Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS6692

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
92604 FA RK 03-3690
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; verrekenregels art. 1:132 e.v. BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 137
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Burgerlijk Wetboek Boek 1 158
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector civiel recht

Enkelvoudige familiekamer.

Zaaknummer: 92604 FA RK 03-3690

Datum: 16 februari 2005

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[vrouw],

wonende [postcode] [plaats A],

[adres],

procureur mr. M.C. Blomme - Onderwater,

hierna als de vrouw aangeduid,

verzoekster,

en

[man],

wonende [postcode] [plaats B]

gemeente [gemeente],

[adres],

advocaat mr. C. de Wolf te Amsterdam,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

hierna als de man aangeduid,

belanghebbende.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juni 2004 is de echtscheiding uitgesproken, is aan de man een kinderbijdrage van EUR 500,= per maand opgelegd en is de beslissing over de overige nevenvoorzieningen aangehouden.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een brief met bijlagen d.d. 19 juli 2004 van de man;

- een brief d.d. 16 augustus 2004 van de man;

- een brief d.d. 4 augustus 2004 van de vrouw;

- een brief d.d. 30 augustus 2004 van de vrouw.

VASTSTAANDE FEITEN

De man en de vrouw zijn op 2 september 1977 met elkaar op huwelijkse voorwaarden gehuwd.

De echtscheiding is uitgesproken op 23 juni 2004.

De man en de vrouw zijn medio oktober 1999 feitelijk gescheiden gaan leven.

De huwelijksvoorwaarden zijn, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, als volgt samen te vatten.

Krachtens artikel 1 van de akte huwelijksvoorwaarden zal geen enkele gemeenschap van goederen hoe ook genaamd bestaan.

Artikel 2 bepaalt dat aangebrachte, tijdens het huwelijk op welke wijze dan ook door een echtgenoot (door belegging of wederbelegging van zijn/haar vermogen) verkregen zaken, eigendom zijn van degene, die ze verwierf (...), behoudens het recht op verrekening van de andere echtgenoot, indien en voor zover de verkrijging ten koste van het vermogen van die ander plaatsvond. Datzelfde geldt ten aanzien van de schulden, voor zover deze niet de kosten van huishouding en opvoeding van de kinderen betreffen.

Artikel 6 bevat een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding met een werking tot datum feitelijke verbreking samenleven, op grond waarvan partijen elkaar jaarlijks inzage moeten geven in hun boekhouding, teneinde bij helfte te kunnen delen hetgeen van ieders inkomsten over dat jaar onverteerd is gebleven. Ook bevat het artikel een vervaltermijn.

Artikel 7 definieert verrekenplichtige inkomsten als datgene wat in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting als inkomsten wordt aangemerkt, evenwel met uitzondering van waardestijgingen van privébezittingen van de echtgenoten, ook al mochten deze met inkomstenbelasting of soortgelijke heffing worden belast.

In december 2000 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten 'Verdeling inkomsten en bezittingen in huwelijk van [man-vrouw]

Beschrijving volgens huwelijkse voorwaarden', hierna de overeenkomst genoemd.

De man heeft gedurende het huwelijk van partijen aan de vrouw betalingen gedaan, als na te noemen.

Standpunt van de vrouw

De vrouw heeft zes nevenvoorzieningen verzocht waarop door de rechtbank in haar beschikking van 23 juni 2004 nog niet is beslist:

- een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van EUR 2000,= per maand;

- een door de man verplicht op te (doen) stellen boedelbeschrijving per 17 december 2003 overeenkomstig het bepaalde in artikel 674 Rv met benoeming van een notaris, op straffe van een dwangsom van EUR 500,= per dag;

- benoeming van een deskundige, ter bepaling van de waarde van het vermogen van de man per 17 december 2003;

- vaststelling van het door de man ten titel van verrekening aan de vrouw te betalen bedrag;

- veroordeling van de man tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2003, althans een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van de man tot het verstrekken van alle gegevens, die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechten en plichten uit hoofde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding binnen 10 dagen na beschikking, op straffe van een dwangsom van EUR 500,= per dag.

Volgens de vrouw heeft tijdens het huwelijk nimmer verrekening van overgespaard inkomen plaatsgevonden, waartoe de man thans derhalve veroordeeld dient te worden.

Het te verrekenen vermogen van de man bevat in ieder geval de negen in het echtscheidingsverzoek genoemde vermogensbestanddelen, alsook de vermogensbestanddelen zoals door de vrouw aangegeven in haar brief van 19 juli 2004. Het verrekenplichtig vermogen van de man bedraagt meer dan vijf miljoen euro.

