Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AU9714

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
275803 CV 05-2387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; huurovereenkomst bedrijfsruimte. Vraag of sprake is van verbeteringen waarvoor verhuurder na einde huur vergoeding verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 275803 CV 05-2387

datum : 20 december 2005

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap BOXFORD HOLLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

eisende partij, verder te noemen: “Boxford”,

gemachtigde mr. M.G.I.W. Teunis, advocaat te Zwolle,

rolgemachtigde Hanze Gerechtsdeurwaarders te Zwolle,

tegen

de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS ONROEREND GOED,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde partij, verder te noemen: “Interpolis”,

gemachtigde mr. W.H. Rypkema, advocaat te Amsterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 15 april 2005,

- de akte overlegging producties van Boxford,

- het antwoord van Interpolis en

- de repliek van Boxford.

Interpolis heeft op de daarvoor dienende dag niet gedupliceerd. Haar na die roldag gedane verzoek om alsnog te mogen dupliceren is geweigerd evenals haar verzoek om pleidooien.

Het geschil

De vordering van Boxford strekt ertoe dat Interpolis wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 25.000 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2004 althans vanaf de dagvaarding, met veroordeling van Interpolis in de kosten van de procedure.

Daartegen heeft Interpolis verweer gevoerd met conclusie dat Boxford niet wordt ontvangen in haar vordering althans dat die vordering wordt afgewezen, met veroordeling van Boxford in de kosten van de procedure.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Boxford heeft ingaande 1 januari 1994 van (de rechtsvoorgangster van) Interpolis gehuurd een bedrijfspand bestaande uit kantoren, showroom en bedrijfsterreinen, staande en gelegen aan de Pascalweg 8 te Zwolle. De huurovereenkomst is door opzegging door Boxford op 1 januari 2004 geëindigd.

b. De huurovereenkomst is vastgelegd op 15 november 1993. Aan het slot van deze overeenkomst is als “bijzondere bepalingen” vermeld: “Bij het bestaande gebouw zal een uitbreiding worden gerealiseerd van 800 m2 hal uitgevoerd op hetzelfde niveau als het bestaande deel. De kantoorruimte wordt uitgebreid met 200m2 in de bestaande hal en 100 m2 in het nieuwe gedeelte. Tijdelijk worden twee portacabines units beschikbaar gesteld door verhuurder. (..) Totdat de uitbreiding gereed is (uiterlijk 31 december 1994) geldt een korting op de huurprijs van fl. 6.500,-- excl. b.t.w. per maand. Gezien de aard van de investeringen betaald de huurder per 1 december 1993 een eenmalige bijdrage van fl. 50.000,-- excl. b.t.w. Door verhuurder zullen in het gebouw aangebracht worden twee loaddocks in het oude danwel in het nieuwe deel.”

c. Van de huurovereenkomst maken deel uit “de algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte”. Artikel 5.1 van die algemene bepalingen luidt: “Huurder is verplicht bij het einde van de huurovereenkomst, alsmede bij het beëindigen van het gebruik, het gehuurde ten genoegen van de verhuurder in de oorspronkelijke staat - dat is de staat, vastgelegd in de bij de aanvang opgemaakte en gewaarmerkte omschrijving als vermeld in 1.2 en bij gebreke daarvan in goede staat – geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten en behoorlijk schoongemaakt aan verhuurder op te leveren en alle sleutels aan de verhuurder te overhandigen. Huurder is verplicht alle zaken die door hem in, aan of op het gehuurde zijn aangebracht of door hem van de voorgaande huurder of gebruiker zijn overgenomen op eigen kosten te verwijderen tenzij partijen ter zake anders overeenkomen. Voor niet verwijderde zaken is verhuurder geen enkele vergoeding verschuldigd.” Artikel 1.2 van de algemene bepalingen luidt voor zover relevant: “Het gehuurde wordt opgeleverd en aanvaard in de staat, zoals is aangegeven in de bij de overeenkomst behorende, gewaarmerkte omschrijving of bij gebreke daarvan die waarin het zich ten tijde van de oplevering bevindt. (..)” . Artikel 2.9.2 sub a van de algemene bepalingen bepaalt: “Het is de huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder in of aan het gehuurde wijzigingen of voorzieningen aan te brengen, waaronder mede wordt verstaan het maken van gaten, hoe gering ook, in de gevels;”

d. In een inspectierapport d.d. 15 november 1993 aangaande het verhuurde is onder meer vermeld: “Noodzakelijke voorzieningen: deze zijn uitgesloten van de oorspronkelijkheidstaat en dienen separaat voorzien dan wel verrekend te worden:

