Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS5979

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
14-02-2005
Zaaknummer
89893 / HA ZA 03-1017 en 93920 / HA ZA 04-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Vraag of organisator van tourtocht met 4x4 auto's over openbare wegen onrechtmatig jegens eigenaar van die wegen, Staatsbosbeheer, handelt, wordt ontkennend beantwoord. In beginsel dient Staatsbosbeheer het gebruik van zijn openbare wegen, ook voor 4x4 auto's te dulden. Van bijzondere omstandigheden die toch onrechtmatigheid meebrengen, is niet gebleken.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/33

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknrs/rolnrs: 89893 / HA ZA 03-1017 en 93920 / HA ZA 04-220

Uitspraak: 5 januari 2005

V O N N I S

in de zaak aanhangig tussen:

STAATSBOSBEHEER, rechtspersoon volgens artikel 2 van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer,

gevestigd te Driebergen-Rijssenburg,

eiser,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. M.F. Abbekerke te 's-Gravenhage

en

de stichting RECREATIEVE 4 X 4 CLUBS,

gevestigd te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. M. Ras,

en in de zaak aanhangig tussen

STAATSBOSBEHEER, rechtspersoon volgens artikel 2 van de Wet

verzelfstandiging Staatsbosbeheer,

gevestigd te Driebergen-Rijssenburg,

eiser,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. M.F. Abbekerke te 's-Gravenhage

en

[A],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. R. Zwiers.

PROCESVERLOOP

In de zaak tussen Staatsbosbeheer en de stichting heeft de rechtbank op 26 november 2003 een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft op 10 februari 2004 plaatsgevonden.

In de zaak tussen Staatsbosbeheer en [A] heeft de rechtbank op 24 maart 2004, op vordering van Staatsbosbeheer, de voeging gelast van die zaak en de zaak tussen Staatsbosbeheer en de stichting. Nadien zijn door Staatsbosbeheer en [A] nog de volgende stukken gewisseld:

- een conclusie van antwoord van de zijde van [A];

- een conclusie van repliek van de zijde van Staatsbosbeheer;

- een conclusie van dupliek van de zijde van [A].

Vervolgens is op verzoek van partijen (in beide zaken) vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van Staatsbosbeheer strekt ertoe gedaagden, uitvoerbaar bij voorraad:

1 te veroordelen om aan hem te betalen EUR 2.928,40 terzake van herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2003, althans vanaf de dag van de dagvaarding;

2. te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van EUR 883,00 terzake van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding;

3. te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van EUR 787,78 terzake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding;

4. te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis (een afschrift van) een lijst te verstrekken met de bij hen bekende gegevens van deelnemers aan de Oliebollenrit op 29 december 2002, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijven;

5. te verbieden om zonder zijn toestemming toerritten voor 4x4 wagens en/of andere motorrijtuigen in de zin van artikel 1 lid 1 sub c van de Wegenverkeerswet 1994 te organiseren en/of te houden op grond en/of wegen en/of paden in eigendom van Staatsbosbeheer op straffe van een dwangsom van EUR 20.000,00 per overtreding van dit verbod;

6. te veroordelen in de kosten van het geding, met de bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum van het ten deze te wijzen vonnis.

Daartegen is door de stichting en door [A] verweer gevoerd, met conclusie Staatsbosbeheer, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans die af te wijzen, met veroordeling van Staatsbosbeheer in de proceskosten.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist -mede gelet op de overgelegde en in zoverre onbestreden bescheiden- het volgende vast.

1.2 [A] en zijn echtgenote, [B], zijn bestuurders van de stichting.

1.3 [A] heeft een eenmanszaak, die onder de naam "de Recreatieve" in het handelsregister staat ingeschreven met als bedrijfsomschrijving: "het organiseren van vrije tijdsbestedingen, bedrijven, -terrein en dealerevenementen, off-roadritten en speciale toertochten in de Ardennen."

1.4 [A] heeft een evenement voor 4x4 auto's, de zogenaamde Oliebollenrit, georganiseerd. Het evenement, een toertocht voor 4x4 auto's, vond plaats op 29 december 2002. De route voerde onder meer over onverharde paden en wegen, die in eigendom van Staatsbosbeheer zijn, in enkele natuurgebieden in Drenthe.

