Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS5309

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
103271 FARK 04-3769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing ouderlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 45

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Enkelvoudige familiekamer

Zaaknummer: 103271 FARK 04-3769

Datum : 26 januari 2005

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te 2509 GC Den Haag,

Postbus 97745, Neuhuyskade 40,

vertegenwoordigd door A. Westdijk,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

en

1. [moeder],

wonende te [postcode] [plaats],

[adres],

hierna als de moeder aangeduid,

2. De heer en mevrouw [pleegvader c.q. pleegmoeder],

wonende te [postcode] [plaats],

[adres],

hierna als de pleegvader, de pleegmoeder c.q. de pleegouders aangeduid,

belanghebbenden.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De Raad heeft op 17 november 2004 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ontheffing van het ouderlijk gezag.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een rapport van de Raad d.d. 10 november 2004;

- een akkoordverklaring met betrekking tot de aanvaarding van de voogdij over de minderjarige van de pleegmoeder d.d. 19 oktober 2004.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 5 januari 2005.

Verschenen zijn:

- de pleegmoeder;

- Y.H. Terpstra namens de Raad.

De moeder en de pleegvader, hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen (n.b. de pleegvader is met de minderjarige, hierna als [minderjarige] aangeduid, in de wachtruimte achter gebleven).

VASTSTAANDE FEITEN

Het minderjarig kind van de moeder en [vermoedelijke verwekker] (de vermoedelijke verwekker van [minderjarige]) is:

[minderjarige] [familienaam minderjarige], geboren 11 augustus 1994 in de gemeente Amsterdam.

De moeder is belast met het gezag.

[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

BEOORDELING VAN DE ZAAK

De Raad heeft verzocht de moeder te ontheffen van het gezag over [minderjarige].

Tevens heeft de Raad verzocht de pleegmoeder met de voogdij te belasten.

Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de Raad onder meer het volgende aan.

In november 1998 is [minderjarige] op vrijwillige basis in het pleeggezin geplaatst, waar hij nog steeds verblijft. De moeder was destijds verslaafd aan alcohol en drugs. Ter bestrijding van haar depressieve klachten heeft de moeder medicijnen nodig. De GGZ-Amsterdam is met hulpverlening gestopt, omdat de moeder voor behandeling in verband met haar verslavingsproblematiek, geen contact wilde met de Jellinek-kliniek. De moeder is herhaalde malen onbereikbaar geweest voor de hulpverlening.

Een aantal malen hebben de pleegouders getracht de moeder te betrekken bij het nemen van belangrijke beslissingen in verband met de verzorging en opvoeding van [minderjarige], hetgeen niet gelukt is. De moeder is onbetrouwbaar gebleken bij het nakomen van afspraken. Hoewel het leven van de moeder met ups en downs verloopt, is er in feite sinds 1998 niets wezenlijks veranderd. Een van de informanten is, zoals in het rapport van de Raad wordt beschreven, tweemaal bij de moeder in [plaats] op bezoek geweest. De moeder kwam rommelig en verward over. De emotionele ontwikkeling van [minderjarige] loopt schade op, omdat de positie van de moeder voor hem niet duidelijk is. Van terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, nu of in de toekomst, kan geen sprake zijn. [minderjarige] ontwikkelt zich goed. Hij is volledig in het pleeggezin ingegroeid.

De pleegouders staan achter het verzoek van de Raad. De pleegmoeder heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.

De moeder is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over het verzoek van de Raad aan de rechtbank kenbaar te maken. Zij heeft echter van die geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Zij heeft wel tegenover de Raad verklaard, zo blijkt uit het rapport van de Raad, dat zij tegen ontheffing geen bezwaar heeft.

De vader van [minderjarige] heeft geen enkele rol in zijn leven gespeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vraag of de moeder moet worden ontheven van het gezag over [minderjarige] te worden beantwoord aan de hand van de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde criteria, geplaatst tegen de achtergrond van het verdrag inzake de rechten van het kind. In het bijzonder wijst de rechtbank op artikel 3, eerste lid van dat verdrag, luidende: "Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging." Uit de hiervoor geciteerde bepaling in samenhang met de overige bepalingen van het verdrag kan worden afgeleid, dat het ontwikkelingsbelang van het kind als uitgangspunt genomen dient te worden.

In gevolge het bepaalde in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, worden ontheven van het gezag over zijn kind op grond van de omstandigheid dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en de ouder het verzoek niet tegenspreekt: de zogenaamde vrijwillige ontheffing.

