Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AU9180

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-11-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
279548 CV 05-2112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak. In dit geval mag 'opnieuw' geprocedeerd worden omdat geen sprake is van gezag van gewijsde bij een overweging ten overvloede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 279548 CV 05-2112

datum : 17 november 2005

Vonnis in de zaak van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eiser]”,

gemachtigde mr. I. Petkovski, advocaat te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap BONAR PLASTICS h.o.d.n. Fusion Kunststoffen,

gevestigd te Deventer,

gedaagde partij, verder te noemen: “Bonar”,

gemachtigde mr. R.H. van den Beeten, advocaat te Zevenaar.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 22 juni 2005,

- het antwoord van Bonar,

- de repliek van [eiser] en

- de dupliek van Bonar.

Het geschil

De vordering van [eiser] strekt ertoe dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bonar:

primair zal veroordelen tot het storten van een bedrag van € 41.407,62 in de rekening courant van de collectieve pensioenregeling onder polisnummer 4728000007.01.0 ten behoeve van [eiser] als gevolg van de inhoud van de beëindigingsovereenkomst en de CAO-bepalingen,

subsidiair zal verplichten de extra pensioenkosten te berekenen met ingang van 1 juni 2002 tot 1 juni 2005 indien de door Bonar gemaakte schatting afwijkt van het bedrag van € 41.407,62,

onder veroordeling van Bonar, zowel primair als subsidiair, in de kosten van de procedure.

Daartegen heeft Bonar verweer gevoerd met conclusie dat [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk wordt verklaard dan wel dat zijn vorderingen worden afgewezen, onder zijn veroordeling in de kosten van de procedure.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [eiser], geboren op [datum], is van [datum] tot [datum] in dienst geweest van de besloten vennootschap Fusion Kunststoffen b.v. te Deventer, verder te noemen: “Fusion”. Bonar is de rechtsopvolgster van Fusion.

b. Het dienstverband tussen [eiser] en Fusion is na onderling overleg via een zogenaamde pro-forma procedure door een beschikking van de kantonrechter ontbonden. Partijen hebben een overeenkomst gesloten aangaande de gevolgen van die ontbinding, welke overeenkomst is vastgelegd in een brief van Fusion aan [eiser] van 19 december 1995.

c. In de brief van 19 december 1995 is onder meer verwoord:

2. De ten aanzien van (..) [eiser] geldende VUT-gerechtigde leeftijd is 62 jaar. Mocht de VUT-regeling op het moment van het bereiken van de voor (..) [eiser] geldende VUT-gerechtigde leeftijd niet meer bestaan, dan zal Fusion (..) ten aanzien van (..) [eiser] handelen alsof de VUT-regeling nog bestaat.

3. Tot aan de datum waarop (..) [eiser] de VUT-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, zal door Fusion (..) het werkgevers- en het werknemersaandeel in de pensioenpremie worden voldaan.

d. In de in 1995 op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Fusion van toepassing zijnde CAO is in artikel 19 daarvan over de aanspraak op een VUT-uitkering onder meer bepaald: De netto uitkering bedraagt tenminste het netto minimumloon, terwijl de pensioenopbouw doorgang zal vinden.

e. [eiser] heeft bij dagvaarding d.d. 16 juni 2004 (onder meer) Bonar doen dagvaarden en onder meer gevorderd dat de kantonrechter zal vaststellen dan wel voor recht zal verklaren dat [eiser] recht heeft op een tijdsevenredig levenslang pensioen voor het verzekerd bedrag van in elk geval € 21.160,04 en de pensioenopbouw doorgang behoort te vinden.

