Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS6771

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
217772 CV 03-9824
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BK9957, Niet ontvankelijk
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BL0003, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BL0106, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; arbeid, onterecht ontslag predikant gereformeerde kerk Zeewolde

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 2
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Lelystad

Zaaknummer : 217772 CV EXPL 03-9824

Datum : 2 februari 2005

Vonnis in de zaak van:

[EISER]

wonende te [woonplaats],

eisende partij

gemachtigde mr. P.J. den Boef, advocaat te Amersfoort,

tegen

CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK TE ZEEWOLDE

gevestigd te Zeewolde,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem,

en

CLASSIS AMERSFOORT DER CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND,

gevestigd te Putten,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding inclusief producties;

- de conclusie van antwoord inclusief producties;

- de conclusie van repliek, tevens houdende akte vermeerdering van eis, inclusief producties,

- de conclusie van dupliek inclusief producties.

-

Het geschil

2.1 De navolgende feiten, van belang voor de beoordeling van dit geschil, staan vast omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de ander zijn erkend of niet of onvoldoende zijn betwist. Partijen worden aangeduid als “[eiser]”, “CGK Zeewolde” en “classis”.

2.2 [eiser] is in 1983 beroepen en benoemd tot predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Vanaf 1990 heeft [eiser] vanuit zijn toenmalige gemeente Harderwijk diensten gehouden te Zeewolde, waar op dat moment enkel een afdeling van de Christelijke Gereformeerde Kerken was gevestigd. Op 15 september 1995 is de CGK Zeewolde geïnstitueerd en is [eiser] predikant van deze kerk geworden.

2.3 Overeenkomstig de Kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland zoals laatstelijk in 1998 gewijzigd en aangevuld (“KO”), die deel uitmaakt van het statuut van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW, was [eiser] uit hoofde van zijn ambt voorzitter van de kerkenraad van de CGK Zeewolde. Uit de KO volgt dat in alle kerken een kerkenraad is, bestaande uit de dienaren des Woords (predikanten), de ouderlingen en de diakenen. De kerkenraad heeft ambtelijk opzicht over de verenigingen in de gemeente en bedoelt toe te zien, dat in de arbeid van de verenigingen de belijdenis van de kerken wordt nageleefd.

2.4 In de loop van het jaar 2000 heeft de kerkenraad van de CGK Zeewolde besloten om enkele leden van de kerkgemeente Zeewolde onder censuur (een vorm van tucht) te plaatsen. Eén van de onder censuur staande leden heeft zich bij brief d.d. 8 februari 2001 gewend tot de classis (een kerkelijke vergadering die geldt als meerdere vergadering van de kerkenraad en die bestaat uit de kerken van het classicaal ressort) met het verzoek te bemiddelen tussen hem enerzijds en [eiser] en enkele kerkenraadsleden anderzijds. Voorts hebben twee echtparen te Zeewolde de classis op 10 respectievelijk 12 februari 2001 een brief geschreven, waarin zij kritiek uitten op het functioneren van [eiser] en op enkele kerkenraadsleden. Bij brief d.d. 10 februari 2001 heeft de kerkenraad van de CGK Zeewolde de classis geïnformeerd over de censuur die was opgelegd aan leden van de gemeente. Voorts heeft de scriba (secretaris) van de kerkenraad van de CGK Zeewolde de classis verzocht de brieven van de leden van de gemeente Zeewolde niet in behandeling te nemen. Desondanks heeft de classis dit gedaan en besloten tot het houden van een bijzondere kerkvisitatie bij de CGK Zeewolde.

2.5 Naar aanleiding van de kerkvisitatie is een rapport opgesteld. Dit rapport is besproken tijdens een vergadering van de classis op 28 maart 2001. De classis heeft naar aanleiding hiervan een classicale commissie benoemd met als voornaamste doel de eenheid van de gemeente Zeewolde te herstellen en de leiding op zich te nemen van de kerkenraadsvergaderingen van de kerkenraad Zeewolde (hierna: “commissie Zeewolde”). De classis heeft de commissie gewezen op het feit dat bij een deel van de gemeente Zeewolde geen vertrouwen meer was in de kerkenraad en dat een haast onwerkbare situatie was ontstaan. Volgens de classis zou praktisch de gehele kerkenraad moeten worden vervangen. Ten aanzien van [eiser] heeft de classis opgemerkt dat hij op zijn minst de schijn van solistisch en manipulatief gedrag en selectief pastoraat niet had vermeden, dat hij niet goed bestand was tegen kritiek en dat hij overmatig kon reageren. Ten aanzien van [eiser] achtte de classis deskundige begeleiding wenselijk.

2.6 Tegen het besluit van de classis d.d. 28 maart 2001 heeft [eiser] bij brief d.d. 1 mei 2001 appèl ingesteld bij de Particuliere Synode van het Oosten (hierna: PS). Een PS is een kerkelijke vergadering en geldt als meerdere vergadering van een classis. Uit de KO volgt dat elk jaar (tenzij de omstandigheden het vaker vereisen) enige naburige classes samenkomen als PS. Partijen verschillen van mening over de vraag of het appèl tegen het besluit d.d. 28 maart 2001 vervolgens is ingetrokken of enkel is opgeschort. Vaststaat dat de PS uiteindelijk niet heeft beslist op het appèl.

