Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AT9353

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/889
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2006:AY9704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag REA-vergoeding in het kader van het uitoefenen van werk c.q. het behoud van werk.

Verweerder heeft eiser bericht de gevraagde vergoeding niet toe te kunnen kennen, omdat de verstrekking van het hoortoestel primair bij de zorgverzekeraar ligt en vanuit de Wet Rea geen aanvullende bevoegdheid voor het vergoeden van het resterend bedrag bestaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 04/889

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. F. Reith,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Hilversum) verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 18 juni 2004.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 5 februari 2004 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn aanvraag om vergoeding van zijn hoortoestel niet wordt gehonoreerd op basis van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA).

Tegen dit besluit is op 20 februari 2004 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 13 juli 2004 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 11 augustus 2004 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 17 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door mevrouw mr. F. Reith, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R. van den Brink, werkzaam bij verweerder.

3. Motivering

Eiser is werkzaam als bewakingsmedewerker. Eiser is rechts volledig doof, links is hij aangewezen op het gebruik van een hoortoestel.

Na een audiologisch onderzoek heeft eiser een hoortoestel aangeschaft van € 1370,76, waarvan een bedrag van € 548,50 is vergoed door zijn zorgverzekeraar.

Voor het restant van € 822,26 heeft eiser op 27 oktober 2003 verweerder een vergoeding in het kader van de Wet REA verzocht. Daarbij heeft de bedrijfsarts van Maetis Arbo een verklaring afgegeven luidende: “Ik ben van mening dat hij (=eiser) aanspraak kan maken op een REA-vergoeding in het kader van het uitoefenen van zijn werk c.q. het behoud van zijn werk.“

Bij besluit van 5 februari 2004 heeft verweerder eiser bericht de gevraagde vergoeding niet toe te kunnen kennen, omdat de verstrekking van het hoortoestel primair bij de zorgverzekeraar ligt en vanuit de Wet Rea geen aanvullende bevoegdheid voor het vergoeden van het resterend bedrag bestaat. Namens eiser is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij overwogen:

“Volgens ons beleid met betrekking tot het verstrekken van een gehoortoestel, dient er een indicatie te zijn waaruit blijkt dat de gebruiker is aangewezen op een gehoortoestel (dat wil zeggen dat het gehoortoestel nodig is in zowel de privé-sfeer als op het werk). Wanneer de aanvrager van een gehoortoestel voldoet aan de indicatie, ligt de verstrekking van het hoortoestel bij de zorgverzekeraar. Vanuit de Wet REA is dan geen aanvullende bevoegdheid voor het vergoeden van de (verplichte) eigen bijdrage.

Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 29 januari 2004 blijkt dat u aangewezen bent op een gehoorapparaat. Er is dus sprake van een indicatie. Uw zorgverzekeraar heeft slechts een gedeelte van het aankoopbedrag vergoed. Wij zijn, conform bovenstaand beleid, van mening dat er vanuit de Wet REA geen aanvullende bevoegdheid is voor het vergoeden van het resterend bedrag van € 822,26 voor het gehoortoestel.”

Verweerder is in het verweerschrift ingegaan op hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, in het bijzonder naar aanleiding van de verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Zutphen dd.29 maart 2004, betreffende vergoeding van een resterend bedrag aan kosten voor hoortoestellen. Daarin heeft die rechtbank overwogen dat zij er niet ervan overtuigd is dat de regelgever met art.2 Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA een aanvullende bevoegdheid waar het betreft voorzieningen als hier in geding, welke liggen op het gebied van de gezondheidszorg, heeft willen uitsluiten. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat de in het Reïntegratie-instrumentenbesluit wet REA neergelegde regeling niet is bedoeld als een van de voor 1 januari 2002 geldende beleidslijn afwijkende regeling. Naar de opvatting van verweerder heeft de regelgever wel degelijk voorzieningen welke liggen op het gebied van de gezondheidszorg willen uitsluiten voor zover een dergelijke voorziening bestemd is voor zowel gebruik in de thuissfeer als in de werksfeer. Een dergelijke voorziening, aldus verweerder, dient exclusief vanuit de wettelijke ziektekostenverzekering te worden gefinancierd. Voor vergoeding op grond van de Wet REA van een eventuele eigen bijdrage bestaat dan ook naar het oordeel van verweerder geen ruimte.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting medegedeeld dat het hoger beroep tegen genoemde uitspraak van de rechtbank Zutphen is ingetrokken aangezien het in die zaak ging om een voorziening die uitsluitend bestemd was voor de werksituatie.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder ter zake van de in het geding zijnde (extra) kosten van een hoortoestel aanvullend bevoegd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft verweerder verzocht hem in het kader van de Wet REA een vergoeding te verlenen voor de door hem gemaakte meerkosten voor een gehoorapparaat dat extra voorzieningen bevat die het hem mogelijk maken zijn werk als bewakingsmedewerker te blijven verrichten. Dit betreft met name een extra voorziening die het eiser mogelijk maakt mobiel te telefoneren.

Eiser heeft steeds betoogd dat het gaat om de extra kosten die hij heeft moeten maken voor een voor zijn werksituatie geschikt hoortoestel. Een dergelijk toestel zou eiser niet voor de thuissituatie nodig hebben (en ook niet hebben aangeschaft).

De rechtbank stelt vast, dat verweerder dit aspect van eisers verzoek geheel heeft genegeerd. Blijkens het gevoerde verweer heeft verweerder aangenomen dat eisers gehoorapparaat bestemd is voor zowel de thuissituatie als de werksituatie.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder in elk geval dienen na te gaan of eisers stelling dat hij meerkosten heeft moeten maken voor een voor zijn werk geschikt gehoorapparaat juist is (hetgeen iets geheel anders is dan het moeten betalen van een verplichte eigen bijdrage, zoals verweerder stelt). Een op dit bijzondere aspect toegesneden motivering had in het besluit niet mogen ontbreken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit reeds dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel respectievelijk het beginsel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering, welke beginselen zijn verankerd in art. 3:2 respectievelijk art. 3:46 van de Awb.

Met het oog op een nieuw te nemen besluit op bezwaar overweegt de rechtbank nog het volgende. Indien de stelling van eiser juist is bevonden wordt acht de rechtbank redenen aanwezig om te oordelen dat er voor zover het de bedoelde meerkosten betreft sprake is van een directe noodzaak uitsluitend voor werksfeer.

In navolging van de uitspraak van de rechtbank Zutphen, waarnaar hierbij wordt verwezen, ziet de rechtbank bovendien in de desbetreffende bepalingen geen verhindering om een zodanige aanvullende bevoegdheid aan te nemen.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting).

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt aan verweerder op een besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiser heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,00, deze kosten te betalen door het UWV;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht ad 37,00 vergoedt.

Gewezen door mevrouw mr. M.A. Pach en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2005 in tegenwoordigheid van mevrouw mr. F. Ernens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op