Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AU0444

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-07-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
278221 HA VERZ 05-488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding; disfunctioneren van bejaardenverzorgende; belang van afhankelijkheid van zorgvragers

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 278221 HA VERZ 05-488

datum : 29 juli 2005

BESCHIKKING

OP EEN VERZOEK TOT ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

in de zaak van:

de stichting DRIEZORG ZWOLLE, STICHTING VOOR WONEN, ZORG EN WELZIJN,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verzoekende partij, verder te noemen: “de Stichting”,

gemachtigde mr. L.R. van Hee, advocaat te Zwolle,

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: [verweerster],

gemachtigde mw. mr. A.J.W. Heideveld, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 14 juni 2005 met aangehechte producties,

- het verweerschrift van 15 juli 2005 met aangehechte producties en

- de bij brief van 18 juli 2005 door de Stichting nader ingezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 21 juli 2005. Verschenen zijn:

- namens de Stichting haar hoofd Zorg mw. B.W.J. Olde Bijvank en haar P&O adviseur mw Y.J.N. Woldberg, vergezeld van mr. Van Hee en

- [verweerster], vergezeld van mw. mr. Heideveld.

Het geschil

De Stichting heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] wegens gewichtige redenen.

[verweerster] heeft zich verzet tegen een ontbinding en aangevoerd dat, indien desondanks tot een ontbinding wordt gekomen, aan haar een vergoeding naar billijkheid dient te worden toegekend.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. De Stichting richt zich op personen die huisvesting, zorg en welzijn behoeven, in welk kader zij een verzorgingstehuis in stand houdt. In het tehuis zijn onder meer bejaardenverzorgenden werkzaam. In de functieomschrijving daarvan is onder andere vermeld dat een bejaardenverzorgende sociaal vaardig dient te zijn zodat kan worden verwacht dat op een respectvolle wijze met zorgvragers wordt omgegaan en de leefsfeer van de zorgvragers positief wordt beïnvloed.

b. [verweerster], geboren op [geboortedatum], is op 13 december 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van één jaar bij de Stichting in dienst getreden als bejaardenverzorgende. Het laatst door haar verdiende brutosalaris bedraagt € 1.411,34 per maand op basis van een aanstelling van (gemiddeld) 28 uren per week. Op de arbeidsovereenkomst is toepasselijk de CAO voor de Verpleeg- en Verzorgingshuizen.

c. Op 17 februari 2005 heeft de Stichting [verweerster] aangesproken op de onrust die [verweerster] zou veroorzaken bij collega’s, op haar ontevredenheid over haar inroostering en de door de Stichting ervaren inflexibiliteit van [verweerster]. In het door de Stichting van dat gesprek opgemaakte verslag is onder meer verwoord dat [verweerster] geen voorkeur mag hebben voor bepaalde bewoners en dat zij op professionele wijze moet omgaan met bewoners en collega’s.

d. In een gesprek op de ochtend van 21 april 2005 is [verweerster] aangesproken op (onder meer) de wijze waarop zij op 18 april 2005 een bewoner naar het toilet heeft gebracht en op het toilet heeft geplaatst en vervolgens niet heeft gewacht totdat deze bewoner klaar was door te gaan koffiedrinken.

e. Op de middag van 21 april 2005 is de Stichting gebeld door een arts van de RIAGG die zich erover heeft beklaagd dat [verweerster] een bejaarde vrouw die kampt met een oorlogssyndroom op een afgesloten toilet heeft geplaatst en deze bejaarde vrouw daar een half uur heeft laten zitten zodat zij hevig overstuur is geworden.

f. De Stichting heeft [verweerster] op 27 april 2005 op de klacht van de RIAGG-arts aangesproken, waarna [verweerster] heeft erkend vergeten te hebben de betrokken bejaarde van het toilet te halen. De Stichting heeft [verweerster] daarop met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld.

