Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AU6954

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
28-11-2005
Zaaknummer
94789 / HA ZA 04-336
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boon/Van Loon casus, aangezien partijen gescheiden zijn voor 27 november 1981.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 94789 / HA ZA 04-336

Uitspraak: 23 februari 2005

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. A.C.M. Montessori,

advocaat mr. M.R. Hamburger te Amsterdam,

en

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. E. Lucas.

Partijen worden hierna als [eiseres] en [gedaagde] aangeduid.

PROCESGANG

Deze zaak werd aanvankelijk door [eiseres] bij verzoekschrift aangebracht, waarna [gedaagde] een verweerschrift heeft ingediend. Bij beschikking van de enkelvoudige familiekamer van deze rechtbank van 10 februari 2004 werd de zaak in de stand waarin deze zich alstoen bevond voor beraad comparitie van partijen naar de rol enkelvoudige civiele handelskamer was verwezen. Nadat ingevolge tussenvonnis van 7 april 2004 een comparitie van partijen had plaatsgevonden, hebben partijen nog de volgende stukken gewisseld:

- een akte houdende overlegging producties van de zijde van [eiseres];

- een akte uitlating producties van de zijde van [gedaagde];

- een akte overlegging producties van de zijde van [eiseres];

- een akte uitlating producties teven overlegging productie van de zijde van [gedaagde].

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het griffiedossier.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiseres] strekt ertoe dat de rechtbank haar een bedrag zal toekennen van EUR 31.314,00 inzake de pensioenverdeling tussen partijen.

Hiertegen is door [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, danwel deze ongegrond zal verklaren, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit geding.

OVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

1.1. Partijen zijn op 15 februari 1961 te [plaats] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

1.2. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 11 november 1981 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Inschrijving in de registers van de burgerlijke stand vond op 3 december 1981 plaats.

2. Standpunt [eiseres]

2.1. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het door [gedaagde] tot aan de echtscheiding opgebouwde ouderdomspensioen nog tussen hen moeten worden verrekend.

De contante waarde die haar dientengevolge toekomt berekent zij op EUR 13.860,50. Uitgaande van belegging in een koopsom zou haar dit een garantiekapitaal van

EUR 29.662,00 hebben opgeleverd. Dit laatste bedrag dient [gedaagde] haar naar zij stelt thans te voldoen; zij geeft aan voor het overige haar vordering te laten varen.

Desnoods neemt [eiseres] in plaats van uitkering van een bedrag ineens genoegen met uitkering van EUR 236,58 per maand, ingaande oktober 2004 (zijnde de maand waarin [gedaagde] de 65-jarige leeftijd bereikt).

2.2. Partijen hebben bij hun uiteengaan hun inboedel en hun spaargeld bij helfte gedeeld. Een belastingteruggaaf 1981 van fl 8.000,00 is feitelijk geheel aan [gedaagde] toegevallen, aangezien deze onverdeeld is gebleven. Ook voor het overige heeft geen verdeling plaatsgevonden.

3. Standpunt [gedaagde]

3.1. [gedaagde] meent dat de datum waarop tussen partijen het echtscheidingsvonnis werd gewezen als moment van echtscheiding moet worden aangemerkt, omdat partijen daar beiden steeds vanuit zijn gegaan en omdat hij het in strijd met de rechtszekerheid en de redelijkheid en billijkheid acht dat [eiseres] thans, na ommekomst van 22 jaar, nog aanspraak op pensioenverdeling wil maken. [gedaagde] beroept zich op verjaring.

3.2. [gedaagde] is voorts van mening dat [eiseres] geen aanspraak meer maakt op verdeling van het door hem opgebouwde pensioen, aangezien het leeuwendeel van de huwelijksgoederengemeenschap na de scheiding in haar bezit is gebleven, terwijl [gedaagde] slechts enkele persoonlijke bezittingen meekreeg. De belastingteruggaaf 1981 is niet door hem ontvangen. Verder voert hij aan tot 1997 alimentatie aan [eiseres] te hebben voldaan, terwijl zij daar in 1984 al geen aanspraak meer op had.