1.5 Staatsbosbeheer heeft de stichting in een (aan [A] en zijn echtgenote gerichte) brief van 29 januari 2003 aansprakelijk gesteld voor de kosten van herstel van de schade die zou zijn ontstaan aan de wegen ten gevolge van de toertocht. Er zou sprake zijn van 3450 meter totaal vernielde zandwegen. Volgens de brief hanteert Staatsbosbeheer het beleid dat voor dergelijke evenementen een gebruiksovereenkomst met Staatsbosbeheer moet worden gesloten. Alleen in het kader van een dergelijke overeenkomst geeft Staatsbosbeheer toestemming voor het houden van evenementen, mits er voldoende waarborgen bestaan tegen schade en overlast.

1.6 In een brief van 5 februari 2003 aan Staatsbosbeheer schreef [A] namens de stichting dat de stichting geen aansprakelijkheid erkende. Volgens [A] legde Staatsbosbeheer zijn claim bij de verkeerde neer.

1.7 In een brief van 24 april 2003 stelde de (toenmalige) raadsvrouwe van Staatsbosbeheer de stichting aansprakelijk. Volgens die brief had de stichting Staatsbosbeheer er niet van overtuigd dat, ondanks informatie op de website van de stichting, de stichting de Oliebollenrit niet georganiseerd had. Indien de stichting meende dat anderen de schade veroorzaakt hadden, diende de stichting de namen van die anderen te noemen.

1.8 In een brief van 21 mei 2003 aan de toenmalige raadsvrouwe van Staatsbosbeheer schreef [A] namens de stichting onder meer dat de stichting en haar bestuurders niet aansprakelijk waren omdat de stichting de Oliebollenrit niet georganiseerd had.

2 Standpunten van partijen

2.1 Staatsbosbeheer stelt dat de stichting en [A] hem op het verkeerde been hebben gezet ten aanzien van de organisatie van de Oliebollenrit. Om die reden dient de stichting veroordeeld te worden in de proceskosten en dient [A] de kosten van het voegingsincident te dragen.

Staatsbosbeheer meent dat [A] met het organiseren van de Oliebollenrit onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Allereerst heeft [A] inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht door schade toe te brengen aan de aan hem in eigendom toebehorende wegen. Vervolgens heeft [A] onzorgvuldig gehandeld door op onverantwoordelijke en voor het natuurterrein schadelijke wijze 4x4-wagens te laten rijden, zonder zich er van te vergewissen of hij hiervoor toestemming nodig had. In dat kader wijst Staatsbosbeheer er op dat de route voerde door natuurgebieden, die zijn aangewezen als natuurbeschermingsgebied. In artikel 2.3 van de Provinciale Milieuverordening is opgenomen dat het verboden is in een dergelijk gebied een toertocht voor motorvoertuigen te houden.

Volgens Staatsbosbeheer is bij de toertocht forse schade ontstaan aan de wegen. Hij vordert betaling van de herstelkosten en van andere schade. Omdat [A] inmiddels nog een dergelijke tocht georganiseerd zou hebben, en het gelet op de activiteiten van zijn eenmanszaak, te verwachten is dat soortgelijke tochten door hem georganiseerd zullen blijven worden, heeft Staatsbosbeheer, stelt hij, belang bij een verbod om dergelijke tochten te organiseren. Bij afgifte van de lijst van deelnemers heeft Staatsbosheer belang om de deelnemers aansprakelijk te kunnen stellen voor de schade.

2.2 [A] en de stichting betwisten dat aan hen te wijten is dat Staatsbosbeheer (ook) de stichting in rechte betrokken heeft. Staatsbosbeheer heeft volgens hen tegen beter weten in gehandeld. Staatsbosbeheer wist, of kon weten, dat niet de stichting maar [A] de tocht georganiseerd had.