f. Bij vonnis van 9 december 2004 heeft de kantonrechter (onder meer) voormelde vordering afgewezen en daartoe in r.o. 12. van dat vonnis overwogen: De vordering betreffende de verklaring voor recht is niet toewijsbaar. Voor zover het betreft de vaststelling van het karakter van de pensioenaanspraak of het minimale jaarlijks bedrag ervan kan dat niet, omdat voor vaststelling daarvan onvoldoende feitelijke informatie is aangedragen. Evenmin is toewijsbaar de gevorderde verklaring voor recht “dat de pensioenopbouw doorgang behoort te vinden”, omdat dat niet aansluit bij de stellingen van [eiser]. Immers, ook na zo’n verklaring voor recht is nog steeds de vraag niet beantwoord door wie die voortgezette opbouw dan moet worden betaald, en daar gaat het [eiser] blijkens zijn stellingen nu juist om. Hij kan zelf die voortgezette opbouw immers ook wel met de verzekeraar regelen, maar hij vindt dat dat een zaak van Bonar is, althans door Bonar betaald moet worden.

g. In r.o. 13. van voormeld tussenvonnis heeft de kantonrechter ten overvloede, uitsluitend om partijen zoveel mogelijk behulpzaam te zijn bij een poging om hun geschil zonder nadere rechtsmaatregelen op te lossen overwogen - samengevat - dat hem aannemelijk voorkomt dat de pensioenopbouw vanaf zijn VUT-gerechtigde leeftijd ten laste van het VUT-fonds dan wel op grond van de afspraak over de vervangende uitkering ten laste van Fusion zou worden voortgezet.

h. Geen der partijen is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 december 2004.

De vordering en het daartegen gevoerde verweer

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Bonar ingevolge de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst en de inhoud van artikel 19 van de toentertijd geldende CAO gehouden is om haar pensioentoezegging, in die zin dat [eiser] als gevolg van de beëindiging van het dienstverband geen pensioennadeel zou mogen ondervinden, na te komen. Er is geen sprake van “ne bis in idem” omdat [eiser] zich in de voorgaande procedure heeft beperkt tot een verklaring voor recht en hij thans een storting in het pensioenfonds vordert en de kantonrechter de gevorderde verklaring slechts heeft afgewezen omdat [eiser] daarvoor onvoldoende feitelijke informatie had aangedragen. Er is dan geen sprake van een beslissing in de zin van artikel 236 Rv, aldus [eiser].

Bonar heeft daartegen aangevoerd dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 9 december 2004 in de weg staat aan de beoordeling van de vordering. Deze vordering is immers materieel hetzelfde als de bij dagvaarding van 16 juni 2004 gevorderde verklaring voor recht en vaststelling van de omvang van Bonars verplichtingen, waarover de kantonrechter al inhoudelijk een oordeel heeft gegeven. [eiser] heeft tegen de afwijzende beslissing van de kantonrechter dan ook hoger beroep moeten instellen. Voor het geval haar beroep op gezag van gewijsde niet slaagt, heeft Bonar verweer gevoerd tegen de stelling dat zij gehouden is om ook vanaf [eiser]’s VUT-gerechtigde leeftijd per 1 juni 2002 de kosten van zijn pensioenopbouw voor haar rekening te nemen.

De beoordeling

1.

Tussen partijen is in 2004 een procedure gevoerd ten overstaan van de kantonrechter met betrekking tot de door [eiser] gestelde gehoudenheid van Bonar om ook vanaf diens VUT-gerechtigde leeftijd van 62 jaar de (volledige) pensioenopbouw te bekostigen. [eiser] heeft zich immers expliciet bij dagvaarding d.d. 16 juni 2004 op het standpunt gesteld dat de beëindigingsregeling van 1995 onder meer inhield dat de pensioenopbouw ook na zijn 62e levensjaar zou worden doorgezet, hetgeen volgens hem ook aansluit bij de inhoud van de toentertijd geldende VUT-regeling en CAO, en vervolgens een verklaring voor recht met dienovereenkomstige inhoud gevorderd.

2.

