Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AU4462

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-10-2005
Datum publicatie
18-10-2005
Zaaknummer
286761 HA 05-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst omdat werkgeefster zich terecht beroept op onvoldoende vertrouwen in voortgezette samenwerking, nadat werknemer had laten weten dat hij op termijn een eigen bedrijf in dezelfde branche wilde beginnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 286761 HA 05-347

datum : 7 oktober 2005

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de GLOBALVIEWMANAGEMENT IMPLACEMENT B.V.,

statutair gevestigd te Deventer,

verzoekende partij,

gemachtigde dr. mr. F.J. van der Vaart, advocaat te 7500 AC Enschede, Postbus 109,

tegen

[VERWEERDER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde mr. F. Pietersma, werkzaam ten kantore van Stichting Univé Rechtshulp te 9400 AN Assen, Postbus 557.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift.

De mondelinge behandeling is gehouden op 30 september 2005.

Verschenen zijn:

- verzoekster, bij monde van de heer W. Schanzleh (directeur) en mevrouw

M. Siebenhar (directeur implacement), en bijgestaan door mr. Van der Vaart voornoemd;

- verweerder, bijgestaan door mr. Pietersma voornoemd.

Het geschil

Verzoekster (hierna ook: GVM) heeft verzocht om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met verweerder (hierna ook: [verweerder]) wegens gewijzigde omstandigheden. [verweerder] heeft het verzoek tegengesproken, en subsidiair verzocht om toekenning van een billijke vergoeding.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verweerder], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij GVM in dienst getreden, met ingang van [datum] voor onbepaalde tijd, en aangesteld in de functie van procesbegeleider implacement.

b. Het tussen partijen overeengekomen salaris bedraagt € 3.371,21 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.

GVM heeft ter toelichting op haar verzoek het volgende, kort samengevat, aangevoerd.

Tijdens een zogenaamd “jaargesprek” op 17 januari 2005 heeft [verweerder], gevraagd naar zijn loopbaanambitie, verklaard dat hij die binnen de onderneming van GVM “of elders ” zag. Tijdens een bespreking tussen partijen op 21 maart 2005 over de voorziene bedrijfsmatige ontwikkelingen binnen haar bedrijf heeft GVM aan [verweerder] de vraag voorgelegd of zij bij de door haar voorgestane verdere ontwikkeling van haar product “Implacement” op hem kon rekenen. Daarop heeft [verweerder] kenbaar gemaakt dat hij al enige tijd voordien de beslissing had genomen een eigen bedrijf op te zetten op het gebied van loopbaanbegeleiding, en dat hij voornemens was in het najaar 2005 of het voorjaar 2006 ontslag te nemen. Daarop heeft zij zich tegenover [verweerder] in vervolgbesprekingen en correspondentie opgesteld als een werkgever die bereid was om over het tijdstip en andere voorwaarden van dat aangekondigde vertrek overleg te plegen. In die gesprekken en correspondentie is [verweerder] zich, echter, op gaan stellen als iemand die spijt heeft gekregen van de reactie op zijn kenbaar gemaakte voornemen, en daarop willen terugkomen. In dat proces zijn partijen uiteindelijk scherp tegenover elkaar komen te staan en is GVM bovendien duidelijk geworden dat [verweerder] in wezen ongeschikt is voor de functie van procesbegeleider implacement. Zij heeft aldus ieder vertrouwen in [verweerder] als aan haar onderneming loyale medewerker verloren. In deze omstandigheden is volgens haar billijkheidshalve geen grond te vinden voor toekenning van enige vergoeding.

3.

[verweerder] heeft zich tegen het verzoek verweerd, kort samengevat als volgt.

Hij heeft inderdaad in het gesprek van 17 januari 2005 aangegeven dat hij een voortzetting van zijn carriere buiten GVM niet uitsloot. Ook heeft hij in het gesprek van 21 maart 2005 te kennen gegeven dat hij belangstelling had voor het opzetten van een eigen onderneming op het terrein van loopbaanbegeleiding. Hij heeft dat echter slechts bedoeld als het openhartig van gedachten wisselen over een “droom”. Hij was geschokt toen hem vervolgens bleek hoe serieus GVM op zijn ontboezemingen reageerde, en heeft vervolgens in (e-mail en andere) correspondentie met GVM van dat voornemen afstand genomen, doch GVM wilde daar niet meer van weten en stuurde op ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan. GVM heeft een suggestie van de bedrijfsarts om een mediator in het conflict te betrekken afgewezen. Hij is thans situationeel (en dus uitsluitend in verband met het arbeidsconflict) arbeidsongeschikt. Als ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvermijdelijk is, meent hij dat hij billijkheidshalve aanspraak heeft op een vergoeding volgens de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor 3, omdat de ontstane situatie volledig aan GVM is te wijten.

4.

Niet is gesteld of gebleken dat het verzoek verband houdt met een opzegverbod. De arbeidsongeschiktheid is situationeel en alleen om die reden al geen grond voor toepassing van enige reflexwerking van het wettelijke opzegverbod bij ziekte.

5.