[A] betwist dat hij onrechtmatig gehandeld heeft. Volgens hem heeft hij geen toestemming van Staatsbosbeheer nodig om een tocht te organiseren die voert over openbare wegen. Als Staatsbosbeheer op dit punt beleid heeft, regardeert hem dat niet. Staatsbosbeheer heeft dat beleid ook niet bekend gemaakt. Volgens [A] zijn bij het organiseren van de tocht voldoende maatregelen getroffen om het ontstaan van schade te voorkomen. [A] betwist ook dat de door Staatsbosbeheer gestelde schade door hem of door de deelnemers aan de tocht veroorzaakt is. Verder voert hij verweer tegen diverse onderdelen van de schadevergoedingsvordering.

3 Beoordeling van het geschil

positie stichting

3.1 Tussen partijen staat niet meer ter discussie dat niet de stichting, maar [A] de toertocht georganiseerd heeft. Partijen verschillen slechts van mening over de vraag wat de gevolgen voor de proceskosten zijn van het feit dat Staatsbosbeheer desalniettemin (ook) de stichting gedagvaard heeft.

De rechtbank stelt bij het antwoord op die vraag voorop dat de partij die een andere partij ten onrechte in rechte betrekt in beginsel veroordeeld zal worden in de proceskosten van die andere partij en de eigen proceskosten zal hebben te dragen. Dat is alleen anders wanneer de eisende partij geen verwijt kan worden gemaakt van het ten onrechte in rechte betrekken van de andere partij, maar zulks het gevolg is van het feit dat die andere partij de eisende partij op het verkeerde been heeft gezet. De rechtbank zal nagaan of die situatie zich voordoet.

3.2 Staatsbosbeheer heeft, op basis van informatie die er op zou kunnen wijzen dat de Oliebollenrit toch door de stichting georganiseerd was, de stichting gedagvaard. Daargelaten of Staatsbosbeheer daarvan geen verwijt gemaakt kan worden, niet valt in te zien dat de stichting of [A] Staatsbosbeheer op het verkeerde been gezet hebben. In zijn in rechtsoverweging 1.8 aangehaalde brief van 21 mei 2003 heeft [A] immers uitdrukkelijk aangegeven dat de stichting de Oliebollenrit niet georganiseerd heeft. Daarmee heeft hij -naar nu tussen partijen vast staat- juiste informatie verstrekt aan (de toenmalige raadsvrouwe van) Staatsbosbeheer.

Indien Staatsbosbeheer naar aanleiding van deze brief niet de stichting, maar [A] zou hebben gedagvaard, en [A] zich zou hebben verweerd met de stelling dat de stichting de tocht georganiseerd had, zou Staatsbosbeheer op het verkeerde been gezet zijn. Die situatie doet zich echter niet voor.

Nu [A] en de stichting Staatsbosbeheer niet op het verkeerde been gezet hebben, komt het voor rekening en risico van Staatsbosbeheer dat hij, naar nu blijkt, de stichting ten onrechte gedagvaard heeft. Of Staatsbosbeheer daarvoor goede redenen had, kan in het midden blijven. Hetgeen Staatsbosbeheer in dat kader heeft aangevoerd, kan dan ook onbesproken blijven.

3.3 De slotsom is dat de vordering van Staatsbosbeheer tegen de stichting wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Staatsbosbeheer in de aan de zijde van de stichting gevallen proceskosten veroordeeld.

onrechtmatigheid

3.4 Staatsbosbeheer heeft zijn stelling dat [A] onrechtmatig gehandeld heeft allereerst gebaseerd op de stelling dat [A] schade heeft toegebracht aan zijn eigendom. Daardoor heeft [A] inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht. De rechtbank verwerpt deze stelling. Dat [A] de wegen van Staatsbosbeheer beschadigd zou hebben, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het volgt ook niet uit de door Staatsbosbeheer gestelde feiten. Het enkele feit dat, zoals Staatsbeheer stelt, door de deelnemers aan de Oliebollentocht de wegen beschadigd zijn, betekent immers niet, en zeker niet zonder meer, dat die schade door [A] zelf is toegebracht. Staatsbosbeheer is op dit punt dan ook in zijn stelplicht tekortgeschoten.