- stellingen Elektrolux Boxford Holland loods investering ca. fl. 250.000,--;

- bijdrage Boxford in verbetering van Kantoren ca. fl. 50.000,--;

- showroom …aankleding en installatie Boxford Holland ca. fl. 25.000,--;

- aanpassingen aan alarm-, netwerk-, telefooninstallatie ca. fl. 55.000,--.”

e. In een door partijen voor akkoord ondertekend proces-verbaal van oplevering zijn een aantal gebreken opgesomd die Boxford voor eigen rekening dient te herstellen. In de rubriek “Overige afspraken t.a.v. de oplevering” is vermeld: “Vwb onderhouds/oplev gebreken en zaken welke niet tot gehuurde behoren zal verhuurder voorstel doen aan ex-huurder. Losse zaken worden vóór 10-1-4 verwijderd.” Voor Interpolis is bij deze oplevering aanwezig geweest de heer D.J. Bouwhuis, werkzaam voor DTZ Zadelhoff Vastgoedmanagement b.v.

f. Na 31 december 2003 heeft Boxford met instemming van Interpolis een gedeelte van de opslagruimte van het voorheen gehuurde in gebruik gehouden.

g. Bij emailbericht van 7 januari 2004 heeft Bouwhuis voormeld namens Interpolis aan de door Boxford ingeschakelde bedrijfsmakelaar Van Vilsteren te Zwolle het volgende voorgesteld:

“Het inbouwkantoor in de hal mag in de huidige staat worden achtergelaten; hieraan hoeft de huurder dus geen kosten te maken.

De alarm/beveiligings- alsmede het brandmeldsysteem worden in de huidige goed funktionerende staat achtergelaten.

De overige schaden (punt 1-3-4-5-6-7-11-12) dienen voor rekening van de huurder te worden gerepareerd.

Het sleutelplan/certificaat en de sleutels worden bij de makelaar ingeleverd.

De weegbrug (voor zover is te zien zonder apparatuur) blijft in de huidige staat achter.

De data/tele-installatie/bekabeling en de palletstellingen in de hal mogen vooralsnog in het gehuurde achterblijven in afwachting van een evt. overname door een nieuwe huurder. Mocht de nieuwe huurder e.e.a. niet wensen over te nemen, dan verplicht de huurder zich om e.e.a. binnen 14 dagen weg te halen en evt. schade ter herstellen. Ter meerdere zekerheid voor deze latente terugbouwverplichting dient de huidige bankgarantie te worden verlengd tot 1 juli 2005.

E.e.a. geschiedt zonder verrekening van enige kosten over en weer tussen verhuurder en huurder.

Ten bewijze dat Boxford (..) instemt met het bovenstaande verzoeken wij u een exemplaar van dit bericht door Boxford te laten ondertekenen en aan ons te retourneren (..), uiterlijk 15 januari 2004. Mochten wij alsdan hierover niet kunnen beschikken, dan wenst verhuurder dat ook de data/telebekabeling en palletstellingen omgaand worden verwijderd. (..)”

h. Bij faxbericht van 4 februari 2004 heeft de door Interpolis ingeschakelde bedrijfsmakelaar Van der Worp te Zwolle aan Boxford bericht dat zij een huurder heeft gevonden die het bedrijfspand per direct wil huren en dat de daarin nog aanwezige stellingen van Boxford onmiddellijk verwijderd dienen te worden. Voorts is vermeld: “Gezien de tijdspanne waarin e.e.a. gerealiseerd zou moeten worden en de eveneens door u nog uit te voeren opleveringsaspecten is voor het volgende gekozen. De stellingen worden door de verhuurder gedemonteerd en tijdelijk opgeslagen totdat u deze komt ophalen. Verhuurder gaat akkoord met aanvaarding van het gehuurde zoals het door u achtergelaten is en ontslaat u van uw verplichtingen van het nog uitvoeren van de werkzaamheden zoals genoemd in het schrijven van DTZ Zadelhoff Vastgoedmanagement B.V. d.d. 7 januari 2004. Tenslotte verzoeken wij u ons de nog in uw bezit zijnde sleutels aan ons te retourneren. (..)”

