Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS5830

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
14-02-2005
Zaaknummer
105871 KG ZA 05-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toetsing van voorzieningenrechter in kort geding van rechtmatigheid van verlenging van inverzekeringsstelling. Van een dringende noodzaak, volgens de Staat bestaande uit collusiegevaar, is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

zaaknr/rolnr: 105871 KG ZA 05-62

uitspraak: 9 februari 2005

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaten mrs. C.J. van Bavel en R.P.G.L.M. Verbunt te Utrecht,

en

de STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. J.J. van der Helm te Den Haag.

PROCESGANG

De Staat is in dit kort geding vrijwillig verschenen.

De ter zitting toegelichte vordering van [eiser] strekt ertoe dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat wordt veroordeeld tot opheffing van de verlengde inverzekeringstelling en tot zijn onmiddellijke invrijheidstelling, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

De Staat heeft verweer tegen de vordering gevoerd, met conclusie tot afwijzing daarvan.

Op verzoek van partijen is de onderhavige beslissing op 9 februari 2005 mondeling ter zitting uitgesproken. De schriftelijke motivering van de beslissing is op 11 februari 2005 aan partijen gezonden.

MOTIVERING

1 Voor de beoordeling van het geschil is het volgende van belang.

1.1 Op 5 februari 2005 heeft een controleploeg van vervoermaatschappij Connexxion een zwartrijder in een lijnbus aangehouden. Deze verzette zich daarbij zo hevig dat [eiser], Bijzonder Opsporingsambtenaar in dienst van Connexxion, de controleploeg te hulp schoot en de zwartrijder tijdens die schermutseling zodanig in de wurggreep nam dat die daardoor korte tijd buiten bewustzijn geraakte.

1.2 [eiser] is op 5 februari 2005 door de politie aangehouden in verband met de verdenking van zware mishandeling in vereniging.

1.3 Op 6 februari 2005 te 12.30 uur is [eiser] ter zake die verdenking in verzekering gesteld door de hulpofficier van justitie te Almere voor een termijn van drie dagen.

1.4 Op 9 februari 2005 is [eiser] op vordering van de Officier van Justitie te Lelystad voorgeleid bij de rechter-commissaris belast met strafzaken van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarbij de bewaring van [eiser] werd gevorderd in verband met de verdenking van primair poging tot doodslag. Bij beschikking van 9 februari 2005 van omstreeks 12.00 uur is de inverzekeringstelling rechtmatig geoordeeld en de vordering tot bewaring afgewezen.

1.5 Op 9 februari 2005 te omstreeks 12.25 uur, vóór ommekomst van de inverzekeringstelling om 12.30 uur, heeft de hulpofficier van justitie conform de telefonische opdracht van de OvJ de inverzekeringstelling met drie dagen verlengd.

2 Kern van het geschil is of in het bestek van dit geding in voldoende mate is gebleken dat de op 9 februari 2005 voortgezette vrijheidsberoving van [eiser] onrechtmatig is, zodat diens inverzekeringstelling moet worden opgeheven en hij onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. Daarbij is in het bijzonder van belang de vraag of de OvJ in redelijkheid verlenging van de inverzekeringstelling heeft kunnen bevelen.

3 Namens de Staat is aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat de afwijzing van de gevorderde bewaring niet aan (de rechtmatigheid van) verlenging van de inverzekeringstelling in de weg staat, nu de in artikel 58 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering voor verlenging vereiste dringende noodzaak in deze zaak aanwezig is en de rechter-commissaris bij diens beoordeling geen aanleiding heeft gezien de onmiddellijke invrijheidstelling van [eiser] te gelasten. De dringende noodzaak bestaat er volgens de Staat uitsluitend uit dat twee getuigen nog moeten worden gehoord en collusiegevaar bestaat, in die zin dat [eiser] die getuigen mogelijk op enigerlei wijze te zijnen gunste zal beïnvloeden.