Standpunt van de man

De man heeft zich verweerd tegen de door de vrouw verzochte partneralimentatie van EUR 2000,= per maand. Hij heeft de behoefte van de vrouw betwist, stellend dat de vrouw eigen inkomen heeft respectievelijk kan verwerven. Voorts stelt de man dat zijn draagkracht oplegging van de gevraagde partneralimentatie niet toelaat. Het inkomen van de man bedraagt geen EUR 150.000,= -zoals door de vrouw is gesteld- maar sedert 1 september 2003 circa EUR 70.000,= bruto per jaar. De vrouw verdient circa EUR 55.000,= bruto per jaar.

De man heeft zich gerefereerd aan:

- de gevraagde veroordeling tot het opmaken van een boedelbeschrijving in de zin van artikel 674 Rv c.q. medewerking aan het doen opstellen van een notariële beschrijving van het vermogen;

- de benoeming van een deskundige;

- de veroordeling tot opgave van pensioengegevens.

Tevens heeft de man als zelfstandig verzoek de rechtbank gevraagd de vrouw op haar beurt te veroordelen tot medewerking aan beschrijving van haar vermogen en tot benoeming van een deskundige.

Primair stelt de man dat verrekening van overgespaard inkomen tussen partijen niet hoeft plaats te vinden, omdat ingevolge artikel 2 van de huwelijksvoorwaarden, verkrijgingen inclusief die welke voortvloeien uit (weder)beleggingen, eigendom zijn en blijven van de desbetreffende huwelijkspartner, te meer nu in casu geen verkrijging door de man heeft plaatsgevonden ten laste van het vermogen van de vrouw.

Subsidiair strekt het betoog van de man ertoe, zoals ter zitting d.d. 13 mei 2004 geadstrueerd, dat verrekening niet hoeft plaats te vinden, nu deze reeds tijdens het huwelijk feitelijk steeds heeft plaatsgevonden.

De man heeft in dat verband een beroep gedaan op de (ter zitting door de vrouw overgelegde) overeenkomst.

De man stelt dat hij aan de vrouw tijdens het huwelijk tweemaandelijks op verzoek van de vrouw conform aangeven van de vrouw reeds aanzienlijke bedragen per maand betaalde. Conform zijn toezegging ter zitting heeft de man bij brief d.d. 11 juni 2004 kopieën van 25 bankafschriften overgelegd. Deze beslaan het tijdvak 12 februari 1997 tot 2 maart 2002. In dit tijdvak heeft de man (in euro's) EUR 68.281,= aan de vrouw betaald.De man stelt dat hij daarvoor ook reeds betaalde, doch dat bankafschriften over 1996 ontbreken.

Blijkens genoemd overzicht heeft de man over het tijdvak 10 februari 1997 tot datum feitelijk gescheiden leven in oktober 1999 aan de vrouw een bedrag van EUR 48.961,= betaald, waaronder begrepen de aanschaf van een auto voor de vrouw.

Beoordeling van het geschil

De partneralimentatie:

Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen, na het verbreken van hun feitelijk samenleven in oktober 1999 met het oog op hun aanstaande echtscheiding via het sluiten van de door de vrouw opgestelde overeenkomst uit december 2000 een bindende alimentatieovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 1:158 BW. Blijkens de bewoordingen van deze overeenkomst is daarin expliciet verdisconteerd het verschil in inkomsten tussen de man en vrouw als gevolg van langdurig parttime werken van de vrouw en het daardoor ontstane verlies van carrièreopbouw op langere termijn. Partijen zijn in deze overeenkomst onder meer overeengekomen dat de man alle lasten van de woning van de vrouw betaalt, de hypotheek, onderhoud, gas, water en licht, telefoon etc., verzekeringen, onroerende zaakbelasting en dergelijke en aanvullend een maandelijkse ondersteuning aan de vrouw van ƒ 2500,=.

De rechtbank zal hetgeen partijen in deze hen bindende overeenkomst zijn overeengekomen aldus in het dictum opnemen.

Het verdelingsgeschil (nevenvoorzieningen 2 t/m 5):

Naar het oordeel van de rechtbank moet het stelsel van huwelijksvoorwaarden van partijen aldus worden uitgelegd dat partijen jaarlijks bij helfte dienen te verrekenen hetgeen over het desbetreffende jaar van hun beider inkomsten onverteerd is gebleven.