Nu de moeder in de procedure haar zienswijze niet kenbaar heeft gemaakt, is de hiervoor bedoelde situatie niet aan de orde. Haar standpunt zoals door de Raad in zijn rapport weergegeven, is daartoe onvoldoende.

Indien de hiervoor bedoelde situatie zich niet voordoet, is er sprake van de zogenaamde gedwongen ontheffing. Voor dat geval stelt artikel 1:268 BW aanvullende voorwaarden.

Vaststaat dat [minderjarige] nu noch in de toekomst voor zijn verzorging en opvoeding naar de moeder kan terugkeren. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] gecombineerd met een uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is niet nodig gebleken. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de moeder in de afgelopen jaren met het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin heeft ingestemd. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel een passieve acceptatie van de moeder van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, zeker nu er al een periode van ruim 6 jaar verstreken is, niet zonder meer voldoende om toewijzing van een verzoek tot gedwongen ontheffing te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kent het gezag niet alleen een passieve zijde, in die zin dat de gezaghebbende ouder zich onthoudt van bepaalde gedragingen, maar kent het gezag ook een actieve zijde, in die zin dat de minderjarige van de gezaghebbende ouder ook bepaalde gedragingen mag verwachten, ook al vindt de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige buiten het gezin van de gezaghebbende ouder plaats.

Omdat [minderjarige] niet bij zijn moeder en zijn vader doch in een pleeggezin opgroeit, is hij kwetsbaar. Er mag vanuit gegaan worden dat er tussen [minderjarige] en de moeder een fundamentele loyaliteit bestaat. Deze wezenlijke ouder-kind loyaliteit kan onder omstandigheden een veilig verblijf en verdere ontwikkeling van [minderjarige] in het pleeggezin verstoren. Hiervan kan sprake zijn als bij [minderjarige] twijfels ontstaan als gevolg van de onduidelijke houding van de moeder ten opzichte van hem. Die onduidelijkheid ontstaat onder meer als de moeder [minderjarige] teleurstelt als zij de contactafspraken met hem niet correct nakomt. Voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] in het pleeggezin, zeker nu hij de puberteit nadert, is het van wezenlijk belang dat de moeder zich ook positief uitlaat over zijn verblijf in het pleeggezin. Juist op onzekere momenten dient de moeder [minderjarige] bij zijn verblijf in het pleeggezin te ondersteunen. Tot op heden is naar het oordeel van de rechtbank geenszins gebleken dat de moeder enige invulling geeft aan de hier bedoelde actieve zijde van het gezag. In het verleden is het herhaalde malen voorgekomen dat het de pleegouders niet gelukt is de moeder bij het nemen van belangrijke beslissingen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te betrekken. Het is naar het oordeel van de rechtbank evenmin te verwachten dat in de houding van de moeder in de toekomst verandering zal komen.

Uit het rapport van de Raad blijkt dat er wel contact is tussen [minderjarige] en zijn moeder, zij het onregelmatig en incidenteel. De moeder heeft tegenover de Raad de wens te kennen gegeven uitbreiding van dit contact te wensen. De pleegmoeder heeft aangegeven niet tegen contact tussen [minderjarige] en de moeder te zijn, noch tegen uitbreiding daarvan. Ook voor de toekomst moet tijdens dat contact voor alle betrokkenen en zeker voor [minderjarige] en de moeder duidelijk zijn dat terugkeer van [minderjarige] naar de moeder niet aan de orde is en dat zijn pleegmoeder degene is die het gezag over hem heeft en derhalve degene is naar wie hij heeft te luisteren. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het ontwikkelingsbelang van [minderjarige] met zich dat zekerheid bestaat over continuering van zijn verblijf in het pleeggezin hetgeen verzekerd wordt door ontheffing van de moeder van het gezag over hem en het belasten van de pleegmoeder met de voogdij over hem.

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht komt de rechtbank tot de slotsom dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Tevens komt de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht tot de slotsom dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige].

De rechtbank is van bezwaren tegen de benoeming van de pleegmoeder tot voogdes niet gebleken. Derhalve zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de Raad, de pleegmoeder met de voogdij over [minderjarige] te belasten, beslissen.

BESLISSING

Ontheft [moeder], geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats], van het gezag over haar minderjarig kind [minderjarige] voornoemd.

Belast [pleegmoeder] met de voogdij.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, rechter, tevens plaatsvervangend kinderrechter, in tegenwoordigheid van F.A. Paasman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2005.

HOGER BEROEP

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de kinderrechter kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur # advocaat verplicht.