3.3. Voor zover [eiseres] wèl recht op uitbetaling van een deel van zijn pensioen zou hebben betreft dit volgens [gedaagde] slechts de helft van het tijdens hun huwelijk opgebouwde pensioen, is het door haar berekende bedrag onjuist en miskent zij dat haar aandeel pas tot uitkering komt als [gedaagde] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Hoewel [gedaagde] ter comparitie heeft gesproken van een reconventionele vordering heeft hij deze uiteindelijk niet (op de wettelijk voorgeschreven wijze) ingesteld, zodat thans slechts de vordering strekkende tot verdeling van het ouderdomspensioen aan de orde is. [gedaagde]s stelling, inhoudende dat een aantal andere boedelbestanddelen niet naar behoren werden verdeeld, speelt evenwel een rol in het kader van het door hem gevoerde verweer, waarop de rechtbank hierna zal ingaan.

4.2. Partijen strijden onder meer over de vraag op welk moment hun huwelijk als ontbonden moet worden beschouwd. Het antwoord op deze vraag is van belang om te beoordelen welk regime op de verdeling van [gedaagde]s pensioenrechten van toepassing is.

Immers, sedert het op 27 november 1981 door de Hoge Raad gewezen arrest Boon/Van Loon (NJ 1982,503) moet worden aangenomen dat pensioenaanspraken en -rechten tot de huwelijksgemeenschap behoren. Gelet op de aard van de aanspraken dienen deze aan de pensioengerechtigde te worden toegedeeld en dient de waarde daarvan tussen de ex-echtgenoten te worden verrekend. Nadien is op 1 mei 1995 de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding in werking getreden, waarbij - kort gezegd - is bepaald dat pensioenrechten niet in de gemeenschap vallen, maar dat ex-echtgenoten een zelfstandig recht toekent op verevening daarvan, indien zij daar binnen een bepaalde tijdspanne na ontbinding van hun huwelijk een beroep op doen. Krachtens overgangsrecht dienen pensioenverdelingsgeschillen die betrekking hebben op echtscheidingen die tussen 27 november 1981 en 1 mei 1995 hebben plaatsgehad volgens het in Boon/Van Loon geformuleerde regime te worden beoordeeld.

4.3. [gedaagde] heeft voorgesteld om in dit geschil als scheidingsdatum de (even vóór 27 november 1981 gelegen) datum waarop het daarop ziende vonnis is uitgesproken te hanteren. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om af te wijken van het in de wet omschreven moment, waarop ontbinding van het huwelijk plaatsvindt, zijnde het moment van inschrijving van de scheiding in de registers van de burgerlijke stand. De rechtszekerheid die [gedaagde] voorstaat is daarmee nu juist gediend: tot het moment van inschrijving is de echtscheiding, gelet op de daartegen open staande rechtsmiddelen en niet te vergeten de mogelijkheid tot verzoening, immers nog niet zeker. Het moment waarop de echtscheiding tot stand komt is in de wet helder omschreven en [gedaagde] moet geacht worden daarvan indertijd op de hoogte te zijn geweest, te meer nu hij zich in de echtscheidingsprocedure van rechtskundige bijstand had voorzien.

4.4. Dit leidt dit tot de conclusie dat [eiseres], die blijkens de stukken in de relatie tussen partijen de traditionele rol van huisvrouw belast met de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen, een aandeel heeft in het door [gedaagde] opgebouwde pensioen.

Rest de vraag of [eiseres] thans nog een beroep op verdeling toekomt.

[gedaagde] heeft gesteld dat dit (redelijkerwijs) niet meer het geval kan zijn.

Vooropgesteld zij dat, nu het hier gaat om een verdelingsvordering, verjaring niet aan de orde is (artikel 3:178 juncto 3:189 lid 2 BW). Ook het enkele feit dat sedert de echtscheiding van partijen meer dan twintig jaren zijn verlopen staat aan het geldend maken van [eiseres]s aanspraken uit verdeling niet in de weg. Hierbij moet worden bedacht dat het pensioen (ook) voor [gedaagde] pas vanaf zijn 65e jaar tot uitkering komt. Feiten of omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel leiden werden door [gedaagde] niet gesteld.