4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van het gestelde collusiegevaar in onvoldoende mate gebleken. Immers, [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat de nog te horen getuige [getuige], docent fysieke en mentale weerbaarheid in dienst van Connexxion, niet bij het voorval aanwezig is geweest en daarom alleen een algemene verklaring zal (kunnen) afleggen, zoals hij ook reeds op 8 februari 2005 schriftelijk heeft gedaan, over de aard van door hem verzorgde trainingen op het gebied van onder meer fysieke en communicatieve vaardigheden aan controleurs van Connexxion. Verder heeft [eiser] gesteld dat hij in het geheel niet weet wie de andere nog te horen getuige is. Ten slotte heeft de OvJ gedurende de eerste periode van inverzekeringstelling kennelijk zelf geen collusiegevaar aanwezig geacht, omdat hij toen geen beperkingen heeft opgelegd of gevraagd. Het komt de voorzieningenrechter dan ook voor dat collusiegevaar slechts als argument ter wille van de zaak is aangevoerd.

5 Verder is relevant dat blijkens de beschikking van de rechter-commissaris niet gebleken is van de gronden zoals vermeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, om welke reden de bewaring is afgewezen. Dat oordeel komt er op neer dat ernstig vluchtgevaar van [eiser] noch een door het feit ernstig geschokte rechtsorde noch enig onderzoeksbelang aanwezig geacht werden en dat er evenmin rekening mee hoefde te worden gehouden dat [eiser] weer een ernstig misdrijf zal begaan. Feiten en omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geding met voldoende zekerheid anders kan worden geoordeeld, zijn gesteld noch gebleken.

6 Namens de Staat is voorts gesteld dat de OvJ belang heeft bij de verlengde inverzekeringstelling in afwachting van de behandeling op 10 februari 2005 om 11.30 uur van het appèl van de OvJ tegen de afwijzing van de bewaring door de rechter-commissaris. Echter, dat specifieke belang vormt geen dringende noodzaak in de zin van bovengenoemde artikel 58 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering tot verlenging van de inverzekeringstelling. Bovendien heeft [eiser] ter zitting onweersproken toegezegd dat hij bij de behandeling van dat appèl aanwezig zal zijn als hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld. Het standpunt van de Staat ten slotte dat de situatie voor [eiser] door de snelle behandeling van het appèl niet zo dringend is dat hij onmiddellijk in vrijheid gesteld moet worden, moet worden verworpen, omdat daarmee het grote persoonlijke belang van [eiser] miskend wordt om niet langer dan strikt noodzakelijk van zijn vrijheid te zijn beroofd.

7 Onder deze omstandigheden rechtvaardigt de enkele verdenking van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 12 jaar is gesteld, in deze zaak allerminst verlenging van de inverzekeringstelling. Dat de rechter-commissaris niet de onmiddellijke invrijheidstelling heeft bevolen, doet daar niet aan af. Immers, daartoe bestond bepaald geen enkele aanleiding, omdat de inverzekeringstelling zeer kort na de beoordeling door de rechter-commissaris zou aflopen en het punt van een mogelijke verlenging toen niet door de OvJ naar voren is gebracht. Evenmin is in voldoende mate gebleken dat daarmee rekening diende te worden gehouden. Indien dit wel zo was geweest, is denkbaar dat de rechter-commissaris wel de onmiddellijke invrijheidstelling had bevolen.

8 Gelet op het vorenoverwogene is [eiser] terecht opgekomen tegen de voortzetting van zijn vrijheidsberoving, zodat de vordering toewijsbaar is.

9 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen worden.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

I veroordeelt de Staat tot opheffing van de verlengde inverzekeringstelling en tot de onmiddellijke invrijheidstelling van [eiser];

II veroordeelt de Staat in de proceskosten. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van [eiser] gevallen, bepaald op EUR 244,- voor verschotten en EUR 1.632,- voor salaris procureur;

III verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.