waarde van f. 120.000,- (eenhonderd en twintig duizend gld.)

1.6 In 2004 vertelde de heer [B], handelaar in antieke klokken, aan [gedaagde] dat de klok een "nepper" zou zijn. De klok dateerde niet uit 1740, de eerste periode, maar uit het begin van de twintigste eeuw, de derde periode. [eiser] deelde dit aan [gedaagde] mee. [gedaagde] heeft de Bouter nadien laten weten dat hij de klok te vroeg gedateerd had.

1.7 Partijen spraken af dat [gedaagde] zou proberen de klok voor een door [eiser] te ontvangen bedrag van EUR 20.000,00 te verkopen. Aan deze afspraak is geen gevolg gegeven.

1.8 In een brief van 19 oktober 2004 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld.

2 Standpunten van partijen

2.1 [eiser] stelt dat de overeenkomst tussen hem en [gedaagde] onder invloed van dwaling is aangegaan en om die reden vernietigbaar is. Voor [eiser] was, stelt hij, essentieel dat de klok afkomstig was uit de eerste periode. Dat was [gedaagde] ook bekend. [gedaagde] heeft onjuiste informatie over de klok verstrekt en heeft zijn spreekplicht geschonden betreffende de datering van de klok. Subsidiair is volgens [eiser] sprake van wederzijdse dwaling, die in de verhouding tussen partijen voor rekening van [gedaagde] moet komen.

Indien van dwaling geen sprake is, meent [eiser] dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen door de Bouter een klok te verkopen die (vanwege het feit dat hij niet uit de eerste periode stamde) veel minder waard was dan het bedrag dat [eiser] er voor heeft moeten betalen. Om die reden meent hij dat de overeenkomst dient te worden ontbonden.

Ook in zijn verplichtingen uit de taxatie-overeenkomst is [gedaagde] tekortgeschoten, stelt [eiser]. [gedaagde] heeft de klok te onrechte gedateerd in 1740, in de eerste periode.

[eiser] betwist dat de in rechtsoverweging 1.7 weergegeven afspraak moet worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst. Ook betwist hij dat de klok beschadigd zou zijn en dat dit een reden zou zijn om een correctie toe te passen op het terug te betalen bedrag.

2.2 [gedaagde] betwist dat de overeenkomst tussen partijen onder invloed van dwaling is aangegaan. Volgens hem was de datering van de klok voor [eiser] niet belangrijk. [eiser] heeft hem dat in elk geval niet kenbaar gemaakt. [gedaagde] wist noch behoefde bovendien te weten dat de klok niet uit de eerste periode afkomstig was. Hij heeft [eiser] daarover ook geen onjuiste informatie verstrekt.

[gedaagde] wijst er verder op dat de overeenkomst het karakter van een kunstkoop heeft. Dat heeft gevolgen voor de aan het beroep op dwaling te stellen eisen. Bij een kunstkoop gelden strengere eisen, waaraan [eiser] volgens [gedaagde] niet voldoet.

[gedaagde] meent subsidiair dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. Die overeenkomst staat er nu aan in de weg dat [eiser] zich op dwaling beroept.

Meer subsidiair stelt [gedaagde] dat de klok beschadigd is door het gebruik dat [eiser] van de klok heeft gemaakt. Om die reden dient een correctie te worden toegepast op het door [eiser] teruggevorderde bedrag, meent hij.

[gedaagde] meent tenslotte dat hij niet is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de taxatie-overeenkomst. De verplichting uit die overeenkomst heeft het karakter van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. Bovendien rechtvaardigt de ernst van de (vermeende) tekortkoming de ontbinding van die overeenkomst niet, stelt [gedaagde].

3 Beoordeling van het geschil

wijziging / vermeerdering van eis en nieuwe producties

3.1 [eiser] heeft in de conclusie na comparitie zijn vordering op twee punten gewijzigd. Hij heeft allereerst ontbinding van de taxatie-overeenkomst gevorderd. Vervolgens heeft hij aan zijn oorspronkelijke vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling een subsidiaire vordering tot ontbinding (en ongedaanmaking) toegevoegd.

