Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS7265

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
259073 CV 04-15047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, Dexiazaak, beroep op Wet Consumentenkrediet gaat niet op omdat geleende geldsom hoger is dan f. 50.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Lelystad

Zaaknr.: 259073 CV 04-15047

datum : 9 februari 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie, tevens voorwaardelijke conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde Hanze Gerechtsdeurwaarders te Zwolle

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie, tevens voorwaardelijke conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. M.H. de Vries.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding;

- een conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van de zijde van [gedaagde];

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte tot voorwaardelijke wijziging van eis in conventie van de zijde van Dexia;

- een conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens antwoordakte voorwaardelijke wijziging eis in reconventie van de zijde van [gedaagde];

- een conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte houdende correctie voorwaardelijke wijziging van eis van de zijde van Dexia;

- een akte uitlating producties tevens akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde].

- een vonnis van deze rechtbank, sector civiel, van 24 november 2004, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt is verwezen naar de rolzitting van woensdag 22 december 2004 van de sector kanton van deze rechtbank, locatie Lelystad.

Het geschil

In conventie:

De vordering van Dexia strekt ertoe dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan Dexia te betalen de som van € 16.451,67, vermeerderd met de contractuele rente van 0.96 % per maand, althans de wettelijke rente, over € 14.946,75 vanaf 12 augustus 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Voorwaardelijk, voor het geval dat de vordering in conventie wordt afgewezen en de vordering in reconventie wordt toegewezen, heeft Dexia de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoop- en de verkoopwaarde van de in artikel 1 van de lease-overeenkomst genoemde effecten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft de vorderingen, zowel in conventie als in voorwaardelijke conventie, betwist met conclusie dat Dexia in haar vordering(en) niet ontvankelijk wordt verklaard, althans dat haar eis geheel of gedeeltelijk wordt ontzegd, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

In reconventie:

De vordering van [gedaagde] strekt ertoe dat Dexia zal worden veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.519,80, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de datum waarop dit bedrag door [gedaagde] destijds is voldaan aan Dexia, althans vanaf 10 december 2003, zijnde de datum waarop de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie werd ingediend, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

Voorwaardelijk, voor het geval dat geoordeeld wordt dat het verweer van [gedaagde] in conventie niet kan slagen, heeft [gedaagde] gevorderd dat voor recht verklaard wordt dat de WinstVerDriedubbelaar (contractnummer 74581071) nietig is, althans deze te vernietigen, althans geheel, en/of gedeeltelijk te ontbinden, en/of dat Dexia veroordeeld wordt om aan [gedaagde] te betalen een bedrag gelijk aan de in conventie toegewezen vordering van Dexia, althans een bedrag van € 14.946,75, te vermeerderen met wettelijke rente, berekend vanaf de datum van dagvaarding (5 september 2003), althans vanaf 2 juni 2004, zijnde de datum waarop de conclusie van antwoord ter rolle wordt ingediend, tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

Dexia heeft de vordering –zowel in reconventie als in voorwaardelijke reconventie- betwist met conclusie dat [gedaagde] niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans hem deze wordt ontzegd, met verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

De vaststaande feiten

In conventie, voorwaardelijke conventie, reconventie en in voorwaardelijke reconventie

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken –mede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voorzover die niet is betwist- het volgende vast:

1.1

Dexia is rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., die ook handelde onder de handelsnaam Legio-Lease. Met Dexia wordt hierna ook Bank Labouchere bedoeld.

1.2

Op of omstreeks 29 maart 2000 is tussen Dexia en [gedaagde] (onder contractnummer 74581071) een overeenkomst van effectenlease, aangeduid als het product “WinstVerDriedubbelaar”, tot stand gekomen. Hierna zal de effectenlease overeenkomst “de overeenkomst” worden genoemd. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing, te weten de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease.

1.3

De overeenkomst komt er op neer dat [gedaagde] geld leent van Dexia waarmee Dexia voor risico van [gedaagde] aandelen koopt. Over die lening betaalt [gedaagde] rente tot een bedrag van € 4.519,80, te voldoen op of omstreeks de eerste dag van de maand volgend op de eerste aankoopdag van de aandelen.