2.7 Op 16 mei 2001 heeft de commissie Zeewolde een tussenrapport uitgebracht aan de classis, waarin zij tegenwerking door de kerkenraad meldt. De kerkenraad en [eiser] hebben de classis daarop hun medewerking toegezegd. De commissie Zeewolde heeft in de daaropvolgende maanden de situatie binnen de kerkgemeente Zeewolde onderzocht en enkele maatregelen getroffen in verband met de organisatie van de CGK Zeewolde. Op 12 oktober 2001 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Onduidelijk is wanneer [eiser] weer hersteld is. Op 17 oktober 2001 heeft de commissie Zeewolde verslag uitgebracht bij de classis en als volgt geconcludeerd:

“Wanneer blijkt dat ds [eiser] niet inziet dat een belangrijke oorzaak van de problematiek door zijn functioneren komt en niet bereid is zich daarvoor onder deskundige begeleiding te stellen, dan ziet de commissie geen andere oplossing om de eenheid in de gemeente te herstellen dan dat de predikant van deze gemeente wordt losgemaakt of dat we net zolang wachten totdat de gemeente leegloopt en er alleen nog maar predikant-getrouwen overblijven.

Losmaking in Kerkordelijke zin betekent dat de predikant opnieuw beroepbaar wordt gesteld. Op basis van onderliggend rapport kan de commissie echter de classis niet positief adviseren met betrekking tot het aanvaarden van een beroep in een andere gemeente.

De commissie zou zich voor kunnen stellen dat de predikant vooralsnog gedurende een periode door zijn kerkenraad ontheven wordt van de uitoefening van zijn dienst (art. 16 K.O.), met de opdracht zich op de uitoefening van zijn dienst te bezinnen en zich gewillig onder deskundige begeleiding te laten stellen. Gedurende deze periode zou de predikant nog wel voor kunnen gaan in de kerken, waarbij het de voorkeur verdient dat hij voorlopig niet voor zal gaan in Zeewolde totdat naar het oordeel van de kerkenraad en classicale commissie dit weer mogelijk is.”

2.8 De classis heeft eveneens op 17 oktober 2001 besloten de kerkenraad Zeewolde van zijn taken te ontheffen en [eiser] in ieder geval tot de voortzetting van de classisvergadering te ontheffen van alle ambtelijke dienst in en buiten Zeewolde. Nadere besluitvorming ten aanzien van [eiser] schortte de classis op. Bij brief d.d. 22 oktober 2001 heeft [eiser] de scriba van de classis verzocht om in het kader van het voornoemd besluit en verdere besluitvorming te worden gehoord op de eerstvolgende classisvergadering. Namens [eiser] is tegen het besluit van 17 oktober 2001 bij de PS appèl ingesteld bij brief d.d. 20 november 2001, welk appèl op 4 februari 2002 is behandeld.

2.9 [eiser] heeft de classis in kort geding laten dagvaarden tegen 17 december 2001 teneinde opheffing te verkrijgen van de maatregel op grond waarvan hij was ontheven van alle ambtelijke dienst. Op 16 november 2001 heeft vervolgens een classisvergadering plaatsgevonden waar [eiser], bijgestaan door zijn raadsman, is gehoord. Tijdens deze vergadering heeft de commissie Zeewolde nader verslag gedaan van zijn bevindingen, toegespitst op [eiser]. De vergadering heeft geleid tot een besluit waarin het eerdere classisbesluit d.d. 17 oktober 2001 nader is gepreciseerd en aangevuld en waarin de ontheffing van [eiser] is gehandhaafd. Hiertegen heeft [eiser] appèl ingesteld bij de PS van het Oosten.Van het classisbesluit d.d. 16 november 2001 is op 18 november 2001 in de kerkgemeente Zeewolde mededeling gedaan in een kanselboodschap.

2.10 De mondelinge behandeling van het kort geding is op 17 december 2001 aangehouden in afwachting van de vergadering van de PS van het Oosten d.d. 27 december 2001. Eveneens op 17 december 2001 heeft een classisvergadering plaatsgevonden. De Commissie Zeewolde heeft tijdens deze vergadering opnieuw verslag gedaan van zijn bevindingen met betrekking tot de CGK Zeewolde. De vergadering besloot onder meer dat een gesprek zou dienen te worden gearrangeerd met [eiser] om zijn functioneren te bespreken. [eiser] heeft de classis daarop schriftelijk geïnformeerd niet in staat te zijn om een gesprek over zijn functioneren te voeren.

2.11 Op 27 december 2001 is de PS van het Oosten bijeen gekomen. Deze heeft besloten een commissie in te stellen die onder meer de ontvankelijkheid van de diverse appèlschriften moest beoordelen en daarvan een samenvatting moest geven. De commissie van de PS van het Oosten heeft [eiser] op 3 januari 2002 gehoord. Op verzoek van [eiser] en de classis is de mondelinge behandeling van het kort geding (die de volgende dag zou plaatsvinden) vervolgens opnieuw uitgesteld.

