Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS6916

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
264367 HA 05-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst door onenigheid over borstvoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 264367 HA 05-50

datum : 22 februari 2005

BESCHIKKING OP EEN VERZOEK EN TEGENVERZOEK TOT ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

in de zaak van:

de besloten vennootschap VAN DER WIJK MODEBEHEER B.V.,

gevestigd te Deventer,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. M.C.T. Burgers, advocaat te 7400 AP Deventer, Postbus 623,

tegen

[MEVROUW X],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde mr. P.J. van ‘t Hoff, werkzaam ten kantore van Stichting Rechtsbijstand te 5000 JC Tilburg, Postbus 10100.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig ontbindingsverzoek.

De mondelinge behandeling is gehouden op 15 februari 2005.

Verschenen zijn:

- verzoekster bij monde van haar bestuurder, de heer F. van der Wijk, en bijgestaan door mr. Burgers voornoemd;

- verweerster, bijgestaan door mr. Van ’t Hoff voornoemd.

Het geschil

Verzoekster (hierna: Modebeheer B.V.) heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen, zonder aanbieding van een billijke vergoeding. Verweerster (hierna: [mevrouw X]) heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet bestreden, integendeel, zelf ook een daartoe strekkend verzoek ingediend, doch verzocht om toekenning van een billijke vergoeding overeenkomstig de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor 4.

De beoordeling

Ten aanzien van zowel het inleidende als het tegenverzoek:

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [mevrouw X], thans [xx] jaar oud, is op [datum] bij Modebeheer B.V. in dienst getreden in de functie van verkoopster dameskleding tegen een salaris van laatstelijk € 533,75 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

b. De arbeidsovereenkomst voorziet in arbeid door [mevrouw X] op de maandagmiddagen en de woensdagen. Op de maandagmiddagen is zij de enige verkoopster in de winkel, op de andere dagen zijn er steeds twee verkoopsters aanwezig.

c. Op 31 januari 2005 eindigde het bevallingsverlof van [mevrouw X], die op 20 oktober 2004 was bevallen van een zoon.

d. Op 20 december 2004 heeft [mevrouw X] aan haar bedrijfsleidster meegedeeld dat zij haar zoon tot zes maanden na de bevalling borstvoeding wilde blijven geven.

e. In verband met de omstandigheid, als hiervoor onder d bedoeld, was het voor [mevrouw X] noodzakelijk gedurende ongeveer 13 weken na het einde van haar bevallingsverlof op de maandagmiddagen, telkens gedurende ongeveer een half uur, af te kolven.

f. [mevrouw X] heeft tevergeefs getracht de door haar geregelde kinderopvang op de maandagmiddag voor de duur van de periode waarin zij zou moeten afkolven te wijzigen naar een ander dagdeel in de week, waarnaar zij dan haar werk tijdelijk zou verplaatsen.

g. [mevrouw X] heeft zich op 2 februari 2005 ziek gemeld wegens op de werkplek ontstane spanningen.

2.

Modebeheer B.V. heeft aan haar inleidende verzoek het volgende, kort samengevatte betoog ten grondslag gelegd.

Aanvankelijk heeft [mevrouw X] verlangd dat zij op de voor haar gebruikelijke werkdag maandagmiddag zou mogen afkolven, hetgeen zou betekenen dat de winkel dan gedurende een gelijke periode gesloten zou moeten worden, omdat zij op de maandagmiddag de enige verkoopster is. Vervolgens is aan [mevrouw X] aangeboden dat zij voor de duur van de periode waarin zij zou moeten afkolven de voor de maandagmiddag overeengekomen werkzaamheden zou mogen verplaatsten naar een ander, door haar te kiezen dagdeel in de week. [mevrouw X] heeft dat voorstel – na aarzeling - in beginsel aanvaard, doch verlangd dat de daarmee gepaard gaande extra kosten van kinderopvang door Modebeheer B.V. zouden worden gedragen. Daartoe was Modebeheer B.V. niet bereid. Zij heeft een kinderopvangregeling voor haar personeel, en die voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, maar niet in de vergoeding van tijdelijk hogere kosten in een geval als het onderhavige. Modebeheer B.V. acht het redelijk dat [mevrouw X] die kosten zelf draagt, of met haar echtgenoot, die niet alle weekdagen overdag werkt, een oplossing onderling treft. Het dispuut hierover is zo hoog opgelopen dat de onderlinge verhouding tussen partijen onherstelbaar is verstoord. Die verstoring is het gevolg van de onredelijke opstelling van [mevrouw X], zodat voor toekenning van een billijke vergoeding geen aanleiding bestaat.

3.