3.5 Staatsbosbeheer heeft vervolgens gesteld dat [A] onzorgvuldig gehandeld heeft door zonder zijn toestemming een toertocht te organiseren waarbij op een onverantwoordelijke en voor het milieu schadelijke wijze 4x4-wagens op het terrein van Staatsbosbeheer rijden. Staatsbosbeheer heeft er in dat kader tevens op gewezen dat het organiseren van een dergelijke toertocht voor auto's in strijd met de Provinciale Milieuverordening is.

3.6 Tussen partijen staat niet ter discussie dat de toertocht is verreden over wegen die hebben te gelden als openbare wegen en dat dit ook geldt voor de wegen die eigendom zijn van Staatsbosbeheer. Het uitgangspunt is dan ook dat Staatsbosbeheer het gebruik van zijn openbare wegen door 4x4-wagens dient te dulden en dat gebruik ook niet afhankelijk kan stellen van zijn voorafgaande goedkeuring. Dat is alleen anders wanneer het gebruik van de desbetreffende wegen voor 4x4-wagens beperkt is, ofwel krachtens een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, ofwel op grond van de gesteldheid van de weg (artikel 14 lid 1 juncto artikel 6 Wegenwet). Wanneer een dergelijke beperking zich echter niet voordoet, dan is het gebruik van de openbare wegen door 4x4-wagens, en het organiseren van een tocht voor 4x4-wagens die over deze wegen voert niet onzorgvuldig, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De gebruiker / organisator maakt dan immers gebruik van een hem toekomend recht op gebruik van de openbare wegen.

3.7 De rechtbank zal eerst nagaan of sprake is van een beperking in het gebruik. Zij overweegt in dat kader het volgende.

Dat de gesteldheid van de wegen tot het bestaan van een beperking van het gebruik van de weg voor 4xw-wagens leidt, heeft Staatsbosbeheer niet gesteld. Het volgt ook niet uit hetgeen Staatsbosbeheer wel over de wegen heeft gesteld. Daaruit valt veeleer af te leiden dat de wegen wel bestemd zijn voor motorvoertuigen.

3.8 De vraag rijst vervolgens of het gebruik van de weg beperkt is door een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer. In de procedure tegen de stichting heeft Staatsbosbeheer aangevoerd dat het evenement in strijd zou zijn met artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994, dat -kort gezegd- het op de weg houden van een wedstrijd met voertuigen verbiedt.

De stichting heeft (daarin gevolgd door [A], die voor zijn verweer ook verwijst naar het verweer van de stichting) gesteld dat de tocht geen wedstrijd in de zin van artikel 10 Wegenverkeerswet 1994 was. De stichting heeft in dat kader aangevoerd dat de Oliebollenrit een vrijetijdstocht was zonder enig wedstrijdelement. Het ging om een rondrit door de natuur, zonder dat de prestaties van de deelnemers vergeleken werden.

Staatsbosbeheer heeft de stellingen van [A] over het karakter van de Oliebollenrit niet weersproken. De rechtbank zal er dan ook, met [A], vanuit gaan dat de tocht geen competitie-element bevatte. Een tocht met een louter recreatief karakter, waarin geen prestaties worden vastgesteld of vergeleken, is geen wedstrijd in de zin van artikel 10 Wegenverkeerswet 1994 (HR 10 oktober 1989, NJ 1990/198).

Door Staatsbosbeheer zijn geen andere wettelijke voorschriften ter regeling van het verkeer genoemd, die aan het gebruik van de desbetreffende openbare wegen door 4x4-wagens in de weg staan.

3.9 De slotsom is dat van een beperking van het gebruik van de wegen van Staatsbosbeheer voor 4x4-wagens geen sprake is. Het organiseren van een toertocht voor 4x4 wagens die gedeeltelijk over deze wegen voert, is dan ook in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, toegestaan en niet onzorgvuldig. De rechtbank zal thans de vraag beantwoorden of in dit geval van bijzondere omstandigheden sprake is. In dat kader zal zij aandacht schenken aan hetgeen door Staatsbosbeheer over het handelen van [A] is aangevoerd.