i. Bij faxbericht van 4 februari 2004 heeft bedrijfsmakelaar Van Vilsteren aan Van der Worp voormeld onder meer het volgende vermeld: “(..) Tevens bevestigen wij u dat cliënt kan instemmen met uw voorstel tot het demonteren van de stellingen en het laadperron en de door verhuurder geaccepteerde staat van oplevering. Anderzijds wordt in uw schrijven ten onrechte geen melding gemaakt van een overname som voor de inbouw kantoren en de inbraak- en brandmeldinstallatie. Conform de staat van oplevering bij aanvang heeft huurder een bijdrage geleverd in de kantoren en de alarminstallatie aangebracht. Uit coulance is huurder genegen tegen een eenmalige vergoeding van € 25.000,-- excl. BTW deze zaken in het pand achter te laten. De weegbrug mag om niet achter blijven. (..)”

j. Van der Worp heeft aan Vilsteren bij faxbericht van 10 februari 2004 - samengevat - bericht dat de door Boxford betaalde bijdrage van fl. 50.000,-- nog niet betekent dat zij eigenaar is geworden van het een en ander en dat zij graag concrete bewijsstukken ontvangt waaruit haar eigendomsrecht kan blijken. Voorts is herhaald dat Interpolis bereid is om alle stellingen in de hal te demonteren en tot 18 februari a.s. op te staan. Tot slot is herhaald dat Interpolis Boxford ontslaat uit de verplichtingen van het nog uitvoeren van de werkzaamheden.

k Bij faxbericht van 11 februari 2004 heeft Van Vilsteren aan Van der Worp bericht dat Boxford aanspraak maakt op een vergoeding van € 25.000 excl. BTW voor de aangebrachte veranderingen en toevoegingen onder mededeling dat indien niet uiterlijk 13 februari a.s. een betaling is ontvangen, Boxford opdracht zal geven de goederen uit het pand te - laten - verwijderen onder aansprakelijkstelling voor alle kosten.

l. Bij faxbericht van 12 februari 2004 heeft Van der Worp aan Van Vilsteren meegedeeld dat het Boxford niet is toegestaan om zaken uit bedrijfspand te verwijderen, dat los van de discussie omtrent het eigendom van het alarm, brandalarm en inbouwkantoor die zaken al 10 jaren oud zijn en derhalve afgeschreven en dat zij bij wijze van minnelijke regeling voorstelt een bedrag van € 2.500 te betalen onder ontslag van de opleverpunten zoals genoemd in de brief van 7 januari 2004. Verdere correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen is zonder vrucht gebleven.

De standpunten van partijen

Boxford heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Interpolis gebonden is aan de in het inspectierapport van 15 november 1993 vervatte toezegging dat Boxford bij het einde van de huurovereenkomst aanspraak zal hebben op een vergoeding voor de door haar in het gehuurde aangebrachte voorzieningen, dat Boxford gedurende de looptijd van de huurovereenkomst voor een bedrag van € 71.400 heeft geïnvesteerd in zaken die in het gehuurde zijn achtergelaten en dat de daarvoor gevorderde vergoeding van € 25.000 alleszins redelijk is.

Interpolis heeft ten verwere aangevoerd dat zij op basis van artikel 5 van de algemene bepalingen geen enkele vergoeding is verschuldigd. Voorts heeft zij gesteld dat zij geen profijt heeft gehad van de achtergelaten zaken zodat er geen sprake is van verrijking, laat staan ongerechtvaardigd. Verder heeft zij een beroep gedaan op verrekening met haar vordering tot vergoeding van schade vanwege de te late oplevering, te vermeerderen met de kosten van opslag van de door haar verwijderde stellingen van Boxford. Uiterst subsidiair heeft Interpolis aangevoerd dat Boxford geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij met een bedrag van € 25.000 is verarmd en Interpolis is verrijkt dan wel dat haar schade € 25.000 beloopt. Tot slot is een beroep gedaan op Boxfords schending van haar verplichting tot schadebeperking.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat vast dat Boxford bij het door haar verlaten van het gehuurde aan de Pascalweg 8 te Zwolle heeft achtergelaten een inbraakmeldinstallatie, een telefooninstallatie en een brandmeldinstallatie. Voorts staat vast dat Boxford bij haar vertrek niet heeft weggenomen de ter harer behoeve aangebrachte interieurbetimmeringen in het gehuurde. Tot slot staat vast dat Boxford heeft bijgedragen met een bedrag van circa € 22.600 (fl. 50.000) in de door de (toenmalige) verhuurder gemaakte kosten van uitbreiding van het gehuurde.