2.12 Hangende de appèlprocedure bij de PS van het Oosten heeft de classis op 9 januari 2002 opnieuw vergaderd en besloten om de tijdelijke ontheffing van [eiser] op te heffen en deze met ingang van die datum om te zetten in een schorsing. De classis heeft dit besluit onder meer gemotiveerd met het feit dat [eiser] zich tot de burgerlijke rechter had gewend. Onderdeel van dit besluit van de classis was verder dat [eiser] zich op 6 februari 2002 persoonlijk zou moeten verantwoorden ten overstaan van de classis en dat de classis dan een nader oordeel en besluit omtrent zijn positie zou vellen. Ook tegen dit besluit heeft [eiser] appèl ingesteld bij de PS van het Oosten.

2.13 Op 25 januari 2002 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden, waarna de Voorzieningenrechter bij vonnis d.d. 1 februari 2002 de schorsing van [eiser] met onmiddellijke ingang heeft opgeheven en heeft geoordeeld dat [eiser] in de gelegenheid diende te worden gesteld om zijn gebruikelijke werkzaamheden als predikant uit te voeren. [eiser] heeft de classis verzocht uitvoering te geven aan het vonnis. De classis heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Tegen het kort geding vonnis is geen appèl ingesteld.

2.14 Bij concept rapport d.d. 1 mei 2002 heeft de commissie Zeewolde nader verslag gedaan van haar bevindingen. Voorafgaand aan toezending van dit rapport zijn [eiser] en zijn raadsman uitgenodigd om te worden gehoord door de commissie Zeewolde en door de classis. De raadsman van [eiser] heeft de commissie Zeewolde daarop laten weten verhinderd te zijn.

2.15 Het concept rapport d.d. 1 mei 2002 van de commissie Zeewolde is op 14 juni 2002 aangevuld met verdere bijlagen. Gelijktijdig met verzending van deze stukken zijn [eiser] en zijn raadsman uitgenodigd om te worden gehoord door de commissie Zeewolde en door de classis. Daarop heeft de raadsman namens [eiser] het woord gevoerd bij een hoorzitting van de commissie Zeewolde d.d. 24 juni 2002. Op 1 juli 2002 is een wrakingsverzoek met betrekking tot de commissie Zeewolde door de raadsman mondeling toegelicht op een hoorzitting bij de classis. De classis heeft het wrakingsverzoek bij beslissing d.d. 5 juli 2002 afgewezen.

2.16 [eiser] heeft hiertegen kerkelijk appèl ingesteld bij de PS, die dit bij beslissing d.d. 29 oktober 2002 heeft afgewezen. [eiser] heeft tegen het besluit van de PS in eerste instantie appèl ingesteld bij de Generale Synode (GS). De GS is een kerkelijke vergadering die geldt als meerdere vergadering van een PS. Uit de KO volgt dat de GS in de regel eenmaal in de drie jaren vergadert, tenzij er gewichtige redenen zijn om eerder bijeen te komen. Naar de GS worden uit elke PS een vastgesteld aantal afgevaardigden gestuurd.

2.17 Op 20 november 2002 heeft de classis een hernieuwde commissie Zeewolde ingesteld met de opdracht om advies uit te brengen omtrent het functioneren van [eiser] binnen de CGK Zeewolde. [eiser] is bij brief d.d. 19 december 2002 van de commissie Zeewolde schriftelijk geïnformeerd over de namen van de nieuwe commissie en de te volgen procedure en is uitgenodigd te reageren op het concept-rapport d.d. 1 mei 2002 en de aanvullende bijlagen daarbij. In een appèlschrift d.d. 17 januari 2003 heeft [eiser] bij de PS van het Oosten o.m. appèl ingesteld tegen het besluit van de classis d.d. 20 november 2002. Dit appèl is door de PS van het Oosten afgewezen.

2.18 De raadsman van [eiser] heeft op de brief d.d. 19 december 2002 gereageerd in een brief d.d. 6 januari 2003 aan de commissie Zeewolde waarin hij is ingegaan op procedurele aspecten van de zaak. Tevens heeft de raadsman van [eiser] de classis en de kerkenraad van de CGK Zeewolde bij brief d.d. 6 januari 2003 aangeschreven en procedurele kwesties aan de orde gesteld. [eiser] is door de commissie Zeewolde vervolgens een aantal keren opnieuw uitgenodigd om inhoudelijk te reageren op het conceptrapport d.d. 1 mei 2002 en aanvullende bijlagen maar [eiser] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.19 In maart 2003 heeft de commissie Zeewolde een aanvullend rapport geschreven. Dit aanvullend rapport is [eiser] op 20 maart 2003 toegestuurd met het verzoek op 2 april 2003 voor de classis te verschijnen.

2.20 Bij brief d.d. 1 april 2003 heeft de raadsman van [eiser] de GS aangeschreven met het verzoek het daartoe te leiden dat de appèlschriften die tot dat moment waren binnengekomen, op korte termijn zouden worden behandeld. Reden hiervoor was dat [eiser] had vernomen dat de GS pas medio 2004 bijeen zou komen, waardoor zijn appèlschriften lange tijd zouden moeten wachten op behandeling. De GS heeft de raadsman bij brief d.d. 22 april 2003 laten weten dat de GS eerder bijeen kwamen indien naar het oordeel van tenminste twee PS´en de GS eerder bijeen moest komen. Nu aan deze voorwaarde niet was voldaan, zou de GS niet vervroegd bijeen komen. Bij brief d.d. 25 april 2003 heeft de raadsman van [eiser] vervolgens de PS van het Oosten verzocht het ertoe te leiden dat de GS vervroegd bijeen zou komen om de ingediende appèlschriften te behandelen. Bij brief d.d. 14 mei 2003 heeft de PS van het Oosten de raadsman geïnformeerd dat de GS een beroepsinstantie was die op afstand functioneerde en dat er geen reden was om eerder samen te komen. [eiser] heeft nadien in ieder geval het eerder bij de GS ingestelde appèl tegen het besluit van de PS d.d. 29 oktober 2002 ingetrokken.