3.10 Staatsbosbeheer heeft aangevoerd dat [A] de 4x4-wagens op een onverantwoorde wijze heeft laten rijden op zijn terrein. [A] heeft betwist dat er onverantwoord gereden is. Hij heeft daartoe, onbestreden door Staatsbosbeheer, aangevoerd dat de uitgezette tocht eerst is "voorgereden", waarbij de route gecontroleerd wordt op zware wegdelen (voor die delen wordt een alternatieve route aangeboden), dat de deelnemers aan de tocht (ongeveer 25 wagens) gesplitst zijn in groepen van 8 à 9 wagens, dat iedere groep begeleid werd door een Marshal, die voorop reed, dat er tussen de groepen Marshals reden die toezicht hielden op het verloop van de rit en dat de laatste groep gevolgd werd door een bezemwagen, die bij de overgang van een onverharde naar een verharde weg de van de banden van de wagens afkomstige aarde verwijdert. Voorts heeft [A] er op gewezen dat het in de dagen voorafgaand aan de tocht gevroren had, waardoor de grond van de onverharde wegen hard geworden was.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen [A] over de voorbereiding en de begeleiding van de tocht heeft gesteld niet dat [A] de 4x4-wagens op onverantwoorde wijze heeft laten rijden op het terrein van Staatsbosbeheer. Dat sommige deelnemers aan de tocht er voor gekozen hebben om niet de alternatieve route te volgen, maar de zwaardere, en moeilijk begaanbare oorspronkelijke route, leidt niet tot een ander oordeel, nu ook voor dit deel van de route gold dat het over openbare wegen voerde. Dat de route ook over het terrein zelf, en niet over de (openbare)wegen door het terrein van Staatsbosbeheer, voerde heeft Staatsbosbeheer niet (uitdrukkelijk) gesteld. In die zin, heeft Staatsbosbeheer zijn stelling dat [A] de 4x4 wagens op onverantwoorde wijze over het "terrein" van Staatsbosbeheer heeft laten rijden, onvoldoende gemotiveerd.

3.11 Staatsbosbeheer heeft verder gesteld dat bij de Oliebollenrit aanzienlijke schade is aangericht aan zijn wegen. [A] heeft dat gemotiveerd betwist. Of de schade door de deelnemers van de Oliebollenrit is veroorzaakt, kan echter in het midden blijven. Zelfs indien de stellingen van Staatsbosbeheer op dit punt juist zijn, betekent dat niet zonder meer dat [A] door de rit te organiseren onzorgvuldig heeft gehandeld. Daartoe is ook noodzakelijk dat voor [A] voorzienbaar was dat het organiseren van de Oliebollenrit ertoe zou leiden dat de wegen van Staatsbosbeheer de desbetreffende dag dermate intensief gebruikt zouden worden dat door dit gebruik schade aan de wegen zou worden toegebracht, die zonder dat gebruik niet zou ontstaan. Staatsbosbeheer heeft op dit punt echter onvoldoende gesteld. Zo heeft hij geen gegevens verstrekt over de aard en intensiteit van het "normale"gebruik van de wegen, het ontstaan van schade bij normaal gebruik (zijn de wegen na verloop van tijd kapot gereden?) en het gebruikelijke onderhoud (dient geregeld nieuw zand te worden aangebracht, of is dat alleen het geval na bijzonder intensief gebruik?).

3.12 Staatsbosbeheer heeft verder aangevoerd dat [A] niet om toestemming heeft gevraagd om de Oliebollenrit te mogen organiseren. Hij was daar op grond van het beleid van Staatsbosbeheer wel toe gehouden. De rechtbank verwerpt deze stelling van Staatsbosbeheer. Gesteld noch gebleken is dat Staatsbosbeheer zijn beleid op dit punt voorafgaand aan de Oliebollenrit aan [A] kenbaar heeft gemaakt. In dit verband is van belang dat van de zijde van Staatsbosbeheer bij gelegenheid van de comparitie is verklaard dat de groene bordjes waarop vermeld wordt wat wel en niet is toegestaan niet staan bij openbare wegen. De door Staatsbosbeheer gestelde regels over het gebruik van zijn terreinen kan Staatsbosbeheer niet tegenwerpen aan derden die daarvan onkundig zijn.