2.

In geschil is thans of Boxford aanspraak heeft op een vergoeding voor die door haar ten aanzien van het gehuurde gedane investeringen.

3.1

Het beroep van Boxford op een voor Interpolis bindende afspraak althans toezegging omtrent een bij een einde van de huurovereenkomst te betalen vergoeding voor door haar aangebrachte voorzieningen is vergeefs. Zij heeft ter onderbouwing daarvoor verwezen naar een passage in het inspectierapport van 15 november 1993 waarin de staat is beschreven waarin het gehuurde aan Boxford is opgeleverd.

3.2

Die hiervoor in sub d. weergegeven passage kan evenwel bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat Boxford een aantal voorzieningen moet / zal treffen, welke voorzieningen niet zullen (gaan) behoren tot de staat waarin Boxford het gehuurde weer zal hebben terug te geven. De daarop gevolgde zinswending “en dienen separaat voorzien dan wel verrekend te worden:” met een aantal genoemde te treffen voorzieningen / te maken aanpassingen, laten zich moeilijk anders lezen dan enerzijds een opsomming van door Boxford aan te brengen (“voorzien”) aanpassingen en anderzijds een herhaling van de door Boxford te betalen bijdrage (“verrekend”) in de uitbreiding van het bedrijfspand als verwoord in de bijzondere bepalingen van de huurovereenkomst van 15 november 1993.

3.3

Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is waarom de door Boxford gestelde afspraak niet is verwoord bij de bijzondere bepalingen in de huurovereenkomst die van gelijke datum is als het inspectierapport. Indien de door haar gestelde afspraak althans toezegging juist zou zijn, had het zeer voor de hand gelegen dat die ook was opgenomen, gelijk de afspraak omtrent de door haar te betalen bijdrage in de door de verhuurder te plegen investering, die als dan als spiegelbeeldige afspraak zou hebben te gelden.

3.4

De in het inspectierapport vermelde passage moet dan ook worden aangemerkt als de vereiste toestemming van de verhuurder voor de door Boxford te realiseren aanpassingen in het gehuurde als bedoeld in artikel 2.9.2 sub a van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst van 15 november 1993.

3.5

Het feit dat in het proces-verbaal van oplevering d.d. 31 december 2003 is verwoord dat Interpolis aan Boxford een voorstel zal doen aangaande “de onderhouds/opleveringsgebreken en zaken die niet tot het gehuurde behoren” maakt dat niet anders, aangezien Boxford zelf stelt dat partijen over dat voorstel geen overeenstemming hebben kunnen bereiken.

4.

Boxford heeft voorts gesteld dat Interpolis op grond van ongerechtvaardigde verrijking gehouden is om aan haar een vergoeding te betalen.

4.1

Uitgangspunt is, conform het bepaalde in de artikelen 7:216 lid 3 jo 6:212 BW en de daarop gevormde jurisprudentie, dat een huurder slechts in bijzondere omstandigheden aanspraak kan maken op een vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor door hem aangebrachte veranderingen die hij bij het einde van de huur niet heeft weggenomen. Daarbij zijn - op de voet van HR 25 juni 2004, NJ 2005, 338 - onder meer van belang wat uit de huurovereenkomst of uit nadere afspraken van partijen voortvloeit ten aanzien van het aanbrengen van veranderingen aan het gehuurde, in hoeverre de huurder de kosten die hij voor de aangebrachte veranderingen heeft gemaakt, heeft kunnen terugverdienen of aan een opvolgend huurder in rekening heeft kunnen brengen, in hoeverre deze kosten veranderingen betreffen die inmiddels als afgeschreven kunnen worden beschouwd, en in hoeverre de verhuurder daadwerkelijk profijt heeft van de aangebrachte veranderingen, bijvoorbeeld doordat hij het gehuurde voor een hogere prijs kan verkopen of van een opvolgend huurder een hogere huur kan bedingen dan wanneer de veranderingen niet zouden zijn aangebracht.