3.2 [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. De rechtbank kan de eiswijziging, ingevolge artikel 130 lid 1 Rv. echter ambtshalve buiten beschouwing laten. De rechtbank zal van deze bevoegdheid geen gebruik maken. Daarbij is van belang dat bij gelegenheid van de comparitie van partijen al door [eiser] is aangekondigd dat hij ook ontbinding van de taxatie-overeenkomst vorderde. [gedaagde] heeft ter comparitie en in de conclusie na comparitie op deze vordering kunnen reageren.

Voor de nieuwe (subsidiaire) vordering betreffende de koopovereenkomst ligt dat anders. Die vordering is weliswaar, grotendeels, gebaseerd op dezelfde feiten waarop ook de primaire vordering gebaseerd is, maar ligt toch niet volledig in het verlengde van de primaire vordering. De grondslag van de primaire vordering is dat [gedaagde] wist dat de ouderdom van de klok, meer in het bijzonder de herkomst uit de eerste periode, voor [eiser] van doorslaggevend belang was. De subsidiaire vordering is gebaseerd op de stelling dat de klok, kort gezegd, zijn geld niet waard was, en dat [gedaagde] [eiser] niet had mogen adviseren om deze klok te kopen. [gedaagde] heeft nog niet op deze stelling kunnen reageren, zodat de rechtbank de zaak niet op de subsidiaire vordering kan afdoen. Dat betekent niet dat de rechtbank de wijziging van eis op dit punt buiten beschouwing zal laten. Wel zal de rechtbank [gedaagde] indien nodig (dat wil zeggen wanneer de primaire vordering niet toewijsbaar is en de subsidiaire vordering besproken moet worden) in de gelegenheid stellen om op de subsidiaire vordering te reageren, zodat ook met betrekking tot deze vordering aan de eisen van hoor en wederhoor is voldaan.

3.3 [eiser] heeft bij conclusie na comparitie twee nieuwe producties in het geding gebracht. [gedaagde] heeft niet op die producties kunnen reageren. Partijen hebben na de comparitie van partijen (in uitzondering op de hoofdregel) de gelegenheid gehad om te concluderen. De conclusie was bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over hetgeen ter comparitie aan de orde was gekomen. Door [eiser] is toen niet aangegeven dat hij nog nieuwe stukken in het geding wilde brengen, naast de stukken die hij (overigens zonder de op grond van het rolreglement in acht te nemen termijn) ter comparitie al in het geding had gebracht.

[eiser] heeft vervolgens een buitengewoon uitvoerige conclusie van comparitie genomen. Met een conclusie van deze omvang heeft de grenzen van hetgeen ter comparitie over de bedoeling van de conclusie was aangegeven al overschreden. Door naast de niet aangekondigde eiswijziging ook nog twee nieuwe producties in het geding te brengen, waarop [gedaagde] niet heeft kunnen reageren, heeft de Bouter in strijd met de goede procesorde gehandeld. De rechtbank zal de beide producties om die reden op dit moment buiten beschouwing laten en er geen acht op slaan. Pas nadat [gedaagde] in de gelegenheid is geweest op de producties te reageren, zal de rechtbank ze in haar oordeelsvorming betrekking.

vaststellingsovereenkomst

3.4 Het meest vergaande (ofschoon subsidiair gevoerde) verweer van [gedaagde] is dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. Wanneer dat verweer slaagt is immers niet relevant of [eiser] de koopovereenkomst onder invloed van dwaling is aangegaan dan wel of [gedaagde] in zijn verplichtingen uit de overeenkomst(en) is tekortgeschoten. De rechtbank zal dit verweer dan ook eerst bespreken.

3.5 Ter comparitie is gebleken dat toen partijen met elkaar de afspraak maakten dat [gedaagde] de klok voor [eiser] zou gaan verkopen, [eiser] [gedaagde] nog niet aansprakelijk had gesteld. De verhouding van partijen was toen goed. Zij hadden geen van beiden een standpunt ingenomen over de schuldvraag en de juridische consequenties van het feit dat de klok niet dateerde uit de eerste maar uit de derde periode. De afspraak is gemaakt in een fase waarin partijen zochten naar een praktische oplossing voor het ontstane probleem, dat zij nog niet als een juridisch probleem, laat staat geschil, kwalificeerden.

Tegen die achtergrond kan de door hen gemaakte afspraak niet worden beschouwd als een afspraak waarmee zij zich heb gebonden "ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt", in de zin van artikel

7: 900 lid 1 BW. De afspraak vormt dan ook geen vaststellingsovereenkomst. Dat betekent dat de afspraak niet in de weg staat aan een vordering tot vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst.