[mevrouw X] heeft van haar zijde het volgende verweer, tevens zelfstandig ontbindingsverzoek en ook kort samengevat, naar voren gebracht.

a.

Zij is van oordeel dat het inleidende verzoek van Modebeheer B.V. verband houdt met het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, tweede lid, BW. De termijn van zes weken, als in die bepaling bedoeld, is gaan lopen op 31 januari 2005 (het einde van haar bevallingsverlof) en is nog niet verstreken.

b.

Voorts heeft zij aangevoerd, dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 4:8 Arbeidstijdenwet verplicht is om werkneemsters de gelegenheid te bieden om het werk te onderbreken voor borstvoeding of om af te kolven. Die verplichting brengt in dit geval mee, dat van Modebeheer B.V. verlangd kon worden om de winkel gedurende de relevante periode van ongeveer 13 weken op de maandagmiddagen telkens ongeveer een half uur te sluiten, of voor die periode zorg te dragen voor vervanging door een collega. Zij was er in overleg in geslaagd om een collega (een zekere [naam]) bereid te vinden om tijdelijk op de maandagmiddagen ook te werken als verkoopster, maar die aanvankelijke toezegging is later ingetrokken, vermoedelijk omdat Modebeheer B.V. dat een te dure oplossing vond.

c.

Gebleken is dat tijdelijke verplaatsing van de kinderopvang op de maandagmiddag naar een ander dagdeel in de week niet mogelijk was wegens de bestaande ondercapaciteit van het opvangcentrum. Het opgeven van de maandagmiddag in ruil voor een ander dagdeel zou bovendien impliceren dat [mevrouw X] na de periode van 13 weken weer op de wachtlijst zou worden geplaatst voor een plek op de maandagmiddag. Het enige alternatief van het opvangcentrum was de woensdagmiddag, maar op de woensdagen werkt [mevrouw X] al en zorgt haar echtgenoot voor de opvang, zodat dat geen oplossing bracht.

d.

Haar echtgenoot is inderdaad slechts voor 3,5 dagen per week overdag werkzaam, doch die werktijden plegen regelmatig te worden verschoven, zodat het voor hem niet mogelijk is om voor de duur van 13 weken (naast de woensdag) een vast dagdeel per week voor opvang te zorgen.

e.

Zij heeft ter oplossing van de kwestie uiteindelijk aangeboden dat zij haar schoonouders op de dinsdagmiddagen zou laten oppassen, en dat de daarvoor verschuldigde reiskostenvergoeding van € 36,- per keer door partijen bij helfte zou worden gedeeld. Modebeheer B.V. is op dat voorstel niet ingegaan.

f.

Vervolgens is haar door een tweetal incidenten gebleken dat er in de onderneming van Modebeheer B.V. tegen haar stemming is gekweekt, vooral gezien de vijandige opstelling van haar collega Saskia en het feit dat de bedrijfsleidster haar de laatste tijd totaal negeerde. Daardoor is ook wat haar betreft een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding ontstaan, op grond waarvan zij ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt. Nu die verstoring volledig aan Modebeheer B.V. is te wijten verzoekt zij toekenning van een billijke vergoeding overeenkomstig de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor 4.

4.

Het verweer van [mevrouw X] tegen toewijzing van het inleidende verzoek van Modebeheer B.V., gegrond op artikel 7:685, eerste lid, BW, wordt gepasseerd.

In het midden kan blijven of het verzoek verband houdt met het opzegverbod volgens artikel 7:670, tweede lid, BW, omdat door de erkenning van [mevrouw X] dat de arbeidsverhouding is verstoord en door de indiening van haar tegenverzoek sprake is van omstandigheden waaronder, ook als sprake zou zijn van eerder bedoeld verband, ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvermijdelijk is geworden.

5.

De werkgever is verantwoordelijk voor de inrichting van de werkplek en de organisatie van het werk. Hij draagt daarom in beginsel het risico van de daarmee verbonden kosten. Artikel 4:8 Arbeidstijdenwet vormt een wettelijke instructie aan de werkgever inzake de organisatie van het werk van vrouwelijke werknemers die borstvoeding geven of moeten afkolven. De werkgever kan de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze uitsluitend tot hem gerichte instructie niet – geheel of ten dele – op de werknemer afwentelen. Voor zover van de werknemer wordt verlangd om aan redelijke verlangens van de werkgever ter uitvoering van deze wettelijke verplichting tegemoet te komen kan daartoe op grond van artikel 7:611 BW een verplichting op de werknemer rusten.

6.

Binnen het onder 5 geschetste kader geldt in het onderhavige geval het volgende.