In deze procedure vordert [eiser] een veroordeling van Bonar tot storting van een bedrag die overeenstemt met de pensioenbijdragen over de periode van 1 juni 2002 tot 1 juni 2005 ofwel een veroordeling tot affinanciering van [eiser]s pensioen. Deze gevorderde veroordeling is gebaseerd op dezelfde rechtsgrond, te weten dat Bonar gehouden is om ook vanaf [eiser]s VUT-gerechtigde leeftijd van 62 jaar de volledige pensioenopbouw te bekostigen, die heeft geleid tot een afwijzing van [eiser]s vordering bij vonnis van 9 december 2004.

3.

Gelet op het daartoe door Bonar gedane beroep dient dan ook allereerst te worden beoordeeld of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering jegens Bonar.

4.

De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge het eerste lid van artikel 236 Rv beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Daarmee is bedoeld dat niet alleen de beslissingen die zijn opgenomen in het dictum van het eerdere vonnis, maar ook de dragende overwegingen daarvan, dat wil zeggen die gedeelten van de inhoud van het vonnis waarin de kantonrechter aan bepaalde feiten rechtsgevolgen heeft verbonden, die noodzakelijk waren voor zijn beslissing, bindende kracht hebben. Dit betekent dat geen gezag van gewijsde kan worden toegekend aan ten overvloede gegeven beslissingen en aan beslissingen die weliswaar het geding beëindigen maar de rechtsbetrekking als zodanig niet raken. Daarvan is onder meer sprake in het geval de vordering wordt afgewezen omdat niet voldaan is aan de stelplicht aangaande de grondslag daarvan (zie o.m. HR 19 november 1993, NJ 1994, 175).

5.

In de eerdere procedure tussen [eiser] en Bonar is weliswaar al aan de orde geweest het debat of [eiser] aanspraak zou hebben op een voortzetting van de opbouw van zijn pensioen na 1 juni 2002, doch dat is zonder succes voor [eiser] gebleken wegens, zoals de kantonrechter heeft overwogen, het onvoldoende aangedragen zijn van voldoende feitelijke informatie en het niet aansluiten van zijn stellingen bij zijn vordering ter zake. Die redengeving kan zich bezwaarlijk anders laten lezen dan dat de vordering is afgewezen omdat [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet had voldaan aan zijn minimale stelplicht ter zake. Daarmee is sprake van een afwijzing van de vordering op louter processuele gronden, welke beslissing geen beslissing is omtrent de rechtsbetrekking in geschil waaraan gezag van gewijsde kan toekomen.

6.

Het gegeven dat de kantonrechter in rechtsoverweging 13. van het vonnis van 9 december 2004 - een ten overvloede gegeven overweging - nader op het debat van partijen is ingegaan, zoals Bonar aanvoert, maakt dat niet anders nu, zoals in r.o. 4. is overwogen, aan een beslissing en/of overweging ten overvloede geen gezag van gewijsde kan toekomen.

7.

De slotsom is dat het beroep van Bonar op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] faalt.

8.

Aangezien het debat van partijen in deze procedure vooralsnog toegespitst is geweest op de vraag of [eiser] al dan niet in zijn vordering kon worden ontvangen, zal de kantonrechter partijen de gelegenheid bieden om hun stellingen desgewenst aan te vullen en/of nader te onderbouwen. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen.

9.

Behoudens het hierna bepaalde wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

10.

In afwijking van het bepaalde bij het tweede lid van artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van dit vonnis hoger beroep toegelaten.

De beslissing

De kantonrechter:

- verwerpt het beroep van Bonar op de niet-ontvankelijkheid van de vordering van [eiser];

- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 december 2005 te 09.30 uur voor aanvulling en/of nadere onderbouwing conform r.o. 8 door [eiser];

- bepaalt dat Bonar mag antwoorden op de akte van [eiser] op de rolzitting van woensdag 15 december 2005 te 09.30 uur;

- laat hoger beroep van dit vonnis toe;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 november 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.