3.13 Staatsbosbeheer heeft er tenslotte op gewezen dat [A] door de Oliebollenrit te organiseren in strijd handelde met artikel 2.3 van de Provinciale Milieuverordening. Deze bepaling zou het organiseren van en deelnemen aan een toertocht voor motorvoertuigen in natuurbeschermingsgebieden verbieden. [A] heeft niet betwist dat hij met het organiseren van de Oliebollenrit het verbod van artikel 2.3 overtreden heeft, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zulks het geval is.

Anders dan Staatsbosbeheer lijkt te veronderstellen, betekent het feit dat [A] in strijd heeft gehandeld met artikel 2.3 van de Provinciale Milieuverordening niet (zonder meer) dat hij gehouden is de eventueel bij de toertocht aan de wegen van Staatsbosbeheer ontstane schade te vergoeden. Gesteld noch gebleken is dat artikel 2.3 (mede) strekt tot bescherming van de openbare wegen van Staatsbosbeheer. De in artikel 6: 163 BW neergelegde relativiteitseis staat dan ook aan toewijzing van de schadevergoedings- vordering vanwege de enkele schending van artikel 2.3 in de weg.

Het feit dat [A] door de tocht te organiseren in strijd heeft gehandeld met artikel 2.3 van de Milieuverordening vormt wel een factor die meeweegt bij de beoordeling van de vraag of [A] onzorgvuldig jegens Staatsbosbeheer gehandeld heeft en om die reden gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden. Nu de andere door Staatsbosbeheer aangevoerde argumenten, zoals hiervoor is overwogen, geen stand houden, kan het enkele feit dat [A] artikel 2.3 overtreden heeft niet tot het oordeel leiden dat [A] onzorgvuldig gehandeld heeft jegens Staatsbosbeheer door de Oliebollentocht onder meer over de wegen van Staatsbosbeheer in milieubeschermingsgebieden te organiseren.

bespreking van de vorderingen

3.14 De vorderingen van Staatsbosbeheer strekkende tot schadevergoeding zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toewijsbaar. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook afwijzen.

3.15 Ook de vordering tot afgifte van een lijst met deelnemers aan de Oliebollentocht is niet toewijsbaar. Staatsbosbeheer heeft gesteld dat hij de lijst nodig heeft om ook de deelnemers aan de tocht eventueel aan te spreken tot schadevergoeding. Nu de schadevergoedingsvordering op [A] niet toewijsbaar is, valt zonder nadere toelichting (die echter ontbreekt), niet in te zien waarom een eventuele schadevergoedingsvordering op de deelnemers wel toewijsbaar zou zijn. De vordering is dan ook onvoldoende onderbouwd.

3.16 De vordering om [A] te verbieden zonder toestemming van Staatsbosbeheer toertochten te organiseren op gronden en wegen van Staatsbosbeheer behoeft niet per definitie het lot te delen van de schadevergoedingsvordering. Het enkele feit dat [A] niet gehouden is om de gestelde schade aan de wegen van Staatsbosbeheer tengevolge van de Oliebollentocht te vergoeden, betekent immers niet zonder meer dat het hem vrij staat nog eens soortgelijke tochten op het terrein van Staatsbosbeheer te organiseren. Daarbij is van belang dat [A] (in ieder geval door deze procedure) inmiddels op de hoogte is van de regels die Staatsbosbeheer voor haar terreinen heeft gesteld betreffende dit soort evenementen. Bovendien staat vast dat toertochten voor motorvoertuigen in milieubeschermingsgebieden in Drenthe ingevolge artikel 2.3 van de Milieuverordening verboden zijn. Dat overtreding van deze bepaling, zoals hiervoor is overwogen, niet (rechtstreeks) leidt tot een verplichting tot vergoeding van eventuele schade aan de wegen van Staatsbosbeheer -omdat de bepaling niet strekt tot bescherming van de wegen van Staatsbosbeheer- betekent niet dat Staatsbosbeheer deze bepaling niet mede aan zijn vordering tot een verbod op het organiseren van toertochten ten grondslag kan leggen, wanneer die vordering strekt tot bescherming van de belangen die wel door artikel 2.3 worden beschermd.