3.6 [gedaagde] heeft geen consequenties verbonden aan het feit dat [eiser] hem de klok niet, conform afspraak, beschikbaar heeft gesteld, zodat [gedaagde] die voor hem zou kunnen verkopen. Hij heeft zich slechts met een beroep op de afspraak verweerd tegen de vordering van [eiser]. Nu de rechtbank het op de afspraak gebaseerde verweer van [gedaagde] heeft verworpen, kan de afspraak verder buiten beschouwing blijven.

de overeenkomst van 1998

3.7 Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de gewone dwalingsregels van toepassing zijn op de overeenkomst die zij in 1998 met betrekking tot de klok zijn aangegaan. Volgens [gedaagde] heeft de overeenkomst een kanskarakter, hetgeen met zich brengt dat een eventuele dwaling eerder voor rekening van [eiser] moet blijven dan anders het geval zou zijn. [eiser] heeft dat betwist.

3.8 De rechtbank stelt voorop dat aan de koop van antiek in zijn algemeenheid het risico inherent is dat aan het gekochte de specifieke en unieke eigenschappen die de koper beoogd heeft -zoals de waarde, de herkomst en de ouderdom van het gekochte- ontbreken. De partij die dat zoveel mogelijk wil uitsluiten, dient daartoe in beginsel extra (in vergelijking tot een "gewone" koop) zorgvuldig onderzoek te verrichten.

De vraag rijst of deze algemene regel ook van toepassing is op de overeenkomst tussen deze partijen. Bij het antwoord op die vraag is het volgende van belang:

- de hoedanigheid van partijen verschilt. In hun onderlinge verhouding is [gedaagde] te beschouwen als de deskundige, professionele contractspartij. [gedaagde] presenteert zich als "gediplomeerd meester uurmaker" en derhalve als deskundige op het gebied van klokken. Wanneer hij niet deskundig is op het gebied van (de ouderdom van) antieke klokken, zoals hij in zijn conclusie na comparitie heeft gesteld, had het op zijn weg gelegen [eiser] daar op te wijzen. Dat hij dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Integendeel, uit het feit dat [gedaagde] kort na de koopovereenkomst, weliswaar op verzoek van [eiser], een taxatierapport heeft opgesteld -toch bij uitstek het werk van een deskundige op het gebied van antieke klokken- kan worden afgeleid dat hij zich toen als deskundige beschouwde. Niet valt in te zien dat hij zich dat enkele maanden daarvoor, bij het aangaan van de koopovereenkomst, niet als zodanig beschouwde en presenteerde. Het moge zo zijn dat [eiser] verstand heeft van antiek, gesteld noch gebleken is dat hij zich anders dan als particulier met antiek bezighoudt;

- [gedaagde] was niet alleen als verkoper bij de koopovereenkomst betrokken. [eiser] heeft [gedaagde], naar tussen partijen vaststaat, verzocht voor hem op zoek te gaan naar een staand horloge. De koopovereenkomst tussen partijen vloeide voort uit de deze "zoekopdracht ". [gedaagde] had dan ook een adviestaak, waaruit andere, verdergaande, verplichtingen voortvloeiden dan de verplichting van een "doorsnee" verkoper van antieke voorwerpen om de koper correct en volledig te informeren.

Op grond van deze omstandigheden is er geen reden om er in dit geval vanuit te gaan dat het risico van het ontbreken van de specifieke en unieke eigenschappen van de klok behoudens bijzondere omstandigheden (als het verstrekken van bewust onjuiste informatie) voor rekening van [eiser] komt. Evenmin is er reden om een bijzondere, op [eiser] rustende, onderzoeksverplichting aan te dienen. Met de afspraak dat [gedaagde] voor de Bouter op zoek zou gaan, heeft [gedaagde] (in elk geval een deel van) de onderzoeksverplichting van [eiser] op zich genomen.

3.9 Uit het voorgaande volgt echter niet dat nu de klok niet uit de eerste periode stamt [eiser] zich zonder meer op dwaling kan beroepen. [eiser] kan zich alleen op dwaling beroepen vanwege het feit dat de klok niet uit de eerste periode stamt wanneer het voor [gedaagde] kenbaar was of moest zijn dat [eiser] een klok uit de eerste periode wilde kopen. In dat geval heeft hij [eiser] door hem een klok uit de derde periode te laten zien en door die klok aan hem (door) te verkopen onjuist en onvolledig geïnformeerd. [eiser] mocht er in dat geval immers van uitgaan dat de klok voldeed aan de verstrekte zoekopdracht, te weten een klok uit de eerste periode.