4.2

Uit het inspectierapport d.d. 15 november 1993, gevoegd bij de inhoud van artikel 2.9.2. sub van de algemene bepalingen, behorende bij de huurovereenkomst van 15 november 1993, volgt dat het Boxford was toegestaan om voor eigen rekening veranderingen aan te brengen in / aan het bedrijfspand. Artikel 5.1 van de algemene bepalingen bepaalt dat de huurder (Boxford) bij het einde van de huurovereenkomst deze veranderingen moet verwijderen, tenzij anders door partijen overeengekomen wordt.

4.3

Gesteld noch gebleken is dat het door partijen op 31 december 2003 geïnitieerde overleg over een regeling aangaande enerzijds de door Boxford te herstellen gebreken en anderzijds de door Boxford achter te laten aanpassingen niet tot een overeenstemming tussen hen heeft geleid. Vanwege de onmiddellijke ingebruikname van het bedrijfspand door een opvolgend huurder is Boxford immers op 4 februari 2004 namens Interpolis meegedeeld dat het gehuurde (alsnog) werd aanvaard in de staat waarin deze door Boxford is achtergelaten en dat zij ontslagen werd van haar verplichting tot het uitvoeren van eerder door Interpolis gewenste (herstel)werkzaam-heden. Met deze aanvaarding, zeker in het licht van het op 12 februari 2004 aan Boxford meegedeelde (en nadien herhaalde) verbod om het bedrijfspand nog te betreden om de achtergelaten zaken alsnog te (laten) verwijderen en tegen de achtergrond van het gevonden hebben van een huurder die het bedrijfspand wegens verlies van haar pand door brand per direct in gebruik wilde nemen, moet worden aangenomen dat Interpolis deze achtergelaten zaken voor zichzelf althans voor haar nieuwe huurder wilde behouden. Daaruit volgt dat Boxford niet meer gehouden was om de door haar aangebrachte voorzieningen weer weg te nemen.

4.4

Anders dan Boxford veronderstelt, dwingt het voorgaande niet al tot de conclusie dat Interpolis gehouden is om een vergoeding aan Boxford te betalen. Daarvoor zijn ook de andere voormelde gezichtspunten van belang.

4.5

Dat Interpolis ook zou zijn verrijkt met de door Boxford in 1993 betaalde bijdrage van fl. 50.000,00 (€ 22.689,01; door Boxford afgerond op € 22.600) in de investeringen van de verhuurder tot uitbreiding van het bedrijfspand (hal en kantoorruimte), laat staan ongerecht-vaardigd, kan niet worden aanvaard. Het gaat immers om een investering door de verhuurder, en niet door Boxford, tot aanpassing van het bedrijfspand waarin Boxford (alleen) een bijdrage heeft geleverd. Tegenover die bijdrage stond ingevolge de bijzondere bepalingen in de huurovereenkomst van 15 november 1993 een huurkorting van fl. 6.500,00 per maand ofwel (maximaal) fl. 78.000,00. Voor zover de verhuurder met deze bijdrage is verrijkt, is aldus sprake van een rechtvaardiging. Daarenboven heeft Boxford daarvoor in de vorm van een (tijdelijke) huurkorting een vergoeding ontvangen. Voor een afzonderlijke vergoeding is dan ook geen plaats meer.

4.6.1

Dat Interpolis verrijkt zou zijn met de achtergebleven, in februari 1994 aangebrachte “interieurbetimmeringen”, zoals Boxford stelt, is door Interpolis bestreden en anders dan ten aanzien van de alarm- en de brandmeldinstallatie niet nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt die verrijking ook niet in te zien, zodat aan Boxfords stelling voorbij dient te worden gegaan.

