Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AT3831

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
07.440271-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag door messteek in maagstreek; voorwaardelijk opzet afgeleid uit uiterlijke verschijningsvorm en algemene ervaringsregels; feitelijke weerlegging beroep op noodweer (exces)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Politierechter

Parketnummer: 07.440271-04

Uitspraak: 11 april 2005

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2005. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Lem, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. Timmer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

- onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1906, 28

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2004 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans

hij op of omstreeks 19 mei 2004 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

BEWIJS

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2004 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer [benadeelde partij] met een mes met een lemmet van ca 11 cm in de buik heeft gestoken. Als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat zich in de buik diverse vitale organen bevinden. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer een fatale verwonding (zoals een ernstige bloeding of perforatie) zou oplopen en als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Verdachte heeft derhalve voorwaardelijk zijn opzet op de dood van het slachtoffer [benadeelde partij] gericht gehad.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Door de verdediging is betoogd dat verdachte [benadeelde partij] heeft gestoken uit noodweer (exces). De politierechter overweegt hiertoe als volgt:

Uit de verklaringen van [getuigen] en verdachtes eigen verklaring leidt de politierechter af dat tussen verdachte en het latere slachtoffer [benadeelde partij] een handgemeen heeft plaatsgevonden, waarbij over en weer is getrokken en geduwd. De politierechter acht aannemelijk dat verdachte tijdens dit handgemeen op enig moment bij of in de nabijheid van de keel is vastgepakt door het latere slachtoffer [benadeelde partij]. Op grond van het onderzoek is echter niet aannemelijk geworden dat verdachte bij (of in de nabijheid van) de keel werd vastgehouden op het moment dat hij het mes pakte en daarmee instak op het lichaam van [benadeelde partij]. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf was op dat moment derhalve geen sprake. De politierechter heeft zich bij dit oordeel mede gebaseerd op de verklaringen van [getuige] ( - zakelijk weergegeven – dat [benadeelde partij] iets naar achteren liep en dat verdachte op dat moment een steekbeweging maakte) en [getuige] ( - zakelijk weergegeven – dat [getuige] zich iets omdraaide en met zijn rechterhand een mes pakte dat op de tafel in het rookhok lag).

Het primair bewezene levert op:

“poging tot doodslag”, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht

STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de politierechter de na te noemen beslissing passend.

Daarbij overweegt de politierechter nog het volgende:

Tussen verdachte en het slachtoffer (tevens zijnde zijn zwager) speelden problemen in de familiesfeer. Verdachte heeft op de bewuste 19 mei 2004 zijn zwager op hun beider werkplek geprovoceerd hetgeen heeft geleid tot een scheldpartij en een handgemeen waarbij het ‘over en weer ging’. Verdachte heeft op enig moment – terwijl daar geen enkele aanleiding voor was - met een mes op zijn zwager ingestoken hetgeen een buikwond tot gevolg heeft gehad. Verdachte mag van geluk spreken dat dit geweld voor het slachtoffer geen ernstiger gevolgen heeft gehad. Feiten als deze hebben in het algemeen een grote impact op slachtoffers die daarvan nog geruime tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Blijkens het ingediende voegingsformulier ondervind het slachtoffer ook die psychische gevolgen.

Blijkens het uittreksel uit het documentatieregister is verdachte eerder terzake een geweldsmisdrijf met justitie in aanraking geweest.

Gelet op de ernst van het feit en de recidive van verdachte, is naar het oordeel van de politierechter een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur de meest passende.

De politierechter houdt in strafmatigende zin enigszins rekening met het feit dat het slachtoffer zich op het punt van agressie ook niet onbetuigd heeft gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat het mes dient te worden verbeurd verklaard, omdat het een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a en 36f.

Benadeelde partij

De politierechter overweegt verder dat [benadeelde partij], ter zake van het onder primair bewezen verklaarde feit, zich via het voorgeschreven formulier als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces, en opgave heeft gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van € 3906,28, bestaande uit € 2000 als voorschot voor immateriële schade.

De hoogte van de immateriële schade is, gelet op de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1000.

De hoogte van de materiële schade is, gelet op de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 534.

De toegekende schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de politierechter voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De politierechter zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De politierechter zal voorts terzake van het onder primair bewezen verklaarde aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van € 1534 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank verklaart verbeurd het mes.

De politierechter veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde p[benadeelde partij], wonende te [adres], van een bedrag van € 1534.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De politierechter legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1534, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De politierechter bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De politierechter bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. Heins, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2005.