Het verzoek

De Stichting vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering in de omstandigheden, bestaande uit een onherstelbare breuk in het vertrouwen dat [verweerster] nog op een positieve wijze kan functioneren. Daartoe voert de Stichting aan dat in de periode van minder dan vijf maanden dat het dienstverband feitelijk heeft geduurd, gebleken is dat [verweerster], ondanks een gewekte enthousiaste indruk tijdens de sollicitatiegesprekken en ondanks daarop aangesproken, zich voortdurend inflexibel, oncollegiaal en onprofessioneel opstelt. Zo stelt [verweerster] regelmatig de inroostering ter discussie en klaagt zij achter de rug van leidinggevenden om, waarbij zij jegens haar collega’s de feiten verdraait. Onacceptabel is voorts haar respectloze gedrag in de richting van zorgvragers. [verweerster] benadert hen verkeerd door hen geen uitleg te geven over de handelingen die zij gaat verrichten en in het bijzonder door in het bijzijn van een zorgvrager deze als “dement” te betitelen. De druppel voor de Stichting is het feit dat [verweerster] een bejaarde vrouw met een oorlogssyndroom op het toilet heeft geplaatst, haar heeft gezegd dat ze daar een kwartier moest zitten en de alarmknop niet mocht gebruiken, vervolgens zowel de deur van het toilet als van het appartement heeft afgesloten terwijl zij wist dat die deuren open moesten blijven en dat zij daarna de vrouw is vergeten zodat die vrouw pas na een half uur van het toilet is gehaald. Die handelwijze is zodanig respectloos en onprofessioneel dat ieder draagvlak van [verweerster] is verdwenen, zowel bij de bewuste bewoner als bij collega’s. Ook het vertrouwen van de Stichting in een verder zinvol functioneren van [verweerster] is komen te vervallen. Er kan niet meer van de Stichting worden gevergd de arbeidsrelatie met haar voort te zetten. De Stichting heeft tot slot betoogd dat er geen aanleiding is om een vergoeding naar billijkheid toe te kennen.

Het verweer

[verweerster] heeft bestreden dat zij disfunctioneert. Wat betreft haar opmerkingen over de inroostering geldt dat de Stichting haar veel meer inzette dan de overeengekomen 28 uur per week. Door haar opmerkingen over het rooster, het aantal uren en het aantal nachtdiensten is zij slechts opgekomen voor haar rechten. Het is ook onjuist dat zij onrust onder collega’s heeft veroorzaakt. Het is voorts onjuist dat zij bewoners respectloos behandelt. In het bijzonder geldt dat het eerste verwijt niet terecht is omdat zij met een collega had afgesproken dat die de bewuste bewoner van het toilet zou halen. Het tweede verwijt is in zoverre juist dat zij helaas door de grote werkdruk is vergeten om die bejaarde vrouw van het toilet te halen. Daarvoor heeft zij ook haar excuses aangeboden. Onjuist is dat zij die vrouw heeft gezegd geen gebruik te maken van de alarmknop of dat zij die vrouw heeft opgesloten. Zij wist overigens niet dat de vrouw leed aan een oorlogssyndroom; dat stond ook niet in het dossier van die vrouw. Er is dan ook geen reden voor een beëindiging, te minder nu zij vanuit een langdurige bijstandssituatie eindelijk werk heeft gevonden, welk werk zij zeer prettig en zinvol vindt en het hier gaat om een jaarcontract. Indien er toch tot een ontbinding wordt gekomen, dient aan haar een vergoeding naar billijkheid te worden toegekend ten bedrage van € 1.524,25 bruto, aldus [verweerster].

De beoordeling

1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld artikel 7:685 lid 1 BW. Daarvan is in dit geval geen sprake.

2.

Omtrent de vraag of er sprake is van een verandering van omstandigheden die tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst noopt, wordt het volgende overwogen.