De verrekenregels in het Burgerlijk Wetboek bevatten blijkens artikel 1:132, tweede lid BW ter zake regelend recht, dat wil zeggen dat de huwelijksvoorwaarden derogeren aan de verrekenregels voornoemd. Blijkens artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden hebben partijen hun voor verrekening in aanmerking komende jaarlijkse inkomsten expliciet gedefinieerd. Onder hun te verrekenen inkomsten moet blijkens artikel 7 worden verstaan hetgeen volgens de Nederlandse wetgeving op de inkomstenbelasting als inkomen wordt aangemerkt, evenwel met uitzondering van waardestijgingen van privébezittingen van de echtgenoten, ook al mochten deze met inkomstenbelasting of een soortgelijke heffing worden belast.

Artikel 6, in combinatie met artikel 7, betekent derhalve dat slechts voor verrekening in aanmerking komen die jaarlijkse inkomsten die tijdens het huwelijk zijn genoten tot datum feitelijk gescheiden leven, voor zover zij vallen onder de Wet op de inkomstenbelasting.

Belegging(en) en waardestijgingen van als zodanig geïnvesteerde, voor verrekening in aanmerking komende inkomsten zijn in de onderhavige huwelijksvoorwaarden expliciet uitgezonderd.

In zoverre is op de onderhavige zaak niet onverkort van toepassing de rechtspraak van de Hoge Raad dat het totale eindvermogen van een echtgenoot inclusief alle waardestijgingen van nimmer verrekende vermogensbestanddelen voor zover ontstaan tijdens huwelijk - dus na aftrek van aanbrengsten bij het huwelijk, tijdens huwelijk verkregen erfenissen, making of giften - vermoed moet worden verrekenplichtig inkomen

te zijn.

Naar aanleiding van het verzoek van de vrouw de verrekening(svergoeding) door de rechtbank vast te stellen respectievelijk te doen vaststellen, overweegt de rechtbank het volgende.

De primaire stelling van de man faalt.

De in artikel 2 van de huwelijksvoorwaarden omschreven eigendomsverkrijging laat onverlet dat partijen overgespaard, niet verteerd inkomen bij helfte dienen te verrekenen op grond van het in artikel 6 overeengekomen verrekenbeding.

Omstandigheden op grond waarvan een beroep op het vervalbeding in artikel 6 - blijkens jurisprudentie onder zeer bijzondere omstandigheden denkbaar - zou kunnen slagen, zijn door de man gesteld noch gebleken.

De subsidiaire stelling van de man treft wel doel.

Blijkens de door de man overgelegde afschriften van betalingen van de man aan de vrouw, ook vóór datum feitelijk gescheiden leven, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat partijen tijdens het huwelijk met toepassing van artikel 1:137, eerste lid BW hun nominale besparingen verrekenden, waarmee uitvoering werd gegeven aan het nominale verrekenbeding ingevolge artikel 6 van de huwelijksvoorwaarden.

De vrouw heeft niet respectievelijk niet genoegzaam betwist dat de verrekening tussen partijen aldus en kennelijk zijn weerslag heeft gevonden in de betalingen die de man op aangeven van de vrouw, vanaf de geboorte van het eerste kind, aan de vrouw verrichtte ten tijde van het huwelijk, in het bijzonder ook in het tijdvak vóór oktober 1999 toen partijen nog niet gescheiden leefden. Anders dan de vrouw stelt, heeft verrekening van de besparingen klaarblijkelijk plaatsgevonden blijkens het tussen partijen bestaande betalingsverkeer, waarbij de man op aangeven van de vrouw tweemaandelijks bedragen van rond de twee á drieduizend gulden per maand aan de vrouw giraal overmaakte. Deze betalingen moeten als in kennelijke overeenstemming met de strekking van het in casu op nominale besparingen van arbeidsinkomen gerichte verrekeningsbeding worden uitgelegd.

De enkele stelling van de vrouw dat de betalingen van de man louter plaatsvonden als dekking voor door haar betaalde kosten (gewone) huishouding, die eigenlijk door de man hadden moeten worden betaald, maar via de tweemaandelijkse stortingen van de man aan haar werden vergoed, treft geen doel. Reeds daarom niet, omdat deze stelling van iedere adstructie en toelichting is ontbloot en bovendien - en dat klemt - omdat onweersproken is gebleven de stelling van de man ter zitting dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen meer dan EUR 300.000,= heeft kunnen sparen en de man de afgelopen vijf jaar EUR 184.000,= aan lasten van het huwelijk heeft gedragen.

Zonneklaar is dat alle vermogensbestanddelen van partijen en in het bijzonder die van de man, waaronder onroerende zaken, aandelen, obligaties, deelnemingen, een Mazda personenauto, koopsompolissen en een sloep per definitie geen verrekenplichtige inkomsten zijn, want als zodanig noch qua waardestijging aan te merken als 'inkomsten in de zin van de Nederlandse wetgeving op de inkomstenbelasting'.