Staatsbosbeheer heeft aangevoerd dat de toerritten hinder en lawaai veroorzaken op zijn terreinen en dat de wegen en paden van Staatsbosbeheer er door beschadigd raken. Het belang van het voorkomen van hinder en lawaai in een natuurbeschermingsgebied valt onmiskenbaar onder de reikwijdte van de door artikel 2.3 beschermde belangen.

3.17 [A] heeft dat laatste niet betwist. In de conclusie van dupliek heeft hij zelfs gesteld dat hij de wegen en paden waarvan kenbaar is dat ze van Staatsbosbeheer zijn zal mijden. Hij heeft echter aangevoerd dat het verbod zoals het nu geformuleerd is te ruim is.Volgens hem is niet kenbaar welke wegen en paden eigendom zijn van Staatsbosbeheer, omdat Staatsbosbeheer dat niet bij de oprit van de wegen kenbaar maakt middels een visuele aanduiding.

De rechtbank volgt [A] in dit verweer. De vordering van Staatsbeheer is te onbepaald. Allereerst heeft de vordering betrekking op alle gronden, wegen en paden van Staatsbosbeheer, ongeacht of op deze gronden (een bepaling als) artikel 2.3 van de Milieuverordening van toepassing is. Hiervoor (rechtsoverweging 3.6) is overwogen dat het gebruik van een openbare weg binnen de kaders van artikel 14 Wegenwet niet onrechtmatig is, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het verbieden van het organiseren van toertochten leidt de facto tot een beperking van het gebruik van de openbare wegen waarop het verbod betrekking heeft. Het gegeven dat een algemeen verbindend voorschrift, zoals een bepaling uit een milieuverordening, het organiseren van toertochten verbiedt, kan in combinatie met het beleid van de eigenaar van de openbare weg voor het terrein waar de weg gelegen is, een bijzondere omstandigheid vormen. Dat de eigenaar van de weg voor zijn terrein het organiseren van toertochten verboden heeft, vormt echter alleen, zonder bijkomende omstandigheden, onvoldoende reden voor het beperken van de openbaarheid van de weg. De (formulering van de) vordering van Staatsbosbeheer miskent dit wezenlijke onderscheid.

De vordering maakt geen onderscheid tussen wegen en paden waarvan kenbaar is dat ze eigendom zijn van Staatsbosbeheer en wegen en paden die dat niet zijn. Wanneer Staatsbosbeheer derden, bijvoorbeeld middels het plaatsen van borden bij de oprit van wegen en paden, niet kenbaar maakt dat hij eigenaar is van de desbetreffende wegen en paden, kan de gebruiker van die wegen en paden ook niet worden tegengeworpen dat hij een voor (het terrein en) die wegen geldend verbod overtreedt.

Zonder al te zeer in te grijpen in de door Staatsbosbeheer gekozen formulering van de verbodsvordering, en zonder daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen te treden, is het niet mogelijk de onder punt 5 van het petitum geformuleerde verbodsvordering toe te wijzen. De rechtbank zal ook deze vordering derhalve afwijzen. De verder nog bij conclusie van antwoord door [A] aangevoerde argumenten tegen toewijzing van de vordering, waarop hij bij conclusie van dupliek overigens niet is teruggekomen, behoeven dan ook geen bespreking meer.

3.18 Staatsbosbeheer is ook in de procedure met [A] in het ongelijk gesteld. Om die reden zal Staatsbosbeheer in de proceskosten van [A] veroordeeld worden, de kosten van het voegingsincident daaronder begrepen.

BESLISSING

in beide procedures

De rechtbank wijst de vorderingen af.

Staatsbosbeheer wordt veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van de stichting gevallen, bepaald op EUR 1.149,00 en voor zover tot op heden aan de zijde van [A] gevallen, bepaald op EUR 1.644,00.

De proceskostenveroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 5 januari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.