3.1

Vast staat dat [verweerster] als bejaardenverzorgende in een verzorgingstehuis, aldus als werknemer waarvan zorgvragende bejaarden in zekere mate afhankelijk zijn, een verantwoordelijke functie heeft waarin de Stichting als werkgever een zeker vertrouwen heeft te (kunnen) stellen. Voorts staat vast dat de Stichting met nadruk heeft verklaard dat zij ieder vertrouwen in een zinvolle verantwoorde voortzetting van het dienstverband heeft verloren. Gelet daarop, gezien het feit dat [verweerster] al feitelijk vanaf 27 april 2005 geen werkzaamheden meer voor de Stichting heeft verricht en zij niet tegen haar op non-actiefstelling is opgekomen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat de verstandhouding tussen partijen zodanig ernstig en duurzaam verstoord is geraakt dat een zinvolle en vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer tot de reële mogelijkheden moet worden geacht. Dit wordt aangemerkt als een zodanige wijziging van de omstandigheden dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding. Dit leidt tot het voornemen van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2005 te ontbinden.

3.2

In de leeftijd van [verweerster], het gegeven dat zij voorafgaande aan haar indiensttreding bij de Stichting in een langdurige periode van inactiviteit en bijstand heeft verkeerd, de ernstige gevolgen van een ontslag of de overige persoonlijke omstandigheden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang bezien, schuilt geen reden om van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te zien.

4.

Anders dan door [verweerster] bepleit, moet worden gebillijkt dat de Stichting het vertrouwen in haar heeft verloren.

4.1

Daarvoor is niet redengevend de (kennelijk herhaalde) discussie tussen partijen omtrent [verweerster]’ inroostering, nu die discussie, blijkens het door de Stichting overgelegde overzicht omtrent haar inroostering, er niet aan in de weg heeft gestaan dat [verweerster] flexibel is ingeroosterd en zij in dat kader ook nachtdiensten heeft gedaan en met enige regelmaat meer uren per week heeft gewerkt dan de overeengekomen (gemiddeld) 28 uren per week. Dat zij per saldo over een langere periode gemiddeld die uren heeft gewerkt, maakt dat niet anders.

4.2

De door de Stichting genoemde incidenten kunnen dat vertrouwensverlies echter wel dragen.

4.3

Wat betreft het eerste incident, voorgevallen op 18 april 2005, heeft [verweerster] de door de Stichting gestelde respectloze bejegening van de betreffende bejaarde zorgvrager weliswaar bestreden doch daarover heeft [verweerster] wel erkend dat zij, nadat zij die zorgvrager op het toilet had geholpen, vervolgens haar koffiepauze heeft laten prevaleren en het van het toilet halen aan een ander heeft overgelaten, te weten aan een activiteitenbegeleidster. Gelet op die kennelijke haast van [verweerster] heeft zij met haar betwisting van de rest niet het verwijt van de Stichting kunnen ontkrachten dat zij de bewuste bejaarde vrouw zonder aankondiging of het geven van nadere uitleg heeft meegenomen en op het toilet heeft geplaatst. Daarmee kan evenmin als onjuist worden beschouwd de stelling van de Stichting dat [verweerster], op die handelwijze aangesproken, in het bijzijn van de zorgvrager heeft gereageerd in bewoordingen als “dat zij niet de hele dag aan iedere oudere kon uitleggen wat zij ging doen en dat deze oudere mevrouw toch dement was”. Het is buiten discussie dat zo’n houding en handelwijze niet strookt met de aan haar functie te stellen eisen en dat zulks blijk geeft van een onjuiste houding tegenover en een onjuiste benadering van de door haar te verzorgen ouderen.