Partijen verschillen van mening wat er door hen is gezegd tijdens de diverse besprekingen over de wens van [verweerder] om een eigen onderneming op te zetten op het gebied van loopbaanbegeleiding. Vast staat, echter, dat [verweerder] op 17 januari 2005, tijdens een jaarlijks gesprek over zijn functioneren, kenbaar heeft gemaakt dat hij voortzetting van zijn loopbaan buiten de onderneming van GVM niet uitsloot. Ook staat vast dat hij tijdens een gesprek op 21 maart 2005, toen hem rechtstreeks werd gevraagd om een uitspraak over zijn toekomstplannen in verband met de door GVM voorgenomen ontwikkeling van het product “Implacement”, kenbaar heeft gemaakt te denken aan het opzetten van een eigen onderneming, en wel op het gebied van loopbaanbegeleiding. In zijn brief van 1 april 2005 schrijft [verweerder] aan GVM onder meer:

“Ik bevestig dat ik heb aangegeven op termijn een eigen onderneming te willen starten”.

En ook:

“Ten opzichte van 17 januari is nu duidelijk dat het “elders” wordt, waarschijnlijk ook in de vorm waarin maar nog niet wanneer”.

Hieruit blijkt, dat onaannemelijk is dat [verweerder] zich, zoals hij heeft aangevoerd, op 21 maart 2005 teveel heeft laten meeslepen door zijn “droom” om een eigen bedrijf te starten en dus ten onrechte de indruk heeft gewekt al verder te zijn met zijn gedachtevorming dan werkelijk het geval was. Immers, als dat zo zou zijn geweest, had het voor de hand gelegen dat hij dadelijk na dat gesprek bij GVM zou hebben gepoogd een eventuele verkeerde indruk weg te nemen. Niet alleen heeft hij dat niet gedaan, maar in zijn brief van 1 april 2005 bevestigt hij eenvoudigweg zijn ontboezemingen van 21 maart 2005. Weliswaar is niet komen vast te staan dat hij in dat verband een concrete termijn heeft genoemd waarop het dienstverband zou eindigen, maar dat neemt niet weg dat een werkgever, zoals in dit geval GVM, de genoemde uitlatingen heeft kunnen opvatten als zeer serieus bedoelde verklaringen omtrent een einde van het dienstverband op afzienbare termijn. Daar komt bij dat die indruk temeer kan zijn ingegeven door de reeds gevorderde leeftijd van [verweerder] die realisering van “de droom” op langere termijn onwaarschijnlijk maakte. Bovendien had het op de weg van [verweerder] gelegen, als hij toen al een verkeerde indruk had willen voorkomen of wegnemen, om klare wijn te schenken.

6.

Aldus is in ieder geval na het gesprek van 21 maart 2005 en de brief van [verweerder] van 1 april 2005 een situatie ontstaan waarin GVM mocht aannemen dat [verweerder] geen factor meer was waarmee zij bij de bepaling van het beleid in haar onderneming nog rekening kon houden. Waar [verweerder] kenbaar had gemaakt in dezelfde branche (loopbaanbegeleiding) een onderneming te willen opstarten was toen bovendien alleszins redelijk dat zij uit was op beëindiging van het dienstverband op betrekkelijk korte termijn. Een ondernemer zal immers niet snel geneigd zijn om een toekomstige concurrent nodeloos lang in de eigen keuken te laten kijken. Voor zover [verweerder] zich onvoldoende bewust is geweest van de consequenties van zijn uitlatingen tijdens de gesprekken op 17 januari en 21 maart 2005 en in zijn brief van 1 april 2005, komt zulks voor zijn rekening. Het is begrijpelijk dat GVM na die beeldvorming verder geen vertrouwen meer had in een voortgezette samenwerking. Het is voorts evident dat [verweerder] verantwoordelijk is voor de aldus ontstane situatie. Het beroep van [verweerder] op zijn brieven en e-mails, en op de onvoldoende welwillende opstelling van GVM, na 1 april 2005 kan hem niet baten, omdat, zoals hiervoor overwogen, toen het kwaad al was geschied en ook begrijpelijk is dat GVM niet gecharmeerd was van zijn pogingen om, door een draai te geven aan zijn eerdere uitlatingen, die als onbetekenend terzijde te schuiven. Bij het navolgende oordeel wordt ook meegewogen dat GVM steeds bereid is geweest met [verweerder] overleg te plegen over een – beperkte – “uitloopperiode” onder de paraplu van het dienstverband met haar.

7.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat aan de uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve een vergoeding zal worden verbonden van € 3.500,- bruto. De ontbinding zal, overeenkomstig het verzoek van [verweerder] en gelet op de bescheiden vergoeding, worden uitgesproken per 1 december 2005.

8.

Nu GVM geen vergoeding heeft aangeboden zal haar, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685, negende lid, BW, de gelegenheid worden geboden haar verzoek desgewenst in te trekken.

9.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, behoudens in het geval GVM haar verzoek alsnog intrekt, in welk geval zij tot betaling van die kosten wordt veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 december 2005 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van GVM van een vergoeding van € 3.500,- bruto;

- stelt GVM in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 18 november 2005 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval GVM het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 december 2005 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van GVM van een vergoeding van € 3.500,- bruto en veroordeelt GVM tot betaling van dat bedrag aan [verweerder] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval GVM het verzoek intrekt:

- veroordeelt GVM in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 7 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.