4.5. Indien zou komen vast te staan dat [eiseres], zoals [gedaagde] heeft gesteld, bij de verdeling van de inboedel en de spaargelden aanmerkelijk is overbedeeld, zou dit een punt van (over)compensatie kunnen vormen. Zulks is evenwel door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de verdeling van de inboedel kon [gedaagde], mede gelet op het door [eiseres] gevoerde verweer, naar het oordeel van de rechtbank niet met algemene termen volstaan, zoals hij heeft gedaan. Ook zonder in het bezit te zijn van destijds opgestelde inboedellijsten mocht van [gedaagde] verwacht worden dat hij, desnoods in grote lijnen maar in elk geval beter dan hij heeft gedaan, aangeeft welke waardevolle onderdelen [eiseres] heeft behouden en welke minder waardevolle zaken hem ten deel zijn gevallen. Overigens heeft [eiseres] op dit punt een getuigenverklaring overgelegd, die door [gedaagde] niet met zoveel woorden wordt betwist en waaruit het beeld opstijgt dat, anders dan [gedaagde] heeft gesteld, wel degelijk een minnelijke verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden.

Terzake het aan [gedaagde] toekomende deel van het huwelijkse spaargeld en de belastingteruggaaf 1981 is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] [eiseres]s stelling, dat deze gelden aan [gedaagde] ten goede zijn gekomen, mede gelet op de inhoud van de door haar overgelegde produkties, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

4.6. De al dan niet terecht door [gedaagde] betaalde partneralimentatie is een bijdrage voor levensonderhoud, staat los van de boedelscheiding en doet aan een eventuele scheve verdeling van de huwelijkse boedel niet af. Voor zover [gedaagde] zich (ook) in dit opzicht op verrekening heeft willen beroepen wordt dit verweer gepasseerd, nu de gegrondheid van zijn vordering uit onverschuldigde betaling zich niet eenvoudig laat vaststellen.

4.7. Gelet op het voorgaande dient [gedaagde], die intussen de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, [eiseres] haar aanspraken op het door hem opgebouwde pensioen alsnog te voldoen. Anders dan hij kennelijk meent, gaat het hierbij niet slechts om de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten: de verrekening heeft in een geval als het onderhavige, waarin partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, immers betrekking op alle tot het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap opgebouwde pensioenaanspraken, de opbouw over de voorhuwelijkse jaren telt dus eveneens mee. Van omstandigheden die tot afwijking van deze regel nopen is in casu niet gebleken.

4.8. Nu de over en weer in het geding gebrachte stukken hieromtrent geen eenduidig beeld geven, ziet de rechtbank aanleiding een (actuarieel) deskundige te benoemen teneinde de omvang van [eiseres]s aanspraken op zowel het ouderdomspensioen als het nabestaandenpensioen te berekenen.

De rechtbank stelt zich voor dat met benoeming van één deskundige zal kunnen worden volstaan. De rechtbank acht het aan te bevelen dat aan om de deskundige wordt verzocht om niet alleen het aan [eiseres] toekomende gedeelte van de tot uitkering komende pensioentermijnen, maar ook mogelijke varianten van directe afrekening te berekenen, zodat partijen op dat punt een gemotiveerde keus kunnen uitspreken.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten omtrent de te benoemen persoon en de aan deze te stellen vragen.

De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen als hierna in het dictum vermeld.

4.9. Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat het partijen vanzelfsprekend geheel vrij staat om, in plaats van de kostbare weg van een deskundigenbericht in te slaan, wederom met elkaar in overleg te treden en tot een regeling te komen, waarbij het vorenstaande mogelijk als uitgangspunt zou kunnen dienen.

BESLISSING

De rechtbank verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 maart 2005 voor uitlating door beide partijen als hierboven onder rechtsoverweging 4.8. vermeld.

Voor het overige wordt elke beslissing aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op woensdag 23 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.