Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS7267

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
244105 CV 04-8873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, Dexiazaak, beroep op niet-meetekenen echtgenoot gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 244105 CV 04-8873

datum : 2 februari 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde Hanze Gerechtsdeurwaarders te Zwolle,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigden mr. H.J. Tulp te Heerenveen en mr. F. Klemann te Zwolle.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens houdende (niet incidenteel) verzoek tot verwijzing van de zijde van [gedaagde];

- een vonnis van deze rechtbank, sector civiel, van 14 juli 2004, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, is verwezen naar de rolzitting van woensdag 11 augustus 2004 om 10.00 uur.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Dexia daarna niet meer –in conventie noch in reconventie- geconcludeerd.

Het geschil

In conventie:

De vordering van Dexia strekt ertoe dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan Dexia te betalen de som van € 12.667,51, vermeerderd met de contractuele rente van 0.96 % per maand, althans de wettelijke rente, over € 11.337,36 vanaf 7 oktober 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft de vordering betwist.

In reconventie:

[gedaagde] heeft gevorderd –voorzover de kantonrechter dat verstaat- dat, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst vernietigd is door de brief van de echtgenoot van [gedaagde] van 18 maart 2003, althans dat deze wordt vernietigd op grond van artikel 1:88 BW en/of dwaling;

b) de overeenkomst wordt ontbonden c.q. ontbonden wordt verklaard wegens wanprestatie;

c) Dexia wordt veroordeeld aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.106,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2002, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

d) Dexia wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de registratie en de A-codering bij het BKR te doen doorhalen als ten onrechte te zijn geschied, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat

e) voorwaardelijk, namelijk indien het beroep van [gedaagde] op vernietiging c.q. nietigverklaring wegens dwaling zou worden toegewezen, en Dexia zich terzake zou beroepen op artikel 6:278 BW, dat beroep van Dexia wordt afgewezen, althans de overeenkomst wordt gewijzigd op de voet van artikel 6:278 lid 2 BW in die zin dat het nadeel dat [gedaagde] door zijn dwaling heeft geleden (de door hem betaalde € 4.106,16 enerzijds en de ontstane schuld voor Dexia anderzijds) wordt opgeheven;

f) subsidiair: de gevraagde uitvoerbaarheidverklaring wordt afgewezen;

g) subsidiair: voor het geval dat bij tussenvonnis aan [gedaagde] enige bewijslast wordt toebedeeld en/of de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen wordt bepaald dat tegen dat tussenvonnis tussentijds appel openstaat;

h) subsidiair: bij gehele of gedeeltelijke veroordeling uitvoerbaarheid bij voorraad van [gedaagde] tot betaling aan Dexia wordt bepaald dat Dexia zekerheid moet stellen als omschreven in punt 19 van de door [gedaagde] genomen conclusie;

i) Dexia wordt veroordeeld aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.106,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2002, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

j) Dexia wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de registratie en de A-codering bij het BKR te doen doorhalen als ten onrechte te zijn geschied, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft.

k) dat Dexia in de kosten wordt veroordeeld.

Dexia heeft geen verweer gevoerd.

De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken –mede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voorzover die niet is betwist- het volgende vast:

1.1

Dexia is rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., die ook handelde onder de handelsnaam Legio-Lease. Met Dexia wordt hierna ook Bank Labouchere bedoeld.

1.2

Op of omstreeks 2 juni 2000 (onder contractnummer 74489442) is tussen Dexia en [gedaagde] een overeenkomst van effectenlease, aangeduid als het product “WinstVerDriedubbelaar”, tot stand gekomen. Hierna zal de effectenlease overeenkomst “de overeenkomst” worden genoemd. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing, te weten de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease.

1.3

De overeenkomst komt er op neer dat [gedaagde] geld leent van Dexia waarmee Dexia voor risico van [gedaagde] aandelen koopt. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst, gedurende welke [gedaagde] maandelijks rente betaalt over het geleende bedrag, heeft [gedaagde] de keuze tussen 1) verlenging van de overeenkomst, 2) uitlevering van de aandelen tegen aflossing van de lening en 3) verkoop van de aandelen en aflossing van de lening (onder verrekening van de verkoopprijs).

1.4

Volgens de overeenkomst bedraagt het totale bedrag waarmee de aandelen worden aangekocht € 19.569,00. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 23.675,16. Het gedurende 36 maandtermijnen door [gedaagde] te betalen maandbedrag bedraagt € 114,06. In totaal heeft hij € 4.106,16 betaald.

1.5

De looptijd van de overeenkomst is verstreken. In verband daarmee heeft Dexia (na verkoop door haar van de aandelen) aan [gedaagde] een eindafrekening gezonden voor een totaalbedrag van € 11.337,36.