Het vorenstaande brengt met zich dat een nadere verrekening van overgespaarde inkomsten uit hoofde van artikel 6 van de huwelijksvoorwaarden niet behoeft plaats te vinden. Een en ander houdt in dat partijen, waar het gaat om de toepassing van artikel 6 huwelijksvoorwaarden, elk de eigendom behouden van vermogensbestanddelen, voor zover die thans reeds op hun naam staan.

Voor toewijzing van de door de vrouw gevraagde nevenvoorzieningen 2 tot en met 5 bestaan derhalve geen termen. Hoewel de man zich niet tegen de nevenvoorzieningen 2 en 3 heeft verweerd - zij het dat hij een zelfstandig verzoek heeft ingediend dat erop is gericht toewijzing van de betreffende nevenvoorzieningen ook betrekking te laten hebben op de (vermogenspositie van de) vrouw - leidt dit niet tot een ander oordeel. In feite heeft

de man zijn stelling verlaten, omdat hij in het verweerschrift een verdeling na echtscheiding voorstaat, die de vrouw ruimer bedeelt dan waar de vrouw op grond van de huwelijksvoorwaarden, althans op grond van artikel 6, recht op heeft. Het voorstel van de man komt neer op het volgende:

- de woning met inboedel te [plaats B]: aan de man;

- de woning met inboedel te [plaats A]: aan de vrouw;

- de verplichtingen van de hypotheek op laatstgenoemde woning: aan de man;

- de woning met inboedel te [plaats C]: aan de man;

- Mazda cabrio personenauto op naam van de man: aan de man;

- Ford Focus personenauto op naam van de vrouw: aan de vrouw;

- sloep: aan de man;

- kano: aan de vrouw;

- deelnemingen in bedrijven en aandelenportefeuille etc.: aan de man;

- polissen op naam van de man: aan de man;

- polissen op naam van de vrouw: aan de vrouw;

- effecten, bankgiro en spaartegoeden op naam van de vrouw ad circa EUR 340.000,= aan de vrouw;

- overige op naam van één der partijen staande vermogensbestanddelen: aan de echtgenoot op wiens/wier naam deze/dit vermogensbestanddelen of -deel staat.

De rechtbank zal de man houden aan zijn verdelingsvoorstel.

Voor wettelijke rente bestaat geen aanleiding, reeds daarom niet omdat de man niet in verzuim is.

Op grond van de redelijkheid en billijkheid zal de rechtbank de verdeling tussen partijen vaststellen conform het voorstel van de man in het verweerschrift, hoewel dit voorstel door de vrouw vooralsnog is afgewezen.

Pensioenverevening:

Partijen hebben over en weer het standpunt ingenomen dat pensioenverevening dient plaats te vinden, zodat de rechtbank hierover zal beslissen als nader in het dictum aangegeven. Het ligt op de weg van de man met de vrouw te overleggen of zij wil instemmen met zijn voorstel de te berekenen contante waarde in eenmaal aan de vrouw uit te keren.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in dier voege dat partijen over en weer de eigen proceskosten dragen.

BESLISSING

Kent aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van EUR 1.150,= (zegge: één duizend één honderd en vijftig euro) per maand.

Bepaalt dat de aan de man opgelegde alimentatie eerst van rechtswege zal worden verhoogd op 1 januari 2006 met het dan ingaande wettelijke indexeringspercentage.

Verstaat dat de man de kosten van de woning van de vrouw te [plaats A] draagt, waar het betreft de huidige hypotheek, onderhoud, gas, water en licht, telefoon etc., verzekeringen, onroerende zaakbelasting, en dergelijke;

Stelt de verdeling aldus vast dat partijen ieder voor zich de onverdeelde eigendom houden c.q. krijgen zoals hiervoor in de rechtsoverwegingen aangegeven en bepaalt dat partijen over en weer medewerking voor zover vereist hieraan verlenen.

Bepaalt dat partijen binnen 10 dagen na heden zullen overgaan tot verevening van hun pensioenen overeenkomstig de Wet Verevening Pensioenrechten en veroordeelt partijen over en weer tot het verstrekken van gegevens.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de proceskosten in dier voege dat de man en de vrouw de eigen kosten dragen.

Aldus gegeven door mr. L.M. Rijksen, rechter, in tegenwoordigheid van W. van der Laan als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting

van 16 februari 2005.

HOGER BEROEP

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.