1.4

Na afloop van de looptijd van 36 maanden heeft [gedaagde] de keuze tussen 1) verlenging van de overeenkomst, 2) uitlevering van de aandelen tegen aflossing van de lening en 3) verkoop van de aandelen en aflossing van de lening (onder verrekening van de verkoopprijs).

1.5

Volgens de overeenkomst bedraagt het totale bedrag waarmee de aandelen worden aangekocht € 23.933,25. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 28.453,05. Volgens de overeenkomst bestaat die leasesom uit voormeld rentebedrag, een bedrag van f 100,00, te betalen op of omstreeks de 35e maand, en uit het aan het einde van de overeenkomst nog te betalen restant van het totale aankoopbedrag.

1.6

De looptijd van de overeenkomst is verstreken. In verband daarmee heeft Dexia (na verkoop door haar van de aandelen) aan [gedaagde] een eindafrekening gezonden voor een totaalbedrag van € 14.946,75.

De beoordeling van het geschil

In conventie, voorwaardelijke conventie, reconventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1

In conventie heeft Dexia gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld zal worden om aan haar te betalen het bedrag van de eindafrekening, te vermeerderen met de over de periode 28 maart 2003 tot en met 11 augustus 2003 vervallen contractuele rente (volgens Dexia in totaal € 575,53 bedragende), de vanaf 12 augustus 2003 nog te vervallen contractuele dan wel wettelijke rente en een bedrag van € 929,39 als vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voorzover dienstig zal op dat verweer hierna worden ingegaan.

2.2

[gedaagde], die zich heeft aangesloten bij de stichting Stichting Leaseverlies, heeft onder meer betoogd dat Dexia misbruik van bevoegdheid maakt door hem individueel aan te spreken zonder eerst de beslissing in de procedure tussen de stichting Stichting Leaseverlies en Dexia bij de rechtbank Amsterdam af te wachten, terwijl de uitkomst van die procedure, die volgens [gedaagde] in de kern gelijk is aan de onderhavige procedure, van groot belang is voor de positie van [gedaagde] ten opzichte van Dexia.

Dit betoog van [gedaagde] wordt niet gevolgd. De beoordeling van de over en weer ingestelde vorderdingen vergt een analyse van de concrete omstandigheden van het geval. De zaak die de stichting Stichting Leaseverlies heeft aangespannen betreft echter een collectieve actie namens een groot aantal beleggers. Niet te verwachten is dat in die procedure de individuele omstandigheden van elk afzonderlijk geval aan bod zullen komen. Derhalve kan niet worden volgehouden dat Dexia haar bevoegdheid misbruikt door [gedaagde] individueel in rechte te betrekken.

2.3

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd, kort samengevat, dat op grond van diverse bepalingen uit de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) de overeenkomst nietig c.q. vernietigbaar is.

Dit verweer gaat niet op. Artikel 3 van de WCK geeft een maximumkredietsom aan waarboven de WCK niet geldt. Ten tijde van de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst bedroeg dat maximumbedrag f 50.000,00, terwijl het totale bedrag waarvoor de onderhavige aandelen zijn aangekocht (het krediet dus) f 52.741,94 beliep. Dit brengt met zich dat de WCK niet van toepassing is op de onderhavige overeenkomst. Nu de WCK de werking van die wet uitdrukkelijk buiten toepassing verklaart bij overschrijding van het maximumbedrag, bestaat er evenmin ruimte –anders dan door [gedaagde] wordt voorgestaan- voor analoge toepassing van de bepalingen uit die wet.

2.4

[gedaagde] heeft voorts doen aanvoeren dat zijn echtgenote bij schrijven van 9 september 2003 de overeenkomst ex artikel 1:89 BW buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dexia heeft dit niet betwist, maar heeft aangevoerd –zonder dit overigens op enigerlei wijze nader te motiveren- dat zij niet berust in die vernietiging.