2.21 Tijdens een vergadering d.d. 2 april 2003 heeft de classis (opnieuw) besloten om [eiser] te schorsen. Tijdens deze vergadering heeft de raadsman van [eiser] het woord gevoerd. De classis is daarbij onder meer tot het oordeel gekomen dat [eiser] i) door zijn wijze van optreden in de kerkenraad, in strijd met de KO, verhoudingen had gecreëerd en in stand gehouden had, die het noodzakelijke toezicht op zijn ambtelijk functioneren conform de KO onmogelijk maakten; ii) als voorzitter van de kerkenraad leiding had gegeven aan het creëren en in stand houden van een financiële wanorde; iii) als voorzitter van de kerkenraad medeverantwoordelijk was voor de besluitvorming binnen de kerkenraad om een gedeelte van de activiteitengelden buiten de boeken te houden; en iv) de behandeling van zijn zaak nodeloos had opgehouden door vele procedurele appèlschriften en dat hij hierdoor de kerkgemeente Zeewolde alsmede de Christelijke Gereformeerde Kerken in breder verband grote schade had toegebracht zonder dat hiermee een wezenlijk belang van hemzelf was gediend. [eiser] werd opgeroepen zich te bekeren, bij gebreke waarvan de classis over zou gaan tot afzetting.

2.22 Bij brief d.d. 28 juni 2003 is [eiser] nogmaals gevraagd om een inhoudelijke reactie op het verzoek zich te bekeren. [eiser] verwees de kerkenraad in reactie op genoemde brief naar zijn raadsman en vroeg om met rust te worden gelaten. [eiser] heeft tegen het besluit d.d. 2 april 2003 kerkelijk appèl ingesteld bij de PS van het Oosten bij brief d.d. 28 april 2003, die hierop op 26 juni 2003 afwijzend heeft beslist. [eiser] had geen gehoor gegeven aan de oproep van de door de PS van het Oosten ingestelde commissie om op dit appèl te worden gehoord, omdat hij van mening was dat ook op dit niveau fundamentele rechtsbeginselen werden veronachtzaamd. [eiser] heeft tegen de beslissing van de PS van het Oosten aanvankelijk hoger beroep in gesteld bij de GS, maar heeft dit appèl later ingetrokken.

2.23 [eiser] is per 9 mei 2003 benoemd voor tweeëntwintig uur per week als docent maatschappijleer aan het Gomaruscollege te Gorinchem. [eiser] heeft zich op 26 juni 2003 ziek gemeld bij de kerkenraad van de CGK Zeewolde.

2.24 Tijdens een vergadering d.d. 2 juli 2003 heeft de classis geconstateerd dat [eiser] geen blijk had gegeven van bekering en heeft de classis besloten tot afzetting van [eiser]. De financiële Commissie Classis Amersfoort werd opgedragen zorg te dragen voor de financiële afwikkeling van de zaak volgens de geldende richtlijnen van de PS voor afgezette predikanten. De maximale uitkeringsperiode voor [eiser] zou, gelet op zijn leeftijd, 12 maanden zijn. De Financiële Commissie kreeg bovendien mandaat om met [eiser] een tijdelijke regeling te treffen voor de periode tot 8 oktober 2003. Tegen dit afzettingsbesluit is door [eiser] geen kerkelijk appèl ingesteld. Met [eiser] is uiteindelijk geen financiële regeling getroffen.

2.25 Bij brief d.d. 3 juli 2003 heeft de classis de leden van de kerkgemeente te Zeewolde schriftelijk uitgelegd wat in verband met [eiser] was besloten en wat daarvoor de gronden waren. Hierop heeft de raadsman van [eiser] gereageerd met een brief d.d. 7 juli 2003, waarin hij de classis onder meer vraagt om intrekking van het afzettingsbesluit, toelating tot de ambtelijke werkzaamheden en verzoening. [eiser] is gevraagd de pastorie per 1 november 2003 leeg op te leveren.

2.26 [eiser] vordert primair verklaringen voor recht dat hij een arbeidsovereenkomst heeft, en dat hij onregelmatig en kennelijk onredelijk is ontslagen. Hij vordert ter zake van onregelmatig ontslag € 17.648,60 bruto te vermeerderen met rente, een schadevergoeding ex art. 7:681 BW ter grootte van € 331.793,68 bruto, te vermeerderen met rente, smartengeld ter hoogte van € 30.000 netto, en vermogensschade ex art. 6:96 BW ter hoogte van € 129.211,34 (incl. BTW), alsmede een veroordeling in de proceskosten. Subsidiair vordert hij een verklaring voor recht dat sprake is van een overeenkomst van opdracht dan wel van een overeenkomst “sui generis” en dat gedaagden zijn tekort geschoten in de naleving van deze overeenkomsten en gehouden zijn tot vergoeding van schade.