Wanneer het [gedaagde] kenbaar was dat [eiser] een klok uit de eerste periode op het oog had, kan in het midden blijven of [gedaagde] zelf wist dat de verkochte klok niet uit de eerste maar uit de derde periode stamde, zoals [eiser] suggereert. Ook wanneer [gedaagde] niet wist dat de klok uit de derde periode stamde, had hij in dat geval, gelet op de hem verstrekte onderzoeksopdracht, dienen te onderzoeken of de klok inderdaad uit de eerste periode stamde. Door [eiser] na diens verzoek op zoek te gaan naar een klok uit de eerste periode juist op deze klok te attenderen en de klok vervolgens aan [eiser] te verkopen, heeft [gedaagde] de (achteraf bezien) onjuiste suggestie gewekt, dat de klok uit de eerste periode stamde en aldus [eiser] in dwaling gebracht.

Overigens acht de rechtbank niet aannemelijk dat [gedaagde] bij de verkoop wist dat de klok niet uit de eerste periode dateerde. De rechtbank is niet overtuigd door het uitvoerige betoog van [eiser] op dit punt, dat grotendeels gebaseerd op een niet onaanvechtbare interpretatie van hetgeen [gedaagde] ter comparitie wel, en vooral niet, heeft verklaard, en mede daardoor een nogal speculatief karakter heeft.

3.10 [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij de opdracht had om op zoek te gaan naar een klok uit de eerste periode, zoals [eiser] gesteld heeft. Anders dan [eiser] betoogd heeft, kan er op grond van de stellingen van partijen niet zonder meer van worden uitgegaan dat [eiser] [gedaagde] wel verzocht moet hebben om op zoek te gaan naar een klok uit de eerste periode. Tussen partijen staat vast dat bij de bezichtiging van de klok niet over de ouderdom van de klok gesproken is. De stelling van [eiser] dat het om die reden aannemelijk is dat er voor die tijd wel over de ouderdom van de aan te kopen klok gesproken is, volgt de rechtbank niet. Niet valt in te zien dat wanneer er bij de bezichtiging van de klok niet over de ouderdom gesproken is het aannemelijk is dat dit voor die tijd wel zou zijn gebeurd.

De rechtbank ziet ook geen reden om [gedaagde] te belasten met het bewijs dat niet over de ouderdom van de klok gesproken is. De bewijslast van zijn stelling dat [eiser] aan [gedaagde] de opdracht heeft verstrekt om op zoek te gaan naar een klok uit de eerste periode rust, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, op [eiser]. De rechtbank ziet geen enkele reden om in dit geval, in afwijking van genoemde hoofdregel, [gedaagde] met het bewijs te belasten.

3.11 [eiser] heeft nog aangevoerd dat in dit geval een verzwaarde stelplicht op [gedaagde] rust. [gedaagde] heeft in dit verband verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad inzake de verzwaarde stelplicht van artsen in het medische aansprakelijkheidsrecht. [eiser] ziet er aan voorbij dat de ratio van het aannemen van een verzwaarde stelplicht in die situatie -te weten dat de arts over informatie beschikt waarover de patiënt niet zonder diens medewerking kan beschikken en dat de arts ook gehouden is bepaalde informatie te verzamelen, vast te leggen en te bewaren (vergelijk artikel 7: 454 BW)- zich in dit geval niet voordoet. Geen rechtsregel brengt met zich dat [gedaagde] gehouden was om de informatie over de hem verstrekte opdracht vast te leggen. Bovendien betreft het informatie waarover beide partijen kunnen beschikken.

3.12 De slotsom is dat op [eiser] de bewijslast rust van zijn stelling dat het [gedaagde] kenbaar was dat hij een klok uit de eerste periode zocht. De rechtbank zal [eiser] toelaten tot het bewijs van zijn stellingen in dezen.

3.13 Wanneer [eiser] slaagt in het hem opgedragen bewijs, is zijn vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling in beginsel toewijsbaar.