4.6.2

Daarenboven is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat door het bij Interpolis achterblijven van die “interieurbetimmeringen” er bij Boxford sprake is geweest van verarming. Zij heeft immers volstaan met de enkele opmerking dat “de zaken zonder al te veel kosten verwijderd hadden kunnen worden en door [haar] in het nieuwe pand hadden kunnen worden gebruikt.” Dat dit ook geldt voor die “interieurbetimmeringen” valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien. Boxford had immers al het van Interpolis gehuurde bedrijfspand verlaten en haar nieuwe onderkomen betrokken.

4.7.1

Onomstreden is dat Boxford in maart 1994 een telefooncentrale heeft laten installeren voor € 5.800 en in augustus/september 2004 een inbraakmeldinstallatie voor € 6.700. Onomstreden is dat Boxford tevens een brandmeldinstallatie in het pand heeft laten aanbrengen en dat deze installatie is achtergelaten. Boxford heeft niet weersproken dat deze installatie eveneens in 1994 is aangelegd. De prijs daarvoor is door Boxford zonder nadere onderbouwing gesteld op een bedrag van € 25.000. Tegen de achtergrond van hetgeen in het inspectierapport van 15 november 1993 is vermeld aangaande de geschatte kosten van aanpassingen aan alarm-, netwerk- en telefooninstallatie ad fl. 55.000,00 kunnen deze kosten bij gebrek aan nadere onderbouwing niet hoger worden gesteld dan € 10.000 tot € 12.500.

4.7.2.

Hoewel niet onaannemelijk is dat Boxford de kosten van hierboven bedoelde installaties in de huurperiode van 10 jaar (grotendeels) heeft afgeschreven, kan niet worden gesteld dat die installatie thans geen enkele waarde meer zou hebben. Uit Interpolis’ voorstel van 7 januari blijkt immers dat die installaties nog in een goed functionerende staat verkeerden en dat zij deze zaken wilde behouden. Aan die installaties moet dan ook nog een economische waarde worden toegekend. Met het op 12 februari 2004 aan Boxford meegedeelde verbod tot verwijdering van die zaken uit het pand moet voorts worden aangenomen dat die installatie ten voordele van de nieuwe huurder konden worden benut, welke huurder door een bedrijfsbrand een pand behoefde met dergelijke voorzieningen. Aangenomen moet worden derhalve dat Interpolis daadwerkelijk profijt heeft van die aangebrachte en achtergelaten installaties.

4.7.3

Kennelijk heeft Boxford zelf een afwaardering van die installaties voor ogen tot circa 35% van de nieuwwaarde. Dit zou leiden tot een huidige waarde van € 8.750,00. Nu Interpolis - bij wijze van minnelijke regeling - bereid was om, in ruil voor het door Boxford achterlaten van deze zaken, Boxford te ontslaan van haar verplichting tot herstel van aantal gebreken onder toebetaling van een bedrag van € 2.500, moet die benadering door Boxford voor juist worden gehouden. Nu Boxford evenwel een niet te verwaarlozen deel van een aan haar toekomende vergoeding voor de achtergelaten installatie al heeft genoten in de vorm van het niet hoeven maken van kosten van herstel, moet billijkheidshalve worden geoordeeld dat nog resteert het door Interpolis aangeboden bedrag van € 2.500.

5.

Gelet op het voorgaande staat daaraan niet in de weg dat artikel 5.1 (onder meer) bepaalt dat de verhuurder voor niet verwijderde zaken geen vergoeding is verschuldigd. Zoals overwogen, heeft Interpolis die verwijdering immers verboden en aldus voor Boxford onmogelijk gemaakt. Op dat verbod stuit ook af het beroep van Interpolis op schending door Boxford van haar verplichting tot beperking van haar schade door deze zaken (in een eerder stadium) weg te nemen.

6.

Anders dan Interpolis betoogt, staat haar beroep op verrekening evenmin aan toewijzing van het resterende bedrag ad € 2.500 in de weg. Dat beroep wordt immers naar grondslag en omvang betwist zodat de onderliggende vordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Die vordering komt dan ook niet voor verrekening in aanmerking.

7.

De door Boxford gevorderde wettelijke rente, de door haar gestelde ingangsdatum van 1 maart 2004 daaronder begrepen, is als niet afzonderlijk weersproken eveneens toewijsbaar.

8.

Aangezien partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten zodanig worden gecompenseerd dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Interpolis tegen bewijs van kwijting aan Boxford te betalen een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2004 tot de dag van algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 20 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.