1.6

[gedaagde] is gehuwd met N. [gedaagde]-Loning. Bij schrijven van 18 maart 2003 heeft zij op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW wegens het ontbreken van haar toestemming tot het aangaan van voormelde overeenkomst, de overeenkomst vernietigd. Daarbij is Dexia tevens gesommeerd de door [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst aan Dexia betaalde termijnen terug te betalen.

1.7

Dexia heeft de lening en de vordering die zij uit dien hoofde op [gedaagde] stelt te hebben bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel (BKR) laten registreren. Daar heeft de lening een A-codering gekregen.

De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

2.1

In conventie heeft Dexia gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld zal worden om aan haar te betalen het bedrag van de eindafrekening, te vermeerderen met de over de periode 2 juni 2003 tot en met 6 oktober 2003 vervallen contractuele rente (volgens Dexia € 400,76 bedragende), de vanaf 7 oktober 2003 nog te vervallen contractuele dan wel wettelijke rente en een bedrag van € 929,39 wegens buitengerechtelijk incassokosten.

[gedaagde] heeft daartegen als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de overeenkomst middels de brief van zijn echtgenote buitengerechtelijk is vernietigd door het beroep van zijn echtgenote op het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 onder d BW juncto artikel 1:89 BW. Hij heeft daarom in reconventie onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst vernietigd is. Voorts heeft hij in reconventie de veroordeling van Dexia tot (terug)betaling aan hem van een bedrag van € 4.106,16 gevorderd. Omtrent dit verweer wordt het volgende overwogen.

2.2

De vraag die eerst beantwoord zal moeten worden is of de overeenkomst aangemerkt dient te worden als een overeenkomst van koop op afbetaling. Het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 onder d BW ziet immers op dergelijke overeenkomsten.

Dexia heeft (in de door haar uitgebrachte dagvaarding) betwist dat de overeenkomst aangemerkt kan worden als een overeenkomst van koop op afbetaling. Dit standpunt wordt echter niet gedeeld. Op grond van dezelfde redenen als de rechtbank, sector civiel, in het verwijzingsvonnis van 14 juli 2004 heeft geoordeeld, is ook de kantonrechter van oordeel dat de in het geding zijnde overeenkomst aangemerkt kan worden als een huurkoopovereenkomst en daarmee dus ook als een overeenkomst van koop op afbetaling.

2.3

Na voormelde vaststelling dat de overeenkomst als een overeenkomst van koop op afbetaling aangemerkt moeten worden, rijst de vraag of het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 onder d BW ziet op overeenkomsten van koop op afbetaling die geen betrekking hebben op zaken, maar op vermogensrechten (niet zijnde registergoederen), gelijk de onderhavige overeenkomst die betrekking heeft op effecten.

Dexia heeft (in de uitgebrachte) dagvaarding aangevoerd dat voormeld artikel slecht ziet op zaken. Anders dan Dexia is de kantonrechter van oordeel dat voor een effectenlease overeenkomst als de onderhavige wèl de toestemming vereist is van de andere, niet contracterende echtgenoot. Dit wordt gebaseerd op de volgende argumentatie, die mede ontleend is aan het Advies aan de Commissie Geschillen Aandelenlease van 24 februari 2004 van prof. mr. C.J.H. Brunner en mr. H.L.J. Roelvink en met de inhoud waarvan de kantonrechter zich verenigt.