4.4

Aangaande het tweede incident, voorgevallen op de ochtend van 21 april 2005, staat vast dat [verweerster], nadat zij de bewuste zorgvrager op het toilet heeft geplaatst, niet aan een collega heeft gevraagd om voor haar die bejaarde vrouw van het toilet te helpen en dat zij die vrouw vervolgens heeft vergeten. [verweerster] heeft niet bestreden dat het vervolgens een half uur heeft geduurd voordat een collega die vrouw heeft ontdekt en van het toilet heeft geholpen. Nu vast staat dat die bejaarde vrouw beschikte over een alarmknop en die knop kennelijk pas na een half uur is gebruikt, is niet onaannemelijk, zoals de Stichting heeft aangevoerd, dat [verweerster] tegen die bejaarde vrouw heeft gezegd dat zij daar een kwartier moest zitten en dat zij geen gebruik mocht maken van die alarmknop. Gelet op de dezelfde dag door de arts van de RIAGG ondernomen actie in de richting van de Stichting is evenmin onaannemelijk dat [verweerster] de deur van het toilet heeft gesloten, zoals de Stichting uiteen heeft gezet. [verweerster] heeft niet bestreden dat die deur niet mocht worden afgesloten vanwege het oorlogssyndroom waarmee deze bejaarde vrouw kampt. Dat [verweerster] niet wist dat deze zorgvrager leed aan een oorlogssyndroom, zoals zij aanvoert, acht de kantonrechter niet ter zake aangezien uit het in de voor [verweerster] beschikbare zorgmap gevoegde indicatierapport d.d. 18 februari 2005 duidelijk blijkt dat deze bejaarde vrouw in de oorlog nare ervaringen heeft gehad en dat dit haar erg bezig houdt. Uit de in de zorgmap gevoegd dagrapportage blijkt eveneens duidelijk dat een collega van [verweerster] op 14 april 2005 heeft genoteerd dat mevrouw vanwege haar oorlogsherinneringen wilde dat de deur openbleef. Gelet op die rapportages, waarvan vast staat dat een bejaardenverzorgende daar voor iedere dienst kennis van dient te nemen en van welke eis ook [verweerster] op de hoogte was, zo is ter zitting gebleken, moet het verweer van [verweerster] dat zij niet van een en ander wist als onbegrijpelijk worden betiteld, te meer nu zij zich ter zitting met nadruk op heeft beroepen dat zij met deze vrouw zo’n goede band had.

Een en ander wettigt de conclusie dat [verweerster] ook met dit incident op ernstige wijze is tekort geschoten in de op haar rustende verplichtingen als bejaardenverzorgende. Dit klemt te meer nu de zorgvragers geacht kunnen worden in zekere mate van haar afhankelijk en minder weerbaar te zijn.

4.5

De door [verweerster] genoemde werkdruk als oorzaak van (in ieder geval) het incident van 21 april 2005 kan, nog daargelaten dat de Stichting die werkdruk heeft bestreden, geenszins als een rechtvaardiging vormen voor het negeren van haar verantwoordelijkheden, zoals hierboven verwoord.

5.

Anders dan [verweerster] betoogt, staat aan dat verlies aan vertrouwen niet in de weg dat de Stichting geen formele functioneringsgesprekken met [verweerster] heeft gehouden en/of aan haar formele waarschuwingsbrieven heeft verzonden. Buiten discussie is immers dat de Stichting, al voordat haar het incident van 21 april 2005 was gebleken, [verweerster] een aantal malen op haar houding en functioneren had aangesproken. Dat de Stichting het functioneren van [verweerster] niet ook bij de loopbaanbegeleidster van “Serin Mens en Werk” aan de orde heeft gesteld, maakt het voorgaande evenmin anders, te minder nu vast staat dat het laatste gesprek met die begeleidster heeft plaatsgevonden op 9 maart 2005 terwijl de incidenten zijn voorgevallen op 18 en 21 april 2005.

6.

Nu de ontbindingsgrond in overwegende mate aan [verweerster] is te wijten, is er geen reden om aan haar ten laste van de Stichting een vergoeding naar billijkheid toe te kennen, te minder aangezien zij vanaf 27 april 2005 van het verrichten van haar arbeidsprestatie is vrijgesteld onder behoud van haar salaris.

7.

Aangezien aan de uit te spreken ontbinding geen vergoeding ten laste van de Stichting wordt verbonden, behoeft haar geen termijn te worden vergund om het verzoek desgewenst in te trekken.

8.

Er is voldoende aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 augustus 2005;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 29 juli 2005, in tegenwoordigheid van W.H. Kroeze, griffier.