Waar in beginsel aan [mevrouw X] het recht toekomt om op de maandagmiddagen tijdens werktijd af te kolven, mocht Modebeheer B.V. van haar verlangen dat zij zou meewerken aan een passende alternatieve oplossing die sluiting van de winkel tijdens die bezigheid zou voorkomen. De verantwoordelijkheid voor die alternatieve oplossing lag echter bij Modebeheer B.V., als de organisator van het werk, en diende zij dus ook de daarmee eventueel onvermijdelijk verbonden kosten te dragen. Het aanbod van Modebeheer B.V. aan [mevrouw X] om tijdelijk op een andere middag dan op de maandagmiddag te werken, zodat tijdens het afkolven een collega haar taken zou kunnen waarnemen, is op zichzelf aan te merken als een passende alternatieve oplossing. Deze werd uiteindelijk niet bereikt, omdat Modebeheer B.V. niet bereid bleek om zelfs het wel zeer geringe bedrag van € 234,-, als een 50% tegemoetkoming in de reiskosten van de (voor de oppas in te schakelen) schoonouders van [mevrouw X], te betalen. Die opstelling van Modebeheer B.V. is objectief als onredelijk, en dus in strijd met de eisen van goed werkgeverschap aan te merken. In dat verband is van belang, dat Modebeheer B.V. het verweer van [mevrouw X], dat en waarom geheel kosteloze aanpassing van de kinderopvang niet mogelijk was, niet inhoudelijk heeft kunnen bestrijden. De grote druk op instellingen voor kinderopvang is een feit van algemene bekendheid, en de echtgenoot van [mevrouw X] heeft ter zitting toegelicht dat en waarom hij voor een periode van ongeveer 13 weken geen vast dagdeel per week thuis oppassen met zijn werkzaamheden kan combineren. Tegenover dat op zichzelf begrijpelijke verweer heeft Modebeheer B.V. niet aannemelijk kunnen maken dat [mevrouw X] niettemin in staat moest worden geacht voor kosteloze wijziging van haar kinderopvang te kunnen zorgen. Zelfs als dat laatste anders was rijst de vraag of een relatief bescheiden vergoeding van € 234,- voor de kosten van kinderopvang gedurende 13 halve dagen niet toch van Modebeheer B.V. verlangd had mogen worden, maar dat terzijde.

7.

De conclusie uit het voorgaande luidt, dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvermijdelijk is en dat de ontstane verstoring van de arbeidsverhouding aan Modebeheer B.V. is te verwijten. Die omstandigheid zal tot uitdrukking moeten komen in de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding. Alles overziende acht de kantonrechter een vergoeding van € 8.000,- bruto billijk. Nu geen vergoeding werd aangeboden zal aan Modebeheer B.V. overeenkomstig de wet de gelegenheid worden geboden haar verzoek desgewenst in te trekken.

8.

Het tegenverzoek zal worden afgewezen indien Modebeheer B.V. haar inleidende verzoek niet intrekt, omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in dat geval reeds op het (eerdere) inleidende verzoek wordt ontbonden, en niet nogmaals kan worden ontbonden. Voor het geval Modebeheer B.V. haar verzoek intrekt, zal het verzoek van [mevrouw X] worden toegewezen, onder toekenning van eveneens een billijke vergoeding groot € 8.000,- bruto, uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2005.

9.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om ten aanzien van beide verzoeken de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens in het geval Modebeheer B.V. haar verzoek intrekt, omdat zij dan in de proceskosten betreffende de door haar verzoek ingeleide procedure dient te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst op het verzoek van Modebeheer B.V. te ontbinden per 31 maart 2005 onder toekenning aan [mevrouw X] ten laste van Modebeheer B.V. van een vergoeding van € 8.000,- bruto;

- stelt Modebeheer B.V. in de gelegenheid haar verzoek in te trekken uiterlijk op 11 maart 2005 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Modebeheer B.V. haar verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 31 maart 2005 onder toekenning aan [mevrouw X] ten laste van Modebeheer B.V. van een vergoeding van € 8.000,- bruto en veroordeelt Modebeheer B.V. tot betaling van dat bedrag aan [mevrouw X] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval Modebeheer B.V. het verzoek intrekt:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst op het verzoek van [mevrouw X] te ontbinden per 31 maart 2005 onder toekenning aan [mevrouw X] ten laste van Modebeheer B.V. van een vergoeding van € 8.000,- bruto;

- stelt [mevrouw X] in de gelegenheid haar verzoek in te trekken uiterlijk op 25 maart 2005 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

- veroordeelt Modebeheer B.V. in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [mevrouw X] vastgesteld op € 360,- voor salaris gemachtigde;

voor het geval [mevrouw X] haar verzoek intrekt:

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 22 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.