2.27 Gedaagden hebben primair geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [eiser], subsidiair tot afwijzing van vorderingen, dan wel onbevoegdverklaring door de rechter.

2.28 De overige standpunten en verweren zullen in het hiernavolgende aan de orde komen.

De beoordeling van het geschil

3.1 De kantonrechter acht zich bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige geschil. Ingevolge art. 112 lid 1 Grondwet neemt de burgerlijke rechter kennis van geschillen binnen een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, indien het gaat over burgerlijke rechten. De aard van de rechtsvordering is hierbij bepalend voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, niet de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen. Nu [eiser] bescherming vraagt in een burgerrechtelijk belang, meer in het bijzonder betreffende een arbeidsovereenkomst, acht de kantonrechter zich bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

3.2 Art. 2:2 lid 1 BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. In art. 84 van de Kerkorde is bepaald: “De kerken die in classes, particuliere synoden en generale synode samenkomen, vormen tezamen evenzovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar onderscheiden in classicaal, particulier-synodaal en generaal-synodaal verband gemeen zijn.” Op grond hiervan is CGK Zeewolde een rechtspersoonlijkheid bezittend kerkgenootschap dat in rechte kan worden betrokken. Voor de classis geldt dit eveneens, nu zij kan worden aangemerkt als een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd. Een redelijke uitleg van het begrip “stoffelijke aangelegenheden” brengt voorts mee dat hieronder ook vallen geldvorderingen uit hoofde van een gestelde arbeidsverhouding tussen een predikant en een kerkgenootschap.

3.3 [eiser] heeft het standpunt ingenomen dat CGK Zeewolde verstek dient te worden verleend omdat zij niet rechtsgeldig vertegenwoordigd is in rechte. Gelet op art. 80 Rv. en het feit dat zich namens CGK Zeewolde een gemachtigde heeft gesteld, wordt dit standpunt verworpen.

3.4 CGK Zeewolde en de classis hebben voorts als verweer opgeworpen dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu er een interne procedure openstond voor [eiser] en hij daar niet of niet voldoende gebruik van heeft gemaakt, terwijl hij daartoe wel verplicht was. De kantonrechter wijst dit verweer af. Bij beantwoording van de vraag of [eiser] het geschil eerst aan de krachtens de KO daartoe bevoegde instanties had moeten voorleggen, dient als uitgangspunt te worden genomen dat niemand kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Zulks sluit niet uit dat het rechtssubjecten – leden en onderdelen van een kerkgemeente daaronder begrepen – vrijstaat om zich te binden aan een geschillenregeling die de burgerlijke rechter eerst bevoegd maakt nadat deze geschillenregeling is gevolgd. Mede gelet op de aard van het recht dat hierbij in het geding is, dient voor partijen uit de geschillenregeling voldoende duidelijk te blijken dat partijen gehouden zijn om deze te volgen alvorens zich tot de rechter te wenden. In dit licht bezien kan noch uit art. 31 KO, noch uit daarop gebaseerde kerkelijke regels, beloften, formulieren of andere uitlatingen (voorzover daarop in deze procedure een beroep is gedaan) ondubbelzinnig worden afgeleid dat het een partij slechts zou zijn toegestaan de burgerlijke rechter te adiëren indien eerst de interne procedure is afgerond. In zoverre verschilt art. 31 KO van art. XXIV van de Hervormde Kerkorde, zoals het aan de orde was in de zaak tussen de NHK en de Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s., nu dit laatste artikel wél voldoende duidelijk maakt dat geschillen eerst intern aan de orde moeten worden gesteld.

3.5 Hierbij komt dat [eiser] zeer veelvuldig van de appélprocedure gebruik heeft gemaakt en ter zake van in ieder geval één van de belangrijke beslissingen van de classis appél bij de GS had ingesteld. Een appél bij de GS kon pas in de loop van 2004 worden behandeld. Deze bijkomende omstandigheden brengen mee dat, ook wanneer wél sprake zou zijn geweest van een duidelijke verplichting de zaak eerst intern aan te kaarten, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om van [eiser] te eisen dat hij eerst de bijeenkomst van de GS – een jaar later – zou afwachten alvorens te kunnen worden ontvangen in een procedure bij de burgerlijke rechter.

3.6 Dit alles brengt mee dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn vorderingen.

3.7 Vervolgens is aan de orde de vraag of de rechtsverhouding tussen [eiser] en CGK Zeewolde en/of de classis kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW. Nu de kantonrechter niet is gebleken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, dient deze vraag beoordeeld te worden aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij staat voorop dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is van belang dat niet een enkel kenmerk van de rechtsverhouding tussen partijen beslissend is, maar dat de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in een onderling verband moeten worden bezien.

3.8 Bij de beoordeling van deze rechtsverhouding moet mede acht worden geslagen op het feit dat de CGK Zeewolde en de classis weliswaar aparte rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties zijn, maar dat zij hun onderlinge rechtsverhouding en hun rechtsverhouding tot [eiser] mede hebben geregeld in de Kerkorde.