Wanneer [eiser] niet slaagt in het bewijs, betekent dat nog niet zonder meer dat de vorderingen van [eiser] betreffende de overeenkomst uit 1998 dienen te worden afgewezen. In dat geval is van groot belang of en in hoeverre de waarde van de klok afhankelijk is van de datering en, daarmee samenhangend, of ook een klok uit de derde periode het door [eiser] betaalde bedrag waard kan zijn. Wanneer een dergelijke klok uit de derde periode het door [eiser] betaalde bedrag in geen geval waard is, rijst de vraag of [gedaagde] dat niet had behoren te weten en [eiser] van de koop had moeten weerhouden, in plaats van hem te adviseren de koop aan te gaan. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat dit de grondslag is van de subsidiaire vordering van [eiser]. Zoals hiervoor is overwogen, dient [gedaagde] zich nog over deze subsidiaire vordering uit te laten.

3.14 Om proceseconomische redenen overweegt de rechtbank reeds thans dat zij niet uitsluit, dat met betrekking tot de subsidiaire vordering mogelijk een onderzoek door een deskundige gewenst is. Aan de deskundige zou gevraagd kunnen worden wat de invloed is van de datering van een klok als deze op de waarde ervan, welke andere factoren bepalend zijn voor de waarde, welke waarde een dergelijke klok heeft uit de eerste periode en wat het verschil in waarde is met een vergelijkbare klok uit de derde periode en of en in hoeverre het voor een deskundige eenvoudig is om vast te stellen of de klok uit de eerste of de derde periode dateert.

Het komt de rechtbank dan ook zinvol voor dat partijen zich na afloop van de getuigenverhoren uitlaten over de benoeming van een deskundige, de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen.

de (taxatie)overeenkomst uit 1999

3.15 [eiser] heeft [gedaagde] in 1999 de opdracht gegeven de klok te taxeren. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] zich bij de taxatie heeft vergist in de datering en de waardering van de klok. Het door [gedaagde] opgestelde taxatierapport is op deze onderdelen niet correct. De bedoeling van het verrichten van een taxatie is dat de waarde van het te taxeren object zo nauwkeurig wordt vastgesteld. Die bedoeling is, naar tussen partijen wel vaststaat, niet gerealiseerd.

[gedaagde] heeft er, terecht, op gewezen dat het uitvoeren van een taxatie geen resultaatsverbintenis, maar een inspanningsverbintenis behelst. Dat betekent volgens hem dat wanneer een taxateur zich voldoende inspant om tot een goede taxatie te komen, hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan, ook wanneer de uitkomst van de taxatie niet correct is. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in die redenering. [gedaagde] miskent dat een taxateur niet alleen gehouden is om zich voldoende in te spannen, maar dat zijn inspanningen ook dienen te voldoen aan de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam taxateur. De aan een taxateur te stellen eisen zijn niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief van karakter.

[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij zich heeft ingespannen om tot een goede taxatie te komen, maar hij heeft niet gesteld dat en waarom zijn inspanningen ook voldoen aan de daaraan te stellen kwalitatieve eisen. Zo heeft hij bijvoorbeeld niet aangevoerd dat de door hem gemaakte keuze voor de datering en de waardering verdedigbaar was. Hij heeft daarover slechts opgemerkt dat hij zich vergist heeft.

3.16 De slotsom is dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de aan hem verstrekte taxatie-opdracht. Het tekortschieten betreft de kern van de prestatie, zodat de ontbinding van de taxatie-overeenkomst alleen om die reden al gerechtvaardigd is. De vraag of en in hoeverre [eiser] schade heeft geleden, kan buiten beschouwing blijven, nu [eiser] geen schadevergoeding maar ontbinding en ongedaanmaking vordert. [gedaagde] dient, in het kader van die ongedaanmaking, de door hem ontvangen vergoeding voor de taxatie terug te betalen.

BESLISSING

[eiser] dient te bewijzen (feiten of omstandigheden waaruit volgt) dat het voor [gedaagde] bij het sluiten van de koopovereenkomst kenbaar was c.q. behoorde te zijn dat [eiser] een klok uit de eerste periode wilde kopen.

Bewijs door getuigen kan plaatsvinden op nader te bepalen dag en uur in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15.

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 december 2005 voor opgave verhinderdata door beide partijen. [eiser] dient dan ook te laten weten hoeveel getuigen hij wenst voor te brengen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en is uitgesproken op woensdag 7 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.