Nu de echtgenote van [gedaagde] blijkens genoemde brief de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd vanwege het ontbreken van haar toestemming tot het aangaan van de overeenkomst –en van feiten en omstandigheden waarom daaraan rechtens geen gevolgen zouden kunnen worden verbonden, niet is gebleken- kan tot geen andere conclusie gekomen worden dan dat de overeenkomst (achteraf bezien) reeds vanaf haar totstandkoming nietig is geweest. In dit verband wordt opgemerkt dat naar het oordeel van de kantonrechter de overeenkomst aangemerkt kan worden als een overeenkomst van koop op afbetaling –zulks om dezelfde redenen als waarom de sector civiel van deze rechtbank in haar verwijzingsvonnis van 24 november 2004 tot het oordeel kwam dat de onderhavige overeenkomst een overeenkomst van koop op afbetaling betreft-, voor het sluiten waarvan ingevolge het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 sub d BW de toestemming van de echtgenote van [gedaagde] vereist was.

2.5

Omdat ten gevolg van de buitengerechtelijke vernietiging door de echtgenote van [gedaagde] de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, met terugwerkende kracht daaraan is komen te ontvallen, zal hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is voldaan, als onverschuldigd dienen te worden terugbetaald. Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [gedaagde] en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [gedaagde], waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van [gedaagde] komen. Dit uitgangspunt brengt mee dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van [gedaagde], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Dit betekent dat de vordering in conventie zal worden afgewezen. Voorts zal het door [gedaagde] in reconventie gevorderde bedrag van € 4.519,80, zijnde het totaal van de door hem betaalde maandtermijnen, worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde rente, zij het –bij gebreke van een ingebrekestelling- dat die niet eerder zal worden toegewezen dan vanaf 10 december 2003.

2.6

Nu de vordering in conventie zal worden afgewezen en de vordering in reconventie zal worden toegewezen, is de voorwaarde waaronder de vordering in voorwaardelijke conventie is ingesteld, vervuld. Omtrent die vordering wordt het volgende overwogen.

Dexia heeft zich in dit verband beroepen op artikel 6:278 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat dit artikel er toe strekt te verhinderen dat opportunistisch gebruik wordt gemaakt van een ontbindingsmogelijkheid als dit gunstig uitpakt voor degene die het recht tot ontbinding c.q. vernietiging heeft. Volgens Dexia is het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de overeenkomst c.q. ontbinding het gevolg van de daling van de koersen van de effecten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Daarom dient volgens Dexia op de voet van het bepaalde in lid 1 van artikel 6:278 BW bijbetaling plaats te vinden

Artikel 6:278 BW bepaalt in lid 1 dat de partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich te haren gunste heeft gewijzigd, verplicht is door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen. Het tweede lid van artikel 6:278 BW verklaart die bepaling van overeenkomstige toepassing ingeval de partij te wier gunste de wijziging is ingetreden op andere grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking geeft en aannemelijk is dat zij daartoe zonder deze wijziging niet zou zijn overgegaan.

Nu in dit geval de overeenkomst is vernietigd, is slechts het tweede lid van artikel 6:278 BW relevant. Volgens die bepaling dient de stoot tot ongedaanmaking echter gegeven te worden door degene die partij is bij de overeenkomst. In casu is de stoot tot ongedaanmaking echter niet gegeven door [gedaagde], maar door zijn echtgenote, die juist geen partij is bij de overeenkomst. Artikel 6:278 BW mist dan ook toepassing.

Een reden temeer om artikel 6:278 BW buiten toepassing te laten vormt de omstandigheid dat als dit artikel wèl zou gelden de door artikel 1:88 BW beoogde bescherming zou worden uitgehold. Dat moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht.

De voorwaardelijke vordering in conventie komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

2.7

Nu de vordering in reconventie wordt toegewezen, wordt niet meer toegekomen aan de voorwaardelijke reconventionele vordering.

2.8

Dexia zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen, waarin begrepen is het door [gedaagde] betaalde vastrecht. De zaak is immers (ten onrechte) aangebracht bij de sector civiel van de rechtbank.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie en in voorwaardelijke conventie

- wijst de vorderingen van Dexia af;

- veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Van

Markestyn vastgesteld op € 965,00;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

- veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag

van € 4.519,80, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2003;

- veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Van

Markestyn vastgesteld op € 325,-- voor salaris gemachtigde;

- verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.