Artikel 1:88 BW geeft niet aan wat onder koop op afbetaling als in dat artikel bedoeld verstaan moet worden. In de parlementaire geschiedenis van dat artikel wordt in de (op 27 december 1984 ingediende) memorie van antwoord door de minister onder meer het volgende opgemerkt: “Wat koop op afbetaling is, is gedefinieerd in artikel 1576 lid 1 en lid 2; de beperking van artikel 1576 lid 3 is echter niet van toepassing, zodat ook bijvoorbeeld huurkoop van onroerende zaken en schepen onder 88 valt”. De zinsneden “gedefinieerd in artikel 1576 lid 1 en lid 2” en “de beperking van artikel 1576 lid 3” duiden erop, gelet op de huidige redactie van artikel 1576 BW, waarin (anders dan in artikel 1576 oud-BW) in lid 2 niets vermeld wordt omtrent de definitie van koop op afbetaling en in lid 3 evenmin (anders dan in artikel 1576 oud-BW) de door de door de minister genoemde beperking te vinden is, dat de minister het destijds nog geldende artikel 1576 oud-BW, dat slechts drie leden telde, voor ogen heeft gehad. Nu volgens artikel 1576-oud BW koop op afbetaling ziet op “zaken” en voor de betekenis daarvan te rade gegaan moet worden bij artikel 559-oud BW, blijkens welk artikel “zaken” zowel lichamelijk als onlichamelijk konden zijn (en daar dus ook vermogensrechten onder vielen) en overigens blijkens de betreffende stukken tijdens de parlementaire behandeling van artikel 1:88 BW na de memorie van antwoord, de betekenis van de term koop op afbetaling in lid 1 onder d niet meer aan de orde is geweest, kan naar het oordeel van de kantonrechter moeilijk tot een ander oordeel gekomen worden dan dat het toestemmingsvereiste in artikel 1:8 BW niet alleen ziet op afbetalingstransacties met betrekking tot zaken (in de betekenis van artikel 3:2 BW), maar ook op afbetalingstransacties met betrekking tot vermogensrechten (niet zijnde registergoederen) zoals effecten. Zou een wijziging beoogd zijn ten opzichte van artikel 87 oud-BW, het artikel dat aan artikel 1:88 BW voorafging, en volgens welk artikel, kort gezegd, de ene echtgenoot slechts met medewerking van de andere echtgenoot zaken op afbetaling kon kopen, en onder vigeur van welke artikel voorts buiten discussie was dat dat artikel ook betrekking had op koop op afbetaling van onlichamelijke zaken (vermogensrechten), dan zou een dergelijke wezenlijke wijziging, naar het oordeel van de kantonrechter, stellig onderwerp van parlementair debat zijn geweest. Daarvan is, gezien op de parlementaire stukken, geen sprake geweest. Een reden te meer om aan te nemen dat het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW ook ziet op het aangaan van effectenlease overeenkomsten als de onderhavige is gelegen is de ratio van artikel 1:88 BW dat immers tot doel heeft in het belang van het gezin, de echtgenoten tegen zichzelf en tegen elkaar te beschermen. Waarom die bescherming slechts zou gelden bij koop op afbetaling van zaken (als bedoeld in artikel 3:2 BW) en niet ook bij vermogensrechten, valt niet in te zien. Juist bij het aangaan van effectenlease overeenkomsten, waarbij risicovolle beleggingen worden aangegaan, komt het geven van toestemming door de andere echtgenoot geïndiceerd voor.

2.4

De conclusie van hetgeen onder rechtsoverweging 2.3 is overwogen is dan ook dat Dexia voor het aangaan van de overeenkomst de toestemming had moeten hebben van de echtgenote van [gedaagde]. Vaststaat echter dat Dexia die toestemming niet gegeven heeft en dat zij om die reden de overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd heeft. Nu [gedaagde] een beroep heeft gedaan op die vernietiging zal de overeenkomst dan ook als vernietigd worden beschouwd. Bijgevolg is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, met terugwerkende kracht daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient derhalve als onverschuldigd te worden terugbetaald. Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [gedaagde] en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [gedaagde], waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van [gedaagde] komen. Dit uitgangspunt brengt mee dat Dexia niets te vorderen heeft van [gedaagde], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Dit betekent dat de vordering in conventie zal worden afgewezen.

De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is vernietigd door de brief van de echtgenote van [gedaagde] zal worden toegewezen. Tevens is Dexia gehouden al hetgeen [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst aan Dexia betaald heeft aan hem als onverschuldigd te restitueren. De in reconventie gevorderde veroordeling van Dexia tot betaling van een bedrag van € 4.106,16 zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data waarop de respectieve termijnen zijn betaald.

2.5

Het vorenstaande in aanmerking nemende, zal de reconventionele vordering tot doorhaling van de registratie en de A-codering bij het BKR worden toegewezen, zij het dat de gevorderde dwangsom zal worden bepaald op € 1.000,00 per dag en gemaximeerd tot € 50.000,00.

2.6

Gelet op al het vorenstaande heeft [gedaagde] bij bespreking van hetgeen hij overigens in conventie en in reconventie nog heeft doen aanvoeren geen belang meer, zodat zijn betoog in zoverre verder buiten beschouwing zal blijven.

2.7.

Dexia zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen, waarin begrepen is het door [gedaagde] betaalde vastrecht nu de zaak (ten onrechte) is aangebracht bij de sector civiel van de rechtbank.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

- wijst de vordering van Dexia af;

- veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde]

vastgesteld op € 465,--;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

- veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van

€ 4.106,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over de door [gedaagde] betaalde

maandelijkse termijnen telkens vanaf de respectieve data waarop die termijnen betaald zijn;

- veroordeelt Dexia om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de registratie en de

A-codering bij het BKR te laten doorhalen als ten onrechte te zijn geschied, zulks op straffe

van een (tot € 50.000,00 gemaximeerde) dwangsom van € 1.000,00 per dag dat Dexia

daarmee in gebreke blijft;

- veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde]

vastgesteld op € 225,-- voor salaris gemachtigde;

- verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- verklaart voor recht dat de overeenkomst WinstVerdrieDubbelaar (contractnummer

74489442) is vernietigd door de brief van de echtgenote van [gedaagde] van 18 maart 2003;

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.