3.9 Allereerst zal worden onderzocht in hoeverre is voldaan aan de elementen uit art. 7:610 BW. Vervolgens zal worden nagegaan of, bij een positieve beantwoording van die vraag, er niettemin in andere feiten en omstandigheden aanleiding kan worden gevonden te concluderen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal derhalve eerst nagaan in hoeverre voldaan is aan de elementen van art. 7:610 BW.

3.10 Blijkens art. 16 KO behoort tot de taak van [eiser] het volharden in gebeden, de bediening des woords en der sacramenten, het overzicht houden over de medebroeders, ouderlingen en diakenen, tucht oefenen met de ouderlingen en zorgen dat alles betamelijk en in goede orde geschiede. Het is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] gedurende lange tijd een dagtaak heeft gehad aan het vervullen van zijn ambt. Dit is ten goede gekomen van de CGK Zeewolde. Er is derhalve sprake van arbeid als bedoeld in art. 7:610 BW.

3.11 Voorts is niet in geschil dat [eiser] maandelijks een traktement ontving van laatstelijk € 2.624,37 en dat hij daarnaast kosteloos gebruik mocht maken van de pastorie. Dit traktement moet worden gezien als de vergoeding van de CGK Zeewolde aan [eiser] voor de ten behoeve van de CGK Zeewolde verrichte diensten. Er is derhalve sprake van loon in de zin van art. 7:610 BW. Het betoog dat het traktement geen vergoeding voor arbeid is, maar een voorziening in levensonderhoud, wordt verworpen. Enerzijds is daarbij van belang dat loon voor de meeste werknemers een belangrijke bron van voorziening in het levensonderhoud is, zodat hier geen sprake is van een tegenstelling tussen beide onderscheiden functies. Daarbij komt nog dat het [eiser] op grond van de Kerkorde ook niet zonder meer was toegestaan op een andere wijze in zijn levensonderhoud te voorzien. Anderzijds is er in de relatie tussen [eiser] en de CGK Zeewolde een belangrijk verband tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de betaling van het traktement, in dier voege dat betaling direct of na enige tijd eindigt indien, zoals hier, de relatie voor het bereiken van het emeritaat eindigt.

3.12 Terzake van de gezagsverhouding geldt het volgende. De omstandigheid dat degene die zich bij overeenkomst verbonden heeft tot het vervullen van een godsdienstig ambt, terzake van de godsdienstige aspecten van zijn taak niet aan de instructies van de wederpartij onderworpen is, sluit niet uit dat met betrekking tot de overige aspecten van de contractuele relatie sprake is van een gezagsverhouding (vgl. HR 17 juni 1994, NJ 1994/757, m. nt. PAS). Bij de vraag of ten aanzien van de niet godsdienstige aspecten van zijn werk al dan niet sprake was van een gezagsverhouding kon worden aangesloten bij de Kerkorde en de wijze waarop deze in de praktijk is toegepast. Uit de Kerkorde blijkt onder meer het volgende:

- De predikant dient instemming te betuigen met de drie formulieren van enigheid; weigering leidt tot uitzetting van het ambt (art. 52).

- De classis kan een visitatiecommissie instellen die erop toeziet dat de predikant zijn ambt getrouw waarneemt, bij de zuiverheid der leer volhardt, de aangenomen Kerkorde in elk opzicht handhaaft, en de opbouw van de gemeente, alsmede van de jeugd, naar behoren, zover mogelijk is, met woorden en werken bevordert (art. 44).

- Bij vaststelling van “grove zonden” kan de classis tot schorsing of afzetting van de predikant overgaan (art. 79 en 80).

3.13 Uit de feiten blijkt dat een aantal van bovengenoemde bepalingen uit de Kerkorde ook daadwerkelijk in deze zaak is toegepast. Nadat leden van de CGK Zeewolde hadden geklaagd over het functioneren van [eiser], is hij hierop aangesproken door de classis (daaronder begrepen door haar ingestelde commissies) en, na volharding in het bekritiseerde gedrag, geschorst en afgezet. De aanleiding voor deze schorsings- en afzettingsprocedure is niet gelegen in verschil van mening over godsdienstige aangelegenheden, zoals bijvoorbeeld de uitleg van de Bijbel, maar is gelegen in de omgang met gemeenteleden en de opstelling van [eiser] ten opzichte van de gang van zaken rond zijn traktement en de door activiteiten van de leden geworven gelden. Voorts is van belang dat de classis [eiser] terzake van deze verwijten hem “in liefde heeft vermaand” en hem in de gelegenheid heeft gesteld zich te bekeren van de in de ogen van de classis bedreven zonden.

3.14 Daarmee staat vast dat de classis gebruik heeft gemaakt van haar krachtens de Kerkorde toekomende bevoegdheden om niet godsdienstige aspecten van het functioneren van [eiser] te beoordelen, te beïnvloeden en te sanctioneren. Het gaat daarbij bovendien om aspecten van het functioneren die niet door partijen op voorhand tot onderwerp van hun overeenkomst zijn gemaakt. De classis is van oordeel dat het haar toekomt eenzijdig nadere regels te stellen over deze aspecten van het functioneren van [eiser] en, bij overtreding van die nader door haar gestelde regels, hieraan sancties te verbinden.

3.15 Deze gang van zaken kan worden aangemerkt als de uitoefening van een gezagsverhouding als bedoeld in art. 7:610 BW. Het feit dat aldus het gezag over [eiser] niet is uitgeoefend door de CGK Zeewolde, maar door classis, kan niet afdoen aan de conclusie dat, nu ook aan de elementen arbeid en loon is voldaan, een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en CGK Zeewolde heeft bestaan. De uitoefening van bevoegdheden op dit vlak door de classis moet immers worden toegerekend aan de CGK Zeewolde, nu de classis en de CGK Zeewolde nauw met elkaar verweven organisaties zijn en de classis sedert oktober 2001 in belangrijke mate direct en indirect de zeggenschap uitoefent in de CGK Zeewolde. In dit opzicht valt een vergelijking te trekken tussen [eiser] en een functionaris die in dienst is bij een dochtervennootschap, maar over wie in de praktijk slechts de moedermaatschappij gezag uitoefent. In de omstandigheid dat de classis in deze procedure is betrokken en de hierboven beschreven bevoegdheden heeft uitgeoefend, ligt het verschil besloten met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 juni 1991, NJ 1992/173.

3.16 Daarmee staat vast dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en de CGK Zeewolde, zoals deze in de loop der tijd tot uitvoering is gebracht, aan de elementen van art. 7:610 BW beantwoordt. Dat neemt niet weg dat uit de feiten en omstandigheden van het geval kan volgen dat partijen geen arbeidsovereenkomst beoogden te sluiten. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak niet het geval. Gesteld noch gebleken is, allereerst, dat de CGK Zeewolde en/of [eiser] zich bij het aangaan van hun rechtsverhouding, in 1995, tegenover de ander heeft uitgelaten over de kwalificatie van de verhouding die hen op dat moment voor ogen stond. Er is juist, in de tweede plaats, een aantal feiten en omstandigheden komen vast te staan dat er op wijst dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben beoogd, dan wel dat zij in de praktijk zijn gaan handelen alsof zij zich jegens elkaar krachtens arbeidsovereenkomst hadden verbonden. Tot deze feiten en omstandigheden behoren de volgende.

- Anders dan de meeste opdrachtnemers, heeft [eiser] zich gedurende zeer lange tijd bij uitsluiting gewijd aan het werk voor de CGK Zeewolde.

- Op grond van de Kerkorde was het hem ook niet zonder meer toegestaan andere werkzaamheden te verrichten, dan wel deze werkzaamheden ten goede laten komen van anderen.

- Het was blijkens de Kerkorde [eiser] uitsluitend toegestaan de dienst te verlaten in het geval van “gewichtige oorzaken”.

- Er was door de kerk een oudedagsvoorziening getroffen voor [eiser] voor het geval hij het emeritaat zou bereiken.

- [eiser] had recht op loondoorbetaling bij ziekte.

3.17 Verweerders hebben in dit verband aangevoerd dat de rechtspositie van de predikant van geheel eigen aard is en niet verenigbaar is met de bepalingen van titel 7.10 BW. Dit betoog kan niet slagen. Indien verschillende regels van toepassing zijn op een rechtsverhouding – hier: de regels van arbeidsrecht en de regels van de CGK – dan dient als uitgangspunt te worden genomen dat zij naast elkaar van toepassing zijn. Wanneer echter zou blijken dat de toepassing van de regels van titel 7.10 BW tot gevolg heeft dat een of meer fundamentele regels van de CGK daarmee volledig wordt gedenatureerd, kan in die omstandigheid aanleiding worden gevonden te concluderen dat partijen kennelijk niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. Van een dergelijke strijdigheid is echter niet gebleken in deze zaak.

4.1 Nu er sprake is van een arbeidsovereenkomst had CGK Zeewolde bij de opzegging daarvan de rechtens geldende termijn in acht behoren te nemen. Er is geen opzegtermijn tussen partijen overeengekomen, zodat moet worden teruggevallen op de wettelijke termijn. [eiser] is sinds 1995 in dienst van de CGK Zeewolde, zodat de arbeidsovereenkomst op 2 juli 2003 niet eerder dan tegen 30 september 2003 had kunnen worden opgezegd. Tot inachtneming van een langere opzegtermijn was CGK Zeewolde niet gehouden, nu de wet sinds 1 januari 1999 niet langer voorschrijft rekening te houden met een eerdere arbeidsovereenkomst met een andere werkgever èn nu niet is komen vast te staan dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en de CGK Harderwijk eveneens als arbeidsovereenkomst diende te worden gekwalificeerd. De vordering terzake van gefixeerde schadeloosstelling ex artikel 7:680 wordt dan ook toegewezen tot een bedrag van € 10.588 (bruto).

4.2 Vervolgens is aan de orde de vraag of het ontslag d.d. 2 juli 2003 kennelijk onredelijk is zoals bedoeld in art. 7: 681 BW. Hierbij dient voorop te worden gesteld dat de ontslagreden is gelegen in de wijze van functioneren als predikant, dat die wijze van functioneren mede wordt bepaald door regels van kerkrecht en dat over de beoordeling van dat functioneren kerkrechtelijke procedures openstaan en ook zijn gevolgd. In die situatie dient de wereldlijke rechter grote terughoudendheid in acht te nemen bij een inhoudelijke beoordeling van het bestaan van een ontslaggrond en de redelijkheid daarvan. Bij willekeur, kwade trouw of schending van een universeel (ook binnen het kerkrecht) geldend rechtsbeginsel is hier een taak voor de wereldlijke rechter weggelegd. Van een dergelijke taak is ondermeer sprake wanneer beginselen van een behoorlijk proces duidelijk zijn geschonden.

4.3 Deze beginselen zijn naar het oordeel van de kantonrechter geschonden in een aantal van de CGK-procedures die hebben geleid tot het ontslag van [eiser]. Daarbij gaat het niet alleen om de PS, maar ook om de opstelling van de classis, hetzij als onderzoeker, hetzij als beslisser, hetzij als rechter. Immers:

- [eiser] heeft geen inzage gekregen in enkele stukken die in de procedure een rol hebben gespeeld, zoals de handelingen van de classis.

- [eiser] is niet in de gelegenheid geweest om bij getuigenverhoren aanwezig te zijn.

- [eiser] is niet in de gelegenheid gesteld om voor hem relevante getuigen te doen horen.

4.4 Schending van deze beginselen van een eerlijk proces klemt te meer nu het gaat om ernstige aantijgingen betreffende onder meer de (financiële) integriteit van [eiser]. Op grond van deze schendingen moet in dit geding worden geoordeeld dat aan de feiten en oordelen die de uitkomst zijn van interne CGK-procedures geen betekenis toekomt bij het oordeel over de vraag of de overeenkomst kennelijk onredelijk is beëindigd.

4.5 Het kan de classis en de CGK Zeewolde bovendien zwaar worden aangerekend dat zij het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle d.d. 1 februari 2002 niet hebben nageleefd en [eiser] zelfs een verwijt hebben gemaakt van het feit dat hij de wereldlijke rechter heeft geädieerd. In zoverre hebben de CGK Zeewolde en de classis blijk gegeven van onvoldoende inzicht in en gevoel voor de taak en rol van de wereldlijke rechter, aan wie ook zij zich uiteindelijk hebben te onderwerpen.

4.6 De redenen die verweerders aan het ontslag ten grondslag hebben gelegd, daartoe uitsluitend verwijzend naar de interne procedures en uitkomsten daarvan, zijn dan ook in deze procedure non existent.

Het ontslag is derhalve om een valse reden gegeven en daarmee kennelijk onredelijk. De verwijten aan het adres van [eiser] dat hij misbruik van procesrecht heeft gemaakt kan de kantonrechter niet volgen nu gedaagden zelf in deze procedure het standpunt hebben ingenomen dat [eiser] niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat hij de mogelijkheden tot het voeren van een interne procedure niet uitputtend zou hebben benut.

4.7 Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding laat de kantonrechter de volgende omstandigheden een rol spelen:

- Het feit dat [eiser] reeds sinds 1990 te Zeewolde werkzaam was als predikant voor de Christelijk Gereformeerde Kerk.

- Het feit dat een afzetting als predikant de kans bijzonder klein maakt om ooit nog het door hem twintig jaar uitgeoefende ambt te vervullen.

- Het feit dat [eiser] door het ontslag ook zijn woning heeft moeten ontruimen.

- Het feit dat [eiser] reeds voor het ontslag een andere betrekking had gevonden.

Het feit dat de procedure tot afzetting zeer lang heeft geduurd en daarmee zeer veel tijd en inspanning van, in het bijzonder, [eiser] moet hebben gevergd.

4.8 De schadevergoeding wordt, dit in aanmerking nemende, vastgesteld op € 30.000. Hoewel het optreden van verweerders niet in alle opzichten de schoonheidsprijs verdient, is er onvoldoende reden om naast deze vergoeding nog een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen.

4.9 De gevorderde buitengerechtelijke proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deels zien zij immers op de voorbereiding van deze procedure en vallen daarmee krachtens art. 6:96 lid 2 in fine BW jo. art. 24 Rv. onder de proceskosten. Deels gaat het om advocaatkosten die zijn gemaakt in de interne CGK-procedure. Mede gelet op HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 kan niet worden geoordeeld dat deze kosten onder een van de in art. 6:96 BW genoemde categorieën vallen.

4.10 Nu CGK grotendeels in het ongelijk is gesteld, wordt zij in de kosten van deze procedure veroordeeld. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat:

(i) de verhouding tussen [eiser] en de Christelijke Gereformeerde Kerken te Zeewolde dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW;

(ii) het aan [eiser] gegeven ontslag d.d. 2 juli 2003 onregelmatig is gegeven;

(iii) het aan [eiser] gegeven ontslag d.d. 2 juli 2003 kennelijk onredelijk is.

- veroordeelt de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zeewolde tegen bewijs van kwijting tot betaling aan [eiser] van

(i) € 10.588 (bruto) ter zake van onregelmatig ontslag;

(ii) € 30.000 (bruto) ter zake van kennelijk onredelijk ontslag;

(iii) de wettelijke rente over de bedragen sub (i) en (ii) vanaf 3 juli 2003 tot de dag van algehele voldoening.

- veroordeelt de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zeewolde tot betaling van de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op

€ 820,-- voor salaris gemachtigde

€ 68,20 voor explootkosten

€ 162,-- voor vastrecht;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.M. van Slooten